Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 17 december 2004
ECLI:NL:HR:2004:AP5258Zaaknummer 39720
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 17 december 2004
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 39720
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nr. 39.720 17 december 2004 EC gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 2003, nr. P01/01418, betreffende na te melden aan X3 N.V., statutair gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...
De Hoge Raad:
verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 2174, derhalve € 1087, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 39.720
17 december 2004
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 21 februari 2003, nr. P01/01418, betreffende na te melden aan X3 N.V., statutair gevestigd te Curaçao, Nederlandse Antillen, opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.750.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f 1.476.740.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard en de bestreden aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 471.890. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal J.A.C.A. Overgaauw heeft op 4 maart 2004 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep en tot verwijzing van de zaak.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het aan de Inspecteur is feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat de feitelijke leiding van belanghebbende in de periode na 4 januari van het onderhavige jaar niet werd uitgeoefend door het statutaire bestuur, maar vanuit de centrale leiding van het F-concern op het kantoor van D in Nederland, die het volledige aandelenkapitaal in en daarmee de zeggenschap over belanghebbende hield. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de Inspecteur het van hem te vergen bewijs niet heeft geleverd.
3.2. Het middel komt op tegen deze oordelen op de gronden dat de wezenlijke bestuursbeslissingen met betrekking tot belanghebbende in Nederland werden genomen en dat het Hof de bewijslast ten aanzien van de vestigingsplaats onjuist heeft verdeeld.
3.3. Op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, in punt 3.4, heeft het Hof terecht als uitgangspunt genomen dat het aan de Inspecteur is feiten en omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken waaruit volgt dat de feitelijke leiding van belanghebbende in het onderhavige jaar niet werd uitgeoefend door het statutaire bestuur, maar door een ander. Daaraan doet niet af dat het Hof - in cassatie onbestreden - heeft geoordeeld dat in de periode gelegen tussen de verwerving van de bouwcontracten van de Noorse schepen (juni 1993) en de oplevering van MM in januari 1995 de feitelijke leiding van belanghebbende werd uitgeoefend vanuit het kantoor van D te Q, nu de grond voor dat oordeel zich na januari 1995 niet meer voordeed. De conclusie van het Hof dat de Inspecteur er niet in is geslaagd om het van hem gevergde bewijs te leveren, is zodanig verweven met feitelijke vaststellingen en beoordelingen van feitelijke aard die voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk zijn, dat daartegen in cassatie niet met vrucht kan worden opgekomen. Het middel faalt derhalve in zoverre.
3.4. Voorzover het middel opkomt tegen de vaststelling van het Hof van het aan de periode tot en met 4 januari 1995 toegerekende winstbedrag kan het niet tot cassatie leiden. De behandeling van dat middelonderdeel vergt een feitelijk onderzoek waarvoor in cassatie geen plaats meer is. Het Hof heeft kennelijk slechts de baten van de bedrijfsuitoefening in Nederland gerekend tot de in Nederland belastbare winst van belanghebbende. Dat oordeel is in het licht van de vaststaande feiten en de gedingstukken niet onbegrijpelijk.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 39721 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 2174, derhalve € 1087, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2004.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 409.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2004:AP5258 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
- ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7386 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3293 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5852 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5853 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 22 augustus 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:6848 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 5 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2269 Gerechtshof Den Haag, 3 november 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:314 Gerechtshof Den Haag, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:315 Gerechtshof Den Haag, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:317 Gerechtshof Den Haag, 2 maart 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:90 Gerechtshof Amsterdam, 13 januari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9535 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9539 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9541 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1044 Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:281 Gerechtshof Den Haag, 19 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:8482 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2004:AP5258 Parket bij de Hoge Raad, 17 december 2004 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2003:AN7386 Gerechtshof Amsterdam, 21 februari 2003 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.