Uitspraak · Belastingrecht

Hoge Raad, 20 januari 1999

ECLI:NL:HR:1999:AA2829Zaaknummer 34188

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
20 januari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34188
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

-

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 20 januari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
  2. 2. Geding in cassatie
  3. 3. Beoordeling van de middelen
  4. 4. Proceskosten
  5. 5. Beslissing

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 6 februari 1998 betreffende de hem voor het jaar 1992 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1992 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 240.933,--. Aan heffingsrente is f 5.070,-- in rekening gebracht. De aanslag en de beschikking inzake de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft die uitspraak bevestigd voor zover deze de aanslag betreft en heeft de beschikking inzake de heffingsrente vernietigd.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende van H B.V. ontvangen betaling haar grond vindt in de door belanghebbende in de uitoefening van zijn dienstbetrekking bij G B.V. geleverde arbeidsprestaties, zodat die betaling tot belanghebbendes inkomsten uit arbeid moet worden gerekend. Belanghebbendes stelling dat de betaling overwegend berustte op sympathie van de directeur van H B.V., of op andere buiten die dienstbetrekking gelegen persoonlijke omstandigheden, heeft het Hof niet aannemelijk geacht.

3.2. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip loon uit dienstbetrekking in artikel 22, lid 1, letter a, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in verbinding met artikel 22, lid 2, letter a, van die wet en omtrent het verband dat dient te bestaan tussen de van een derde genoten bevoordeling en de dienstbetrekking. Het kan voor het overige, als van feitelijke aard en in het licht van het over en weer gestelde geen nadere motivering behoevende, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Zowel middel I als middel II faalt.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is op 20 januari 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.