Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 18 april 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF7498Zaaknummer 38122
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 18 april 2003
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 38122
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2003.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Nr. 38.122
18 april 2003
S
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (Canada) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ´s-Hertogenbosch van 4 maart 2002, nr. 99/01026, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 3.600.000, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel komt in de eerste plaats met motiveringsklachten op tegen 's Hofs oordeel dat aannemelijk is dat onder de naam CC slechts één onderneming werd gedreven, evenwel tevergeefs. Dit oordeel berust op de aan het Hof, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden. Van de daarbij door het Hof in aanmerking genomen, door het Hof in rechtsoverweging 4.1 onder a tot en met e opgesomde feiten en omstandigheden, heeft het Hof vermeld dat zij door de Inspecteur zijn gesteld en niet of althans onvoldoende zijn weersproken. Tot een nadere uiteenzetting hoe het tot de vaststelling van die feiten en omstandigheden is gekomen, was het Hof niet gehouden. Het bestreden oordeel van het Hof is ook geenszins onbegrijpelijk. Het Hof behoefde zich van dit oordeel niet te laten weerhouden door de omstandigheid dat ter zake van hetzelfde feitencomplex ook aan een andere persoon een aanslag zou zijn opgelegd.
3.2. Het middel houdt voorts de klacht in dat het Hof de bewijslast ten onrechte heeft "omgekeerd", aangezien het geen rekening heeft gehouden met de toezegging van de Inspecteur dat louter de weigering van de gemachtigde gehoor te geven aan de vordering de administratie ter inspectie ter inzage te verstrekken, niet zou leiden tot een uitspraak op het bezwaarschrift met toepassing van omkering van de bewijslast.
Bij de beoordeling van deze klacht wordt vooropgesteld dat het Hof in zijn rechtsoverweging 4.6, waarin het de verplichting bespreekt de administratie voor raadpleging beschikbaar te stellen, ten onrechte zich heeft gebaseerd op artikel 49, lid 1, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Deze bepaling ziet immers op de actieve informatieverstrekking van artikel 47, lid 1, letter a, AWR, niet op de beschikbaarstelling van de administratie, bedoeld in artikel 47, lid 1, letter b, AWR. Omtrent de plaats waar de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan ter raadpleging beschikbaar moeten worden gesteld, is in de AWR niets bepaald. Bij de beantwoording of in een concreet geval een belastingplichtige - of een derde op wie ingevolge artikel 48 AWR dezelfde verplichting rust - op dit punt aan zijn verplichting tot beschikbaarstelling heeft voldaan, moet rekening worden gehouden met de redelijke belangen van zowel de belastingplichtige als van de inspecteur. In 's Hofs uitspraak ligt besloten dat in dit geval aan deze eis is voldaan, nu het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld.
Wat betreft de klacht zelf wordt het volgende overwogen. Nu blijkens rechtsoverweging 4.7 van 's Hofs uitspraak het Hof niet reeds op grond van het niet overleggen van de administratie de bewijslast heeft omgekeerd, kon het Hof in het midden laten, zoals het heeft gedaan, wat de gevolgen waren van de - uit de gedingstukken blijkende - toezegging van de Inspecteur niet louter op grond van het niet opzenden van de onder de gemachtigde berustende stukken bij het doen van uitspraak op het bezwaarschrift omkering van de bewijslast toe te passen.
3.3. Het middel faalt ook voorzover daarin wordt betoogd dat belanghebbende niet verplicht was te antwoorden omdat hij nu eenmaal niet beschikte over een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande. Voor het bestaan van die verplichting was voldoende dat de Inspecteur zich - zoals het Hof heeft geoordeeld - op basis van de hem ter beschikking staande informatie in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de gevraagde gegevens en inlichtingen van belang zouden kunnen zijn, omdat die opheldering zouden kunnen geven over de vraag of belanghebbende een vaste inrichting of een vaste vertegenwoordiger hier te lande had.
