Uitspraak · Insolventierecht

Hoge Raad, 9 februari 2001

ECLI:NL:HR:2001:AA9902Zaaknummer R00/131HR

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
9 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/131HR
Rechtsgebied
Civiel recht, Civiel recht, Insolventierecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

-

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Het geding in feitelijke instantie
  2. 2. Het geding in cassatie
  3. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  4. 4. Beslissing

9 februari 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/131HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr D. Poot.

1. Het geding in feitelijke instantie

De Rechtbank te Utrecht heeft bij vonnis van 6 april 1999 ten aanzien van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.

[Verzoeker] heeft de rechter-commissaris in deze Rechtbank verzocht om de tot 1 juli 2000 maandelijks ten behoeve van de boedelrekening ingehouden bedragen aan [verzoeker] te restitueren.

Dit verzoek heeft de rechter-commissaris op 30 augustus 2000 afgewezen.

Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] met een op 1 september 2000 ter griffie van de Rechtbank te Utrecht hoger beroep ingesteld.

[Verzoeker] is, hoewel ter zake behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting van de Rechtbank verschenen.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 13 september 2000 [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.

3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1 Wat betrteft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer.

3.2 De Rechtbank heeft - in cassatie onbestreden - geoordeeld dat [verzoeker] met zijn beroepschrift heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen een beschikking die de rechter-commissaris op 31 augustus 2000 zou hebben genomen overeenkomstig art. 295 lid 3 F. Vervolgens heeft de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep op de grond dat ingevolge art. 315 lid 2 F. geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen, onder meer, de beschikkingen bedoeld in art. 295 lid 3 F.

3.3 Het in 3.2 overwogene brengt mee dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in art. 360 F. niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep.

4. Beslissing

De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 februari 2001.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.