Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 26 januari 1999
ECLI:NL:HR:1999:ZD1314Zaaknummer 109.342
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 januari 1999
- Publicatiedatum
- 15 april 2016
- Zaaknummer
- 109.342
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek moet de rechter een afweging maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder verdachtes aanwezigheidsrecht, het belang van verdachte en samenleving bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging. 's Hofs kennelijke oordeel bij de afwijzing van het verzoek dat aan een ander belang dan dat van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht voorrang moest worden gegeven, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Samenvatting: Beroep verworpen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
26 januari 1999
Strafkamer nr. 109.342
MF
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 1998 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 25 oktober 1995 - de verdachte ter zake van 1. "overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994", 2. "overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeers wet 1994" en 3. "mishandeling" veroordeeld tot zes weken gevangenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden.
1.2. Aan dit arrest zijn gehecht en daarvan maken deel uit: (i) de bestreden uitspraak;
(ii) het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr R.H. van Muijen, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De waarnemend Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel richt zich met een tweetal klachten tegen de afwijzing van het op de terechtzitting in hoger beroep op 20 januari 1998 gedane verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak.
De eerste klacht ziet op het aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde argument dat de verdachte niet ter terechtzitting aanwezig was en de behandeling van zijn zaak in persoon wilde bijwonen.
3.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep was de verdachte niet aanwezig en heeft de raadsman aldaar om aanhouding gevraagd enerzijds omdat de verdachte op dat moment in een vliegtuig zat naar Indonesië en anderzijds omdat er onvoldoende tijd is geweest de zaak ter verdediging voor te bereiden.
Het Hof heeft het verzoek afgewezen en tegen de verdachte verstek verleend.
3.3. Hetgeen blijkens het proces-verbaal van de te rechtzitting in hoger beroep aldaar door de raadsman naar voren is gebracht met betrekking tot de afwezigheid van de verdachte kan niet anders worden verstaan dan als een namens de verdachte gedaan beroep op diens recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht.
Bij de beslissing op een verzoek tot aanhouding van het onderzoek op de terechtzitting dient de rechter in feitelijke aanleg een afweging te maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waar onder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, het belang dat niet alleen de verdachte maar ook de samenleving heeft bij een spoedige berechting en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging.
3.4. Kennelijk heeft het Hof, dat het verzoek tot aanhouding heeft afgewezen, geoordeeld dat aan een ander belang dan het belang van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, voorrang moest worden gegeven. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd evenmin onbegrijpelijk.
3.5. De tweede klacht van het middel ziet op de aan het verzoek tot aanhouding ten grondslag gelegde grond dat de tijd om de zaak ter verdediging voor te bereiden onvoldoende is geweest.
3.6. Deze klacht kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt, waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Corstens en Orie, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 26 januari 1999.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 271 Sv meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 101a RO
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2026:374 Parket bij de Hoge Raad, 14 april 2026 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2024:597 Parket bij de Hoge Raad, 4 juni 2024 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:561 Parket bij de Hoge Raad, 8 juni 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:247 Parket bij de Hoge Raad, 16 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:173 Parket bij de Hoge Raad, 2 maart 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:145 Parket bij de Hoge Raad, 16 februari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:1 Parket bij de Hoge Raad, 12 januari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:475 Parket bij de Hoge Raad, 19 mei 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:212 Parket bij de Hoge Raad, 10 maart 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:224 Parket bij de Hoge Raad, 21 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:4 Parket bij de Hoge Raad, 14 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:157 Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2020:163 Parket bij de Hoge Raad, 7 januari 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:945 Parket bij de Hoge Raad, 1 oktober 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:746 Parket bij de Hoge Raad, 9 juli 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:763 Parket bij de Hoge Raad, 28 mei 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:757 Parket bij de Hoge Raad, 9 april 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:513 Parket bij de Hoge Raad, 2 april 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2019:206 Parket bij de Hoge Raad, 12 maart 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:1934 Hoge Raad, 16 oktober 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1281 Parket bij de Hoge Raad, 25 september 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:779 Hoge Raad, 29 mei 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:375 Hoge Raad, 20 maart 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBOVE:2018:504 Rechtbank Overijssel, 19 februari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:65 Hoge Raad, 23 januari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:137 Parket bij de Hoge Raad, 9 januari 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2404 Hoge Raad, 19 september 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:1286 Hoge Raad, 11 juli 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:974 Hoge Raad, 30 mei 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:1406 Hoge Raad, 5 juli 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:622 Hoge Raad, 12 april 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2016:212 Parket bij de Hoge Raad, 9 februari 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3252 Hoge Raad, 10 november 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3026 Hoge Raad, 13 oktober 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:3027 Hoge Raad, 13 oktober 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:2054 Parket bij de Hoge Raad, 15 september 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:2055 Parket bij de Hoge Raad, 15 september 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2015:1623 Parket bij de Hoge Raad, 23 juni 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:270 Hoge Raad, 10 februari 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2015:192 Hoge Raad, 3 februari 2015 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3413 Hoge Raad, 25 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3414 Hoge Raad, 25 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3417 Hoge Raad, 25 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3421 Hoge Raad, 25 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:3153 Hoge Raad, 11 november 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:1614 Hoge Raad, 8 juli 2014 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2014:138 Hoge Raad, 21 januari 2014 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.