Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 5 maart 2004
ECLI:NL:HR:2004:AO5054Zaaknummer 38428
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 maart 2004
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 38428
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nr. 38.428 5 maart 2004 wv gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 mei 2002, nr. 00/01098, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof...
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2004.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 38.428
5 maart 2004
wv
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 16 mei 2002, nr. 00/01098, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 93.487, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 92.019 (€ 41.756,40). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat het door belanghebbende aangeschafte QRS-apparaat kan worden aangemerkt als een hulpmiddel in de zin van artikel 46, lid 3, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het heeft voor dit oordeel redengevend geacht dat het apparaat in het algemeen slechts aanwending vindt voor geneeskundige doeleinden.
3.2. In cassatie wordt 's Hofs oordeel terecht bestreden. Indien, zoals hier kennelijk het geval is, een middel niet is opgenomen in het verstrekkingenpakket van de Ziekenfondswet of dat van de AWBZ, is vereist dat het middel een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, dan wel naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen. De stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat het onderwerpelijke apparaat, dat door de fabrikant wordt omschreven als "eine ideale Möglichkeit, selbst etwas für die eigene Gesundheit und die Erhältung der Leistungsfähigkeit zu tun", niet een bijzondere hoedanigheid bezit die meebrengt dat het alleen wordt gebruikt door zieke en/of invalide personen, en dat het niet naar zijn aard een door ziekte of invaliditeit gestoorde elementaire lichaamsfunctie kan overnemen. Het kan derhalve niet worden aangemerkt als een hulpmiddel in vorenbedoelde zin. Het middel is gegrond. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren L. Monné en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2004.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHARN:2002:AE4377 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBNHO:2020:9156 Rechtbank Noord-Holland, 9 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1004 Gerechtshof Amsterdam, 5 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:1005 Gerechtshof Amsterdam, 5 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:2329 Rechtbank Noord-Holland, 28 februari 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2017:2308 Gerechtshof Amsterdam, 15 juni 2017 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:3028 Gerechtshof Den Haag, 14 september 2016 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARN:2002:AE4377 Gerechtshof Arnhem, 16 mei 2002 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.