Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 4 mei 2001
ECLI:NL:HR:2001:AB1430Zaaknummer C99/225HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 4 mei 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- C99/225HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 14 april 1999;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 742,20 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 4 mei 2001.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
4 mei 2001
Eerste Kamer
Nr. C99/225HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser], wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,
t e g e n
[Verweerder], handelend onder de naam [..], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. Groen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 12 maart 1997 verweerder tot cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor het Kantongerecht te Leeuwarden en veroordeling van [verweerder] gevorderd van alle door [eiser] geleden en nog te lijden schade, ontstaan door het ongeval in april 1992, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf april 1992.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 28 oktober 1997 [eiser] toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden, waaruit kan worden afgeleid, dat de boot kantelde, waardoor hij met zijn rug op de rand van de boot viel en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen dit tussenvonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Leeuwarden.
Bij vonnis van 14 april 1999 heeft de Rechtbank het bestreden tussenvonnis bekrachtigd en de zaak terugverwezen naar de Kantonrechter te Leeuwarden ter verdere berechting.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 14 april 1999 en van het vonnis van de Kantonrechter te Leeuwarden van 28 oktober 1997, en tot terugverwijzing naar de Kantonrechter te Leeuwarden ter verdere berechting en afdoening. Voorts concludeert zij tot veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in dit geding om het volgende. Met ingang van 13 april 1992 is [eiser] bij [verweerder] in dienst getreden als leerling-scheepsbouwer voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 maanden. Eind april 1992 of begin mei 1992 is [eiser] bij werkzaamheden met zijn rug tegen de rand van een boot gevallen. Ergens in de periode 11 - 13 mei 1992 heeft [eiser] zich ziek gemeld. Op of omstreeks 19 mei 1992 heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst met [eiser] beëindigd.
3.2 [Eiser] heeft gevorderd [verweerder] te veroordelen tot vergoeding van de schade die hij als gevolg van de hiervoor genoemde val heeft geleden en nog zal lijden. De Kantonrechter heeft [eiser] bij tussenvonnis opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen, waaruit kan worden afgeleid dat de boot kantelde, waardoor hij met zijn rug tegen de rand van de boot is gevallen.
[Eiser] is van het tussenvonnis in hoger beroep gekomen. De Rechtbank heeft de tegen het tussenvonnis aangevoerde grieven ongegrond bevonden, het bestreden tussenvonnis bekrachtigd en de zaak ter verdere afdoening terugverwezen naar de Kantonrechter.
3.3 De Rechtbank oordeelde dat vaststaat dat de boot is gekanteld, doch dat niet vaststaat of de boot is gekanteld en dat [eiser] daardoor is gevallen, als door [eiser] gesteld, of dat [eiser] eerst is gevallen waardoor de boot is gekanteld, als door [verweerder] gesteld. De Kantonrechter heeft terecht, aldus de Rechtbank, [eiser] belast met het bewijs van zijn stelling dat de boot eerst kantelde, nu dit door [verweerder] wordt betwist (rov. 4.1).
De Rechtbank overwoog voorts
"dat, gelet op het feit dat de toedracht van het gebeurde (…) (nog) niet vaststaat, evenmin (reeds) vaststaat of sprake is van een bedrijfsongeval, waarvoor [verweerder] aansprakelijk kan worden gehouden. Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat ook niet is komen vast te staan wanneer het ongeval heeft plaatsgevonden, april 1992 of 6 mei 1992, terwijl wel vaststaat dat [eiser] zich pas op 11 mei, althans 13 mei 1992 heeft ziekgemeld. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de kantonrechter terecht [eiser] met het bewijs van zijn stellingen heeft belast." (rov. 5.1)
Het middel, dat is opgebouwd uit drie onderdelen, keert zich tegen het vonnis van de Rechtbank en de gronden waarop het berust. Onderdeel 3 is ingetrokken en behoeft derhalve geen behandeling.
3.4.1 De werknemer die op grond van art. 7:658 lid 2 BW schadevergoeding vordert, zal dienen te stellen en zo nodig bewijzen dat hij schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever (HR 15 december 2000, nr. C99/074, NJ 2001, 198). Daarbij geldt dat niet van de werknemer kan worden verlangd dat hij ook aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is.
