Uitspraak · Strafrecht
Hoge Raad, 26 november 1968
ECLI:NL:HR:1968:AB6079Zaaknummer 64734
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 26 november 1968
- Publicatiedatum
- 30 augustus 2016
- Zaaknummer
- 64734
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Cassatie in het belang der wet
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Cassatie in het belang der wet
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie in het belang der wet tegen een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 19 januari 1967, waarbij [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, monteur, wonende te [plaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring I aldaar, wegens I. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", II. "Opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd", III. "Poging tot doodslag", onder aanhaling van de artikelen 14a, 14b, 27, 33, 33a, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met bevel dat vier maanden van die straf niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde: dat hij binnen twaalf uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert, met verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp, zoals in het vonnis nader omschreven;
Gehoord het verslag van de Raadsheer Ras;
Gehoord de Advocaat-Generaal Remmelink namens de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middel van cassatie dat de rechtbank door het stellen van bovenvermelde bijzondere voorwaarde "artikel 14c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht heeft geschonden, omdat het namelijk niet is een toelaatbare bijzondere voorwaarde, welke het gedrag van de veroordeelde betreft in de zin zoals zulks in voormeld artikellid moet worden verstaan", en gelet op zijn vordering, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het vonnis waarvan beroep vernietige, voor zover de rechtbank als bijzondere voorwaarde heeft gesteld "dat veroordeelde binnen 12 uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert" zulks zonder dat het arrest aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge";
Overwegende dat bij de bestreden uitspraak ten laste van genoemde [veroordeelde] is bewezen verklaard:
"dat hij te Amsterdam:
I. op of omstreeks 24 september 1966 opzettelijk [slachtoffer 1] heeft bedreigd met doodslag door toen aldaar terwijl hij in de binnenzak van zijn colbert tastte, dreigend tegen [slachtoffer 1] voornoemd te roepen: "I kill you", althans woorden van dergelijke dreigende strekking;
II. op of omstreeks 24 september 1966 opzettelijk en wederrechtelijk een groot aantal ruiten van perceel [a-straat] no. [1] alsmede een groot deel van de inventaris in dat perceel, alles toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft vernield, door die ruiten in te trappen en met een stok een groot deel van die inventaris stuk te slaan;
III. op of omstreeks 22 september 1966 ter uitvoering van zijn voornemen en van het misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk gewelddadig van [slachtoffer 2] in een wurggreep heeft genomen en gehouden door de das en de overhemdband van van [slachtoffer 2] vast te grijpen en daarmede opzettelijk een draaiende beweging te maken, waardoor de keel van van [slachtoffer 2] werd dichtgesnoerd, waardoor van [slachtoffer 2] dreigde te stikken, zijnde de verdere uitvoering van zijn, verdachtes, voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid doordat hij door ingrijpen van anderen gedwongen werd van [slachtoffer 2] los te laten, in elk geval tengevolge van één of weer van zijn wil onafhankelijke omstandigheden";
Overwegende omtrent het middel:
dat de rechtbank als bijzondere voorwaarde heeft gesteld: "dat veroordeelde binnen 12 uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert";
dat het stellen van gemelde bijzondere voorwaarde kennelijk moet worden gezien als een tegen een vreemdeling gerichte maatregel - de veroordeelde is blijkens de inhoud van een als bewijsmiddel gebezigd ambtsedig proces-verbaal Ghanees - wiens verblijf in Nederland door de rechter, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, ongewenst wordt geacht;
dat het stellen van een dergelijke voorwaarde reeds daarom ontoelaatbaar is omdat deze voorwaarde niet valt aan te merken als strekkende ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde noch te betreffen een gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht en dus niet is een voorwaarde betreffende het gedrag van de veroordeelde als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht;
dat het middel dus terecht wordt voorgesteld;
Vernietigt in het belang der wet de bestreden uitspraak voor zover de rechtbank bovenvermelde bijzondere voorwaarde heeft gesteld, zonder dat dit nadeel zal kunnen toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
Gewezen te ‘s-Gravenhage bij de Heren Mrs. Feber, President, Kazemier, Eijssen, Moons en Ras, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zesentwintigste november 1900 acht en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren en de Advocaat-Generaal Remmelink.
Volledige tekst
26 november 1968
No. 64734
R.V.
DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN,
Op het beroep van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, rekwirant van cassatie in het belang der wet tegen een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 19 januari 1967, waarbij [veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1932, monteur, wonende te [plaats], ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring I aldaar, wegens I. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", II. "Opzettelijk en wederrechtelijk eenig goed dat geheel of ten deele aan een ander toebehoort, vernielen, meermalen gepleegd", III. "Poging tot doodslag", onder aanhaling van de artikelen 14a, 14b, 27, 33, 33a, 45, 57, 285, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, met bevel dat vier maanden van die straf niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van drie jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich op andere wijze heeft misdragen of niet heeft nageleefd de bijzondere voorwaarde: dat hij binnen twaalf uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert, met verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen voorwerp, zoals in het vonnis nader omschreven;
Gehoord het verslag van de Raadsheer Ras;
Gehoord de Advocaat-Generaal Remmelink namens de Procureur-Generaal in zijn voordracht, houdende als middel van cassatie dat de rechtbank door het stellen van bovenvermelde bijzondere voorwaarde "artikel 14c lid 2 van het Wetboek van Strafrecht heeft geschonden, omdat het namelijk niet is een toelaatbare bijzondere voorwaarde, welke het gedrag van de veroordeelde betreft in de zin zoals zulks in voormeld artikellid moet worden verstaan", en gelet op zijn vordering, daartoe strekkende dat de Hoge Raad het vonnis waarvan beroep vernietige, voor zover de rechtbank als bijzondere voorwaarde heeft gesteld "dat veroordeelde binnen 12 uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert" zulks zonder dat het arrest aan de rechten door partijen verkregen nadeel toebrenge";
Overwegende dat bij de bestreden uitspraak ten laste van genoemde [veroordeelde] is bewezen verklaard:
"dat hij te Amsterdam:
I. op of omstreeks 24 september 1966 opzettelijk [slachtoffer 1] heeft bedreigd met doodslag door toen aldaar terwijl hij in de binnenzak van zijn colbert tastte, dreigend tegen [slachtoffer 1] voornoemd te roepen: "I kill you", althans woorden van dergelijke dreigende strekking;
II. op of omstreeks 24 september 1966 opzettelijk en wederrechtelijk een groot aantal ruiten van perceel [a-straat] no. [1] alsmede een groot deel van de inventaris in dat perceel, alles toebehorende aan [slachtoffer 2], heeft vernield, door die ruiten in te trappen en met een stok een groot deel van die inventaris stuk te slaan;
III. op of omstreeks 22 september 1966 ter uitvoering van zijn voornemen en van het misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, opzettelijk gewelddadig van [slachtoffer 2] in een wurggreep heeft genomen en gehouden door de das en de overhemdband van van [slachtoffer 2] vast te grijpen en daarmede opzettelijk een draaiende beweging te maken, waardoor de keel van van [slachtoffer 2] werd dichtgesnoerd, waardoor van [slachtoffer 2] dreigde te stikken, zijnde de verdere uitvoering van zijn, verdachtes, voorgenomen misdrijf niet voltooid alleen tengevolge van de van zijn wil onafhankelijke omstandigheid doordat hij door ingrijpen van anderen gedwongen werd van [slachtoffer 2] los te laten, in elk geval tengevolge van één of weer van zijn wil onafhankelijke omstandigheden";
Overwegende omtrent het middel:
dat de rechtbank als bijzondere voorwaarde heeft gesteld: "dat veroordeelde binnen 12 uur na zijn invrijheidstelling Nederland verlaat en daarin binnen de proeftijd niet terugkeert";
dat het stellen van gemelde bijzondere voorwaarde kennelijk moet worden gezien als een tegen een vreemdeling gerichte maatregel - de veroordeelde is blijkens de inhoud van een als bewijsmiddel gebezigd ambtsedig proces-verbaal Ghanees - wiens verblijf in Nederland door de rechter, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, ongewenst wordt geacht;
dat het stellen van een dergelijke voorwaarde reeds daarom ontoelaatbaar is omdat deze voorwaarde niet valt aan te merken als strekkende ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde noch te betreffen een gedraging waartoe de veroordeelde uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht en dus niet is een voorwaarde betreffende het gedrag van de veroordeelde als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht;
dat het middel dus terecht wordt voorgesteld;
Vernietigt in het belang der wet de bestreden uitspraak voor zover de rechtbank bovenvermelde bijzondere voorwaarde heeft gesteld, zonder dat dit nadeel zal kunnen toebrengen aan de rechten door partijen verkregen.
Gewezen te ‘s-Gravenhage bij de Heren Mrs. Feber, President, Kazemier, Eijssen, Moons en Ras, Raden, in bijzijn van de Substituut-Griffier Sarolea, die dit arrest hebben ondertekend, en door voornoemde President uitgesproken ter openbare terechtzitting van de zesentwintigste november 1900 acht en zestig, in tegenwoordigheid van de genoemde Heren en de Advocaat-Generaal Remmelink.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 14a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14b Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 27 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 33 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 33a Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 45 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 57 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 285 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 287 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 350 Sr meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 14c Sr meer uitspraken over dit artikel
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:PHR:1968:AB6079 http://psi.rechtspraak.nl/conclusie
Aangehaald in
- ECLI:NL:PHR:2022:170 Parket bij de Hoge Raad, 22 februari 2022 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:136 Parket bij de Hoge Raad, 16 februari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2021:11 Parket bij de Hoge Raad, 19 januari 2021 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2020:1215 Hoge Raad, 7 juli 2020 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2019:87 Hoge Raad, 22 januari 2019 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:1882 Hoge Raad, 9 oktober 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:2018:1122 Parket bij de Hoge Raad, 28 augustus 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:RBGEL:2018:3213 Rechtbank Gelderland, 19 juli 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2018:667 Hoge Raad, 24 april 2018 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2017:2392 Hoge Raad, 19 september 2017 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:1400 Hoge Raad, 5 juli 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:HR:2016:105 Hoge Raad, 26 januari 2016 (strafrecht)
- ECLI:NL:PHR:1968:AB6079 Parket bij de Hoge Raad, 19 september 1968 (strafrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.