Uitspraak · Civiel recht
Hoge Raad, 19 maart 1847
ECLI:NL:HR:1847:1Zaaknummer 391
- Instantie
- Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 maart 1847
- Publicatiedatum
- 28 februari 2024
- Zaaknummer
- 391
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Cassatie
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Nadere duiding aan de werkingssfeer van artikel VI van de Staatsregeling 1798: Deze regeling geldt alleen ‘voor torens die aan de kerk gehegt zijn, niet voor die, welke op een kerk staande, daarmede een zodanig geheel uitmaken, dat de kerken niet kunnen worden afgebroken, zonder ook de toren te doen vallen’. De originele conclusie is niet meer voorhanden.
Volledige tekst
Teregtzitting van den 19 maart 1847.De zitting is geopend ten elf ure.De deurwaarder roept de navolgenden zaken op.N°. 391. Het Stedelijk Bestuur van Breda, procederende door en op naam van de Heeren [eischer 1], Burgemeester, [eischer 2] en [eischer 3], wethouder der gemelde stad, Eischers in cassatie tegen een arrest van het Provinciaal Geregtshof van Noord-Braband de dato 2 Junij 1846. comparerende bij den Procureur Mr. Cornelis Joseph Francois.TegenKerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Breda, tot het voeren dezer procedure behoorlijk gemagtigd door het Provinciaal Collegie van Toezigt over de Kerkelijke administratie der Hervormde Kerk in Noord Braband, verweerders in cassatie, comparerende bij den Procureur Mr. Jacob George Alexander Glaub. waarvan voorziening in cassatie mede is gerigt tegen, [verweerder], aannemer, wonende te [woonplaats], insgelijks verweerder in cassatie.De Hooge Raad der Nederlanden, Partijen gehoord; Gehoord het Openbaar Ministerie in deszelfs conclusien, uitgebragt bij monde van den advokaat generaal Gregorij, strekkende tot verwerping der cassatie;Gezien de stukken;Met betrekking tot de door de verweerders voorgestelde niet ontvankelijkheid, op grond dat het regtsgeding in cassatie, zonder de nodige goedkeuring zoude zijn aangevangen en er alzoo gehandeld zoude zijn in strijd met art. 74. van het Reglement voor het bestuur der steden van 4 Januarij 1824.;Overwegende, dat wanneer men de ten processe overgelegde besluiten van autorisatie der gedeputeerde Staten om te procederen, naar derzelver aard, strekking en bewoording gade slaat, en wanneer men vooral de algemeene bewoordingen van het eerste besluit van 3. februarij 1843. om, zoo in aanleg, als verweerende het regt van eigendom voor den regter te doen gelden, vergelijkt met de woorden van het verzoek om magtiging ten einde in cassatie te mogen komen, luidende: dat deze vergadering (: gedeputeerde Staten:) voor zoo veel nodig, hiertoe autorisatie verleene, en met de woorden van het daarop gevolgd besluit van magtiging van 1. december 1846. luidende: het stedelijk bestuur bij deze voor zoo veel nodig te magtigen, daaruit ten duidelijksten volgt, dat zoo wel de Raad der Stad als de Gedeputeerde Staten van oordeel zijn geweest, dat de eerste magtiging als in algemeene bewoording vervat, in eenen uitgestrekten en geenszins in eenen beperkten zin moest worden opgevat, zoo dat het regtens daarvoor moet gehouden worden, dat het besluit van 1. december 1846. slechts als eene interpretatie en overvloedige bevestiging van de uitgestrekte magtiging vervat in het besluit van 3. februari 1843. om tot in cassatie het regt van eigendom voor den Regter te doen gelden, moet worden beschouwd. Overwegende, dat wanneer men de besluiten van magtiging in dien zin en zoo als zulks naar regt en rede behoort, opvat, er aan geene overtreding van artikel 74. van het reglement voor de Steden te denken valt, en de niet ontvankelijkheid aldus als niet aannemelijk behoort te worden verworpen;Met betrekking tot het eerste middel van cassatie, beweerde schending van art. 625. van het Burgerlijk Wetboek, en van art. 6. der additioneele artikelen tot de Staatsregeling van 1798. en verkeerde toepassing van art. 13. der Staatsregeling van 1801.;Overwegende, dat art: 625. van het Burgerlijk Wetboek, ten deze alleen kan geschonden zijn door de verkeerde toepassing