3.4.2 In de door de Kantonrechter gegeven en door de Rechtbank bekrachtigde bewijsopdracht, hiervoor onder 3.2 weergegeven, ligt besloten dat van [eiser] wordt verlangd dat hij aantoont hoe het ongeval zich heeft toegedragen of wat de oorzaak ervan is, zodat kan worden vastgesteld of ervan sprake is dat de schade aan de werknemer is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Naar volgt uit hetgeen zo-even is overwogen, is de Rechtbank aldus van een onjuiste opvatting van het bepaalde bij art. 7:658 lid 2 uitgegaan. De daarop gerichte klacht van onderdeel 1a is derhalve gegrond.
3.5 Voor zover de onderdelen 1b en 2 ervan uitgaan dat de door [eiser] geleden schade schade is die hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden heeft geleden, missen zij feitelijke grondslag. Zij kunnen daarom niet tot cassatie leiden. De Rechtbank heeft wel vastgesteld dat [eiser] tijdens het werk met zijn rug tegen de rand van een boot is gevallen en dat [eiser] zich enige tijd later heeft ziek gemeld doch zij heeft niet vastgesteld dat [eiser] als gevolg van zijn val schade heeft geleden.
Voor zover de onderdelen 1b en 2 strekken ten betoge dat de Rechtbank heeft miskend dat [verweerder] met het in art. 7:658 lid 2 bedoelde bewijs had moeten worden belast nu vaststaat dat [eiser] tijdens zijn werk is gevallen, falen zij evenzeer, aangezien een dergelijke bewijsopdracht pas aan de orde kan komen indien vaststaat dat [eiser] schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en daaromtrent door de Rechtbank niets is vastgesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 14 april 1999;
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 742,20 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren R. Herrmann, C.H.M. Jansen, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 4 mei 2001.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1430 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBMNE:2026:7191 Rechtbank Midden-Nederland, 7 oktober 2026 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:5792 Rechtbank Midden-Nederland, 12 augustus 2026 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:13014 Rechtbank Rotterdam, 24 oktober 2025 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2025:3801 Gerechtshof Amsterdam, 16 september 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1115 Rechtbank Amsterdam, 20 februari 2025 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2025:466 Rechtbank Rotterdam, 17 januari 2025 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2025:130 Rechtbank Amsterdam, 2 januari 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2024:3358 Rechtbank Oost-Brabant, 12 juli 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:3276 Rechtbank Rotterdam, 12 april 2024 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:600 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 februari 2024 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:467 Gerechtshof Den Haag, 28 maart 2023 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:293 Gerechtshof Den Haag, 7 maart 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:11057 Rechtbank Rotterdam, 14 december 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2848 Gerechtshof Den Haag, 8 november 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2022:3584 Rechtbank Noord-Nederland, 11 oktober 2022 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:8159 Rechtbank Rotterdam, 13 augustus 2021 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:7518 Rechtbank Rotterdam, 11 juni 2021 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2021:2769 Rechtbank Rotterdam, 12 maart 2021 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2020:8751 Rechtbank Limburg, 11 november 2020 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:977 Rechtbank Midden-Nederland, 19 februari 2020 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2020:706 Rechtbank Midden-Nederland, 22 januari 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2019:5923 Rechtbank Midden-Nederland, 4 december 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:10249 Rechtbank Rotterdam, 4 december 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:8427 Rechtbank Rotterdam, 30 oktober 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:10584 Rechtbank Rotterdam, 26 juli 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBNHO:2019:6423 Rechtbank Noord-Holland, 22 juli 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:4064 Rechtbank Rotterdam, 29 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHDHA:2019:1266 Gerechtshof Den Haag, 21 mei 2019 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:3704 Rechtbank Rotterdam, 8 mei 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2019:114 Rechtbank Rotterdam, 16 januari 2019 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:10788 Rechtbank Rotterdam, 28 december 2018 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:2284 Gerechtshof Den Haag, 4 september 2018 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2018:1079 Rechtbank Rotterdam, 16 februari 2018 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:8541 Rechtbank Rotterdam, 3 november 2017 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:7335 Rechtbank Rotterdam, 14 april 2017 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2017:1924 Rechtbank Rotterdam, 24 februari 2017 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2017:995 Rechtbank Midden-Nederland, 18 januari 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:4092 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 september 2016 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2016:2615 Rechtbank Midden-Nederland, 13 april 2016 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2016:1188 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 29 maart 2016 (arbeidsrecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:103 Gerechtshof Den Haag, 2 februari 2016 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBMNE:2015:9660 Rechtbank Midden-Nederland, 23 december 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:568 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 januari 2014 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1430 Parket bij de Hoge Raad, 4 mei 2001 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.