Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 23 mei 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF6221Zaaknummer R02/055HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 23 mei 2003
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R02/055HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 mei 2003.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
23 mei 2003
Eerste Kamer
Rek.nr. R02/055HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
Mr. Jaap GROEN,
advocaat van [betrokkene 1],
kantoorhoudende te 's-Gravenhage,
OPPOSANT op de voet van art. 22 lid 4 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken.
1. Het verzet
Met een op 30 juli 2002 gedateerd verzoekschrift heeft de schuldenaar, advocaat van [betrokkene 1] - verder te noemen: de advocaat - zich gewend tot de Hoge Raad en is hij op de voet van art. 22 lid 4 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ) in verzet gekomen tegen een door de Griffier van de Hoge Raad uitgevaardigd dwangbevel ter zake van het door deze Griffier vastgestelde griffierecht in een door de advocaat voor mevrouw [betrokkene 1] bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte cassatieprocedure met rekestnummer R02/055 tegen het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 21 maart 2000 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. In deze procedure is het griffierecht vastgesteld op een bedrag van ƒ 8.890,--.
De Griffier van de Hoge Raad heeft het verzet bestreden en bij verweerschrift verzocht het verzet ongegrond te verklaren.
De conclusie van de Advocaat-Generaal C.L. de Vries Lentsch-Kostense strekt tot ongegrondverklaring van het verzet.
2. Beoordeling van het verzet
2.1 In cassatie kan worden uitgegaan van hetgeen is vermeld in 2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2.2 Uit het verzetschrift moet worden afgeleid dat de advocaat te dezen uit eigen hoofde optreedt.
2.3 In het verzetschrift wordt betoogd, dat op het moment waarop het verzoekschrift tot cassatie werd ingediend, de toevoeging weliswaar was aangevraagd, maar nog niet was verleend en voorts dat in dit verzoekschrift weliswaar niet was vermeld dat de toevoeging was aangevraagd, maar dat, nu uit dit verzoekschrift bleek dat [betrokkene 1] geen inkomen had, de Hoge Raad gebruik had kunnen maken van de in art. 18 WTBZ vervatte mogelijkheden.
2.4 Het betoog faalt, aangezien ingevolge art. 18 WTBZ is vereist, dat op het moment waarop het vast recht verschuldigd wordt, de verklaring of de bescheiden als bedoeld in art. 25 Wet op de rechtsbijstand zijn overgelegd, aan welk vereiste hier niet is voldaan. Het verzet is derhalve ongegrond.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het verzet ongegrond.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 23 mei 2003.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 18 BWBR0001852
- Artikel 25 WRB meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2003:AF6221 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2003:AF6221 Parket bij de Hoge Raad, 23 mei 2003 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.