Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 10 januari 2003
ECLI:NL:HR:2003:AF0690Zaaknummer C01/055HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 januari 2003
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C01/055HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de notaris en de maatschap begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 januari 2003.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
10 januari 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/055HR
AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. D. Regts,
thans mr. P.A.M. Perquin,
t e g e n
1. [Verweerder 1], wonende te [woonplaats],
2. [Verweerster 2], gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploiten van 24 en 25 oktober 1996 verweerders in cassatie - verder afzonderlijk te noemen: de notaris en de maatschap - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam. Na wijziging en aanvulling van eis heeft hij naast een nader omschreven verklaring voor recht, voor zover in cassatie van belang, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de notaris en de maatschap hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal worden gekweten, te veroordelen tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, welke [eiser] heeft geleden, lijdt en zal lijden ten gevolge van het onrechtmatige handelen, althans toerekenbaar tekortschieten door de notaris en de maatschap jegens [eiser], zulks te verhogen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1992, althans 25 oktober 1996 tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de notaris en de maatschap in de kosten van het geding.
De notaris en de maatschap hebben de vorderingen bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 12 maart 1998 de vorderingen afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij memorie van grieven heeft [eiser] zijn eis gewijzigd en vermeerderd, zoals beschreven in na te melden arrest.
De notaris en de maatschap hebben zich tegen de vermeerdering van eis verzet.
Het Hof heeft bij rolbeschikking van 24 juni 1999 de vermeerdering van eis op de daarin omschreven onderdelen toegestaan en het verzet tegen de verdere wijziging van eis gegrond verklaard.
Bij arrest van 16 november 2000 heeft het Hof het bestreden vonnis van de Rechtbank bekrachtigd en hetgeen [eiser] in hoger beroep meer of anders dan in eerste aanleg heeft gevorderd afgewezen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen notaris en de maatschap is verstek verleend.
[Eiser] heeft de zaak doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
3.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.2 - 1.11.
3.2 In het onderhavige geding heeft [eiser], naast een vordering te verklaren voor recht dat de notaris jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, een vordering ingesteld de notaris en de maatschap te veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. In dit verband heeft hij gesteld dat zijn schade onder meer bestaat uit de kosten verband houdende met de behandeling van de tuchtprocedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Bij pleidooi in eerste aanleg heeft hij als grondslag van deze vordering aangevoerd dat kosten van een tuchtprocedure redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid zijn. De Rechtbank heeft deze grondslag onjuist bevonden en de vordering voor zover strekkende tot vergoeding van de kosten van de tuchtprocedure afgewezen. Het Hof heeft de hiertegen aangevoerde appelgrief verworpen. Middel I bestrijdt deze beslissing en de gronden waarop zij berust.
3.3 Het wettelijk tuchtrecht voor beroepsbeoefenaren, zoals in het onderhavige geval notarissen, heeft in de eerste plaats tot doel, kort gezegd, in het algemeen belang een goede wijze van beroepsuitoefening te bevorderen. Het tuchtrecht komt tot gelding in een tuchtprocedure waarin, in het algemeen naar aanleiding van een klacht van een belanghebbende, wordt onderzocht of een beroepsbeoefenaar in overeenstemming met deze norm heeft gehandeld en, zo dit niet het geval is, een maatregel kan worden opgelegd. Hiermee strookt dat deze procedure niet in de eerste plaats ertoe dient de klager in geval van gegrondbevinding van zijn klacht genoegdoening te verschaffen, ook al kan dit wel het feitelijke resultaat zijn.
Evenzo kan het oordeel van de tuchtrechter over het handelen van een beroepsbeoefenaar in een civiele procedure een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of de beroepsbeoefenaar aansprakelijk is (vgl. HR 12 juli 2002, nr. C00/274, RvdW 2002, 122), en deze omstandigheid kan een belanghebbende (mede) aanleiding geven een klacht in te dienen, maar dit betekent niet dat een tuchtprocedure tot doel heeft de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar vast te stellen. In dit verband is van belang dat bij de beoordeling van de vraag of een tuchtklacht gegrond is andere maatstaven worden gehanteerd dan bij de beoordeling van de civiele aansprakelijkheid, alsmede dat de mede ter bescherming van een gedaagde in een civiele procedure strekkende bewijsregels niet gelden in een tuchtprocedure.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat als uitgangspunt moet worden aanvaard dat een tuchtrechtelijke procedure niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof in de van [eiser] afkomstige stukken van het geding niet een beroep gelezen op bijzondere omstandigheden die in het onderhavige geval zouden nopen tot afwijking van voormeld uitgangspunt.
Het middel is derhalve in al zijn onderdelen tevergeefs voorgesteld.
3.4 De in de middelen II en III aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de notaris en de maatschap begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 10 januari 2003.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2003:AF0690 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBOBR:2026:6106 Rechtbank Oost-Brabant, 27 augustus 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2026:2341 Rechtbank Rotterdam, 4 maart 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2026:1715 Rechtbank Gelderland, 18 februari 2026 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:113 Rechtbank Midden-Nederland, 20 januari 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3486 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3487 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 5 december 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:7248 Rechtbank Amsterdam, 4 september 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:6303 Rechtbank Limburg, 2 juli 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:2139 Rechtbank Oost-Brabant, 9 april 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4262 Rechtbank Den Haag, 19 maart 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1174 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 14 januari 2025 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3886 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3887 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 december 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3394 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 16 oktober 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2024:695 Gerechtshof Amsterdam, 19 maart 2024 (bestuursrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:59 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 19 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:201 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 18 januari 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:4104 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 8 december 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:3401 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 oktober 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2023:2992 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 15 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2023:7760 Rechtbank Midden-Nederland, 8 september 2023 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:3898 Rechtbank Midden-Nederland, 23 september 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2982 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 22 juni 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2022:1795 Gerechtshof Amsterdam, 21 juni 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:968 Rechtbank Midden-Nederland, 25 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:1638 Rechtbank Rotterdam, 23 februari 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOVE:2022:376 Rechtbank Overijssel, 9 februari 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2022:8644 Rechtbank Amsterdam, 2 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2022:53 Rechtbank Midden-Nederland, 7 januari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:6097 Rechtbank Oost-Brabant, 24 november 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:3342 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 11 november 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:10680 Rechtbank Rotterdam, 3 november 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2021:5617 Rechtbank Gelderland, 20 oktober 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:4902 Rechtbank Oost-Brabant, 15 september 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2021:4719 Rechtbank Oost-Brabant, 1 september 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:2512 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10 augustus 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBZWB:2021:3280 Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 30 juni 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2021:1586 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12 april 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:907 Gerechtshof Amsterdam, 30 maart 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2021:659 Rechtbank Noord-Nederland, 2 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:5331 Rechtbank Midden-Nederland, 9 december 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:8210 Rechtbank Den Haag, 26 augustus 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14195 Rechtbank Den Haag, 22 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:1657 Rechtbank Midden-Nederland, 28 april 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3874 Rechtbank Den Haag, 22 april 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2020:1029 Gerechtshof Den Haag, 21 april 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2019:4924 Rechtbank Gelderland, 25 september 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:7049 Rechtbank Noord-Holland, 24 juli 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2019:1780 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 februari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2018:166 Gerechtshof Amsterdam, 23 januari 2018 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHAMS:2016:5513 Gerechtshof Amsterdam, 20 december 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2016:897 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 februari 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:8711 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 november 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2015:5141 Rechtbank Oost-Brabant, 26 augustus 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2003:AF0690 Parket bij de Hoge Raad, 10 januari 2003 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.