Uitspraak · Personen- en familierecht
Hoge Raad, 13 april 2001
ECLI:NL:HR:2001:AB1009Zaaknummer R00/092HR
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 april 2001
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- R00/092HR
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 13 april 2001.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
13 april 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/092HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De moeder], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. M.F.C. Strok,
t e g e n
1. DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen,
2. DE STICHTING JEUGDBESCHERMING, gevestigd te 's-Gravenhage,
3. [Belanghebbende 3], de raadsvrouwe van de biologische vader [..],
Belanghebbenden in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Naar aanleiding van een verzoek van [de vader] - verder te noemen: de vader - tot vaststelling van een omgangsregeling tussen [het] minderjarige [kind] en de vader heeft de Rechtbank te 's-Gravenhage bij beschikking van 3 mei 1999 de Raad voor de Kinderbescherming te 's-Gravenhage verzocht vijf proefcontacten te begeleiden.
Met een op 11 november 1999 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht [het kind] onder toezicht te stellen voor de periode van één jaar.
Verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - heeft het verzoek bestreden.
Bij beschikking van 28 december 1999 heeft de Kinderrechter [het kind] van 28 december 1999 tot 28 december 2000 onder toezicht gesteld van de gezinsvoogdij-instelling de stichting Jeugdbescherming en Reclassering Den Haag. Hij heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen deze beschikking heeft de moeder hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 10 mei 2000 heeft het Hof de bestreden beschikking bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft geen verweerschrift gediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst J.K. Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.
De Raad voor de Kinderbescherming te 's-Gravenhage heeft aan de Kinderrechter aldaar verzocht de minderjarige dochter van de moeder, [het kind], geboren op [geboortedatum] 1995, onder toezicht te stellen voor een periode van één jaar. Blijkens het verzoek is het doel daarvan om te komen tot een omgangsregeling, waarbij wordt verondersteld dat een omgangsregeling in het kader van een ondertoezichtstelling de belangen van de minderjarige optimaal behartigt en beveiligt en een positieve uitwerking zal hebben met betrekking tot haar ontwikkeling. Daarbij heeft de Raad voor de Kinderbescherming als zijn standpunt te kennen gegeven dat de communicatie tussen de ouders is verstoord en dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt. Ter zitting in hoger beroep is namens de Raad voor de Kinderbescherming daaraan toegevoegd dat de reden van het verzoek is gelegen in de omstandigheid dat de minderjarige wordt bedreigd in haar ontwikkeling, nu haar het contact met haar vader wordt onthouden.
De kinderrechter heeft het verzoek toegewezen met ingang van 28 december 1999 tot 28 december 2000. Het Hof heeft deze beschikking bekrachtigd. Daartegen keert zich het middel.
3.2 Nu de ondertoezichtstelling op 28 december 2000 is afgelopen, heeft de moeder geen belang meer bij haar cassatieberoep, zodat zij daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Hoge Raad ziet echter aanleiding in verband met het belang van de hier aan de orde zijnde rechtsvraag het navolgende te overwegen.
3.3 Het toepassen van de maatregel van ondertoezichtstelling betekent een inmenging in het gezinsleven van ouder(s) en kind. Deze maatregel is slechts gerechtvaardigd indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van het belang van het kind. De rechter die de ondertoezichtstelling uitspreekt, zal in zijn beschikking niet alleen moeten vermelden dat deze beide gronden aanwezig zijn, doch ook moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot zijn oordeel is gekomen dat de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald of waarschijnlijk zullen falen.
3.4 Niet uitgesloten is dat het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling of juist het bestaan ervan, dan wel de conflicten of problemen bij het totstandbrengen of het uitvoeren van een omgangsregeling zodanige belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind dat deze, op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor zijn zedelijke of geestelijke belangen, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen. In een dergelijk geval moeten aan de motivering van de toewijzing hoge eisen gesteld worden. Dat uit de raadsreportage en het verhandelde ter terechtzitting het Hof is gebleken dat een omgangsregeling niet op vrijwillige basis tot stand komt en dat de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting heeft gesteld dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar ontwikkeling als ze geen contact heeft met haar biologische vader, levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 13 april 2001.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1009 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBLIM:2025:9496 Rechtbank Limburg, 25 augustus 2025 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:RBLIM:2025:7363 Rechtbank Limburg, 15 juli 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2024:1751 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 mei 2024 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:5551 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juni 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2023:2578 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 maart 2023 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2663 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 28 juli 2022 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:2037 Gerechtshof Den Haag, 12 oktober 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2021:1950 Gerechtshof Den Haag, 29 september 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2021:1972 Gerechtshof Amsterdam, 22 juni 2021 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2020:953 Gerechtshof Amsterdam, 24 maart 2020 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2019:2655 Gerechtshof Amsterdam, 9 juli 2019 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:1666 Gerechtshof Den Haag, 13 juni 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2018:724 Gerechtshof Den Haag, 28 maart 2018 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2017:766 Hoge Raad, 21 april 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2017:2819 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:911 Gerechtshof Den Haag, 22 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2017:533 Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2017 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHDHA:2016:1690 Gerechtshof Den Haag, 13 april 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:HR:2016:295 Hoge Raad, 19 februari 2016 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:3238 Gerechtshof Amsterdam, 4 augustus 2015 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:GHARL:2014:207 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 januari 2014 (personen- en familierecht)
- ECLI:NL:PHR:2001:AB1009 Parket bij de Hoge Raad, 13 april 2001 (personen- en familierecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.