3.4. Behoudens hetgeen hierna onder 3.5 wordt overwogen, kan het middel ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.5. Het middel slaagt echter voorzover het is gericht tegen 's Hofs oordeel dat de in zijn uitspraak onder 2.5 tot en met 2.15 vastgestelde feiten en omstandigheden, elk op zichzelf en in onderlinge samenhang beschouwd, het vermoeden rechtvaardigen dat belanghebbende in het onderhavige jaar voor zijn onderneming beschikte over een vaste vertegenwoordiger hier te lande in de persoon van J en dat belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt, laat staan doen blijken. Het is niet duidelijk of het Hof met dit oordeel voortbouwt op zijn bevinding dat sprake is van omkering van de bewijslast dan wel oordeelt op grond van de gewone bewijsregels, maar wat daarvan zij, in ieder geval biedt dit oordeel onvoldoende inzicht in 's Hofs gedachtegang. Doordat het Hof hier slechts een bewijsoordeel geeft zonder daarbij duidelijk te maken welke criteria het heeft aangelegd voor de aanwezigheid van een vaste vertegenwoordiger en welke feiten het in dit verband al dan niet van belang heeft geacht, kan niet worden beoordeeld of het Hof is uitgegaan van een juiste opvatting van het begrip vaste vertegenwoordiger. 's Hofs uitspraak kan daarom niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
gelast dat de Staat aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van € 82, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1288 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J. Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2003.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHARL:2026:4339 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juni 2026 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3746 Gerechtshof Amsterdam, 27 november 2025 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:4082 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 december 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2024:5457 Rechtbank Noord-Holland, 28 mei 2024 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2023:10768 Rechtbank Noord-Holland, 25 oktober 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:HR:2023:1270 Hoge Raad, 22 september 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1757 Gerechtshof Amsterdam, 9 juni 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1022 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 februari 2023 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5755 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5756 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2022:5757 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2022:715 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 februari 2022 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2432 Gerechtshof Den Haag, 7 december 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:492 Parket bij de Hoge Raad, 18 mei 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:876 Gerechtshof Amsterdam, 25 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:2550 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 maart 2021 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:3692 Gerechtshof Amsterdam, 24 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:10385 Rechtbank Noord-Holland, 17 december 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:11279 Rechtbank Noord-Holland, 27 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9535 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2020:9537 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2020:4452 Rechtbank Amsterdam, 9 september 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7975 Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:8123 Rechtbank Den Haag, 29 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:7976 Rechtbank Den Haag, 22 juli 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:1744 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 juni 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:3377 Rechtbank Noord-Holland, 12 mei 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:579 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:580 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:581 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:582 Gerechtshof Den Haag, 25 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:462 Gerechtshof Den Haag, 10 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2020:1568 Rechtbank Noord-Holland, 3 maart 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2020:649 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20 februari 2020 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1319 Parket bij de Hoge Raad, 12 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1320 Parket bij de Hoge Raad, 12 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:1321 Parket bij de Hoge Raad, 12 december 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:9863 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 november 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:4047 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 31 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:11866 Rechtbank Den Haag, 31 oktober 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:3533 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7315 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7321 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:7322 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 10 september 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6648 Rechtbank Den Haag, 1 juli 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1528 Gerechtshof Den Haag, 18 juni 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1439 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1440 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:1492 Rechtbank Noord-Nederland, 11 april 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2019:1018 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 maart 2019 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:4168 Rechtbank Gelderland, 1 oktober 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2018:7806 Rechtbank Noord-Holland, 12 september 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1800 Gerechtshof Den Haag, 17 juli 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:9035 Rechtbank Den Haag, 21 juni 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6596 Rechtbank Den Haag, 31 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6597 Rechtbank Den Haag, 31 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6599 Rechtbank Den Haag, 31 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:3140 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 mei 2018 (belastingrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2018:3141 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 23 mei 2018 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.