Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 14 november 2000
ECLI:NL:HR:2000:AA8294Zaaknummer 01724/99 E
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 14 november 2000
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 01724/99 E
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
-
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op
14 november 2000.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
14 november 2000
Strafkamer
nr. 01724/99 E
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van
het Gerechtshof te Amsterdam, Economische
Kamer, van 28 juli 1999 in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een von-nis van de Arron-disse-ments-rechtbank te Amsterdam, Economische Kamer, van 5 februari 1998 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel II, tweede lid, van de Wijzigingswet 1988 Warenwet, driemaal gepleegd, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot driemaal een geldboete van telkens vijfduizend gulden, waarvan driemaal tweeduizendvijfhonderd gulden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met onttrekking aan het verkeer zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.J.L.J. Duijsens, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel berust op het uitgangspunt dat de onderlinge afwijking tussen de norm in de, in de tenlastelegging vermelde, nationale wet- en regelgeving en die van de communautaire regeling, zijnde EN 131-1 en EN 131-2 van het Comité Européen de Normalisation (CEN), tot gevolg heeft dat de Nederlandse norm op het in de tenlastelegging genoemde klimmaterieel niet van toepassing is.
4.2. Het middel is tevergeefs voorgesteld, omdat dat uitgangspunt onjuist is nu de normen EN 131-1 en 132-2 niet zijn opgenomen in of anderszins steun vinden in enige richtlijn of regelgving op basis van het EG-Verdrag (vgl. HR 6 juli 1999, NJ 1999, 774).
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.J.M. Davids als voor-zit-ter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op
14 november 2000.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 28 VWEU meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 101a RO
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:2000:AA8294 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2000:AA8294 Parket bij de Hoge Raad, 14 november 2000 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.