Uitspraak · Belastingrecht
Hoge Raad, 13 maart 1996
ECLI:NL:HR:1996:AA1811Zaaknummer 30096
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 13 maart 1996
- Publicatiedatum
- 4 april 2013
- Zaaknummer
- 30096
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Cassatie
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Deelnemingsvrijstelling; samenwerkingsverband banken; verkoop deelneming tegen lagere koers dan goingconcern-waarde aandelen; onderbezettingsverlies; reorganisatievoorziening; schadevergoeding wegens beëindiging afname diensten van deelneming aftrekbaar?
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Hoge Raad der Nederlanden derde kamer
nr. 30.096
13 maart 1996
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van de naamloze vennootschap [X] N.V. te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 30 december 1994 betreffende de haar voor het jaar 1988 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1988 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 68.284,50. Belanghebbende is tegen die aanslag, met schriftelijke toestemming van de Inspecteur op de voet van artikel 26, lid 3 (tekst vóór 1 januari 1994) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, rechtstreeks in beroep gekomen bij het Hof, dat deze aanslag heeft gehandhaafd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
De Plaatsvervangend Procureur-Generaal Van Soest heeft op 16 juni 1995 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 13 maart 1996 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter en de raadsheren Van der Linde, Bellaart, De Moor en Van Brunschot, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 13 Vpb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 13 (oud) Vpb
- Artikel 101a RO
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:1996:AA1811 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:1996:AA1811 Parket bij de Hoge Raad, 13 maart 1996 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.