Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 9 december 1994
ECLI:NL:HR:1994:ZC1576Zaaknummer 15527
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 9 december 1994
- Publicatiedatum
- 26 april 2024
- Zaaknummer
- 15527
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Het zwiepende tak arrest. Onrechtmatige daad. Schoppen tegen een tak. Niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, doet dat gedrag onrechtmatig zijn. Zodanig gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 augustus 1993;
bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank te Almelo van 6 mei 1992;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 1.000,--, en in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 598,05 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Heemskerk, Nieuwenhuis en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 9 december 1994.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
9 december 1994
Eerste Kamer
Nr. 15.527
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr J.K. Franx,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr R.V. Kist.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploit van 26 augustus 1991 eiser tot cassatie — verder te noemen [eiser] — gedagvaard voor de Rechtbank te Almelo en gevorderd, voor zover in cassatie van belang, [eiser] te veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Nadat [eiser] te dienende dage niet in rechte was verschenen en tegen hem verstek was verleend, heeft de Rechtbank bij vonnis van 2 oktober 1991 het gevorderde toegewezen.
Bij exploit van 29 oktober 1991 is [eiser] tegen dat vonnis in verzet gekomen en heeft hij gevorderd van de tegen hem op 2 oktober 1991 uitgesproken veroordeling te worden ontheven, met afwijzing van het door [verweerder] gevorderde.
Bij vonnis van 6 mei 1992 heeft de Rechtbank het verstekvonnis van 2 oktober 1991 vernietigd en het door [verweerder] bij inleidende dagvaarding gevorderde afgewezen.
Tegen het vonnis van 6 mei 1992 van de Rechtbank heeft [verweerder] beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 10 augustus 1993 heeft het Hof het vonnis van 6 mei 1992 vernietigd en het vonnis van 2 oktober 1991 bekrachtigd.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 4 september 1989 hebben [eiser], die toen zeventien jaar oud was, [verweerder] en nog twee jongens te omstreeks 20.00 uur een boswandeling gemaakt. Tijdens deze wandeling gaf [eiser] een schop tegen een tak, die als gevolg daarvan is teruggezwiept en [verweerder] in het rechteroog heeft geraakt. Het daardoor veroorzaakte letsel heeft tot verlies van het oog geleid.
3.2 Zich op het standpunt stellende dat deze gedraging van [eiser] een onrechtmatige daad jegens [verweerder] oplevert, vordert laatstgenoemde in dit geding vergoeding van de deswege door hem geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
3.3 Anders dan de Rechtbank, wijst het Hof de vordering toe, waartoe het oordeelt (rov. 3) dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door ervan uit te gaan dat ‘’in een geval als het onderhavige, waarin een aantal vrienden tezamen een boswandeling maakt, elk der deelnemers aan die wandeling bedacht moet zijn op gedragingen van de anderen, die — zij het onbedoeld — een gevaar kunnen opleveren, zoals het (doen) wegzwiepen van takken’’.
Het Hof neemt tot uitgangspunt dat [eiser] zonder noodzaak een schop tegen een tak heeft gegeven en zodoende [verweerder] letsel heeft toegebracht. Dat de opzet van [eiser] niet gericht was op het toebrengen van dat letsel, doet er, aldus het Hof, niet aan af dat hij zich jegens [verweerder] niet voldoende voorzichtig heeft gedragen en daarmee onzorgvuldig en dus onrechtmatig heeft gehandeld. Mede in aanmerking genomen zijn leeftijd van toen zeventien jaar, zo overweegt het Hof verder, had [eiser] zich immers moeten realiseren dat een tak waartegen wordt getrapt, kan terugzwiepen en een ander kan verwonden. [eiser] had volgens het Hof rekening moeten houden met de mogelijkheid dat [verweerder] zich in zijn onmiddellijke nabijheid bevond; dat hij daarop niet heeft gelet, komt voor zijn rekening (rov. 3).
Aan het voorgaande voegt het Hof nog toe dat het schoppen tegen een tak tijdens een boswandeling, ook al zou dat een niet ongebruikelijk verschijnsel zijn, slechts aanvaardbaar is voor zover daardoor geen gevaar voor verwonding van mede-wandelaars ontstaat; [verweerder] behoefde op een dergelijk gevaar niet verdacht te zijn. [eiser] had zich ervan moeten vergewissen, aldus het Hof, dat hij zonder gevaar voor [verweerder] tegen een tak kon schoppen (rov. 5–I).
3.4 Onderdeel I van het middel, dat dit oordeel bestrijdt, gaat terecht ervan uit dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden.
Het onderdeel verwijt het Hof zulks bij het geven van zijn hiervoor weergegeven oordeel te hebben miskend.
3.5 Onderdeel II klaagt over ontoereikende motivering van 's Hofs oordeel, nu omtrent de toedracht van het ongeval onvoldoende is komen vast te staan. Met name, aldus het onderdeel, is in het duister gebleven hoe het schoppen tegen een tak een reëel en voorzienbaar gevaar voor (oog-)letsel kan scheppen bij iemand die achter de dader loopt, hetgeen temeer klemt nu het Hof niet preciseert op welke wijze [eiser] tegen de tak heeft geschopt, en zich niet uitlaat over [eiser] stelling dat het om een laaghangende tak ging, die bovendien is afgebroken.
3.6 Naar onderdeel I met juistheid betoogt, heeft het Hof, door te oordelen gelijk het heeft gedaan, de hiervoor onder 3.4 omschreven maatstaf miskend.
Weliswaar heeft het Hof overwogen dat ( [eiser] zich had moeten realiseren dat) een tak waartegen wordt getrapt, kan terugzwiepen en een ander kan verwonden, alsmede dat [eiser] rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat [verweerder] zich in zijn onmiddellijke nabijheid bevond. Maar het Hof heeft niet onderzocht of de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval als het onderhavige doordat de tak als gevolg van de door [eiser] daartegen gegeven schop ernstig letsel aan de achter hem lopende [verweerder] zou kunnen toebrengen, zo groot was dat [eiser] zich, naar de eisen van de hem jegens [verweerder] betamende zorgvuldigheid, van het geven van die schop had behoren te onthouden.
Voor een oordeel te dier zake is in dit geding trouwens geen toereikende feitelijke grondslag beschikbaar, aangezien omtrent de toedracht van het ongeval — in het bijzonder voor wat betreft de positie, soort en afmetingen van de tak, alsmede de wijze waarop [eiser] tegen de tak had geschopt, in verband met de plaats waar [verweerder] zich toen ten opzichte van [eiser] bevond — blijkens de stukken van het geding niet meer feiten en omstandigheden zijn gesteld, noch ook ten processe zijn komen vast te staan, dan hiervoor weergegeven. De vordering van [verweerder] is dus niet voor toewijzing vatbaar.
3.7 Het vorenoverwogene brengt mee dat de eerste twee onderdelen van het middel doel treffen, het bestreden arrest niet in stand kan blijven, de Hoge Raad het geding zelf kan afdoen en het middel voor het overige geen behandeling behoeft.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 10 augustus 1993;
bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank te Almelo van 6 mei 1992;
veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 1.000,--, en in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op ƒ 598,05 aan verschotten en ƒ 3.500,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de president Royer als voorzitter en de raadsheren Korthals Altes, Heemskerk, Nieuwenhuis en Swens-Donner, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 9 december 1994.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:1994:49 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBGEL:2026:5282 Rechtbank Gelderland, 17 juni 2026 (goederenrecht)
- ECLI:NL:RBNNE:2025:5335 Rechtbank Noord-Nederland, 4 september 2025 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2024:2440 Rechtbank Noord-Nederland, 26 juni 2024 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2023:1167 Parket bij de Hoge Raad, 15 december 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2023:4013 Rechtbank Rotterdam, 10 mei 2023 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5763 Rechtbank Den Haag, 25 april 2023 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBROT:2022:4712 Rechtbank Rotterdam, 10 juni 2022 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBAMS:2021:7987 Rechtbank Amsterdam, 8 december 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2021:9302 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 5 oktober 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2021:559 Parket bij de Hoge Raad, 28 mei 2021 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:2020:693 Parket bij de Hoge Raad, 17 juli 2020 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBNNE:2019:240 Rechtbank Noord-Nederland, 23 januari 2019 (civiel recht)
- ECLI:NL:HR:2017:1345 Hoge Raad, 14 juli 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBOBR:2017:2753 Rechtbank Oost-Brabant, 17 mei 2017 (civiel recht)
- ECLI:NL:RBGEL:2017:4128 Rechtbank Gelderland, 2 maart 2017 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBMNE:2016:5708 Rechtbank Midden-Nederland, 26 oktober 2016 (verbintenissenrecht)
- ECLI:NL:RBOBR:2015:6456 Rechtbank Oost-Brabant, 11 november 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHARL:2015:3437 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12 mei 2015 (civiel recht)
- ECLI:NL:GHSHE:2014:5184 Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 9 december 2014 (civiel recht)
- ECLI:NL:PHR:1994:49 Parket bij de Hoge Raad, 7 oktober 1994 (civiel recht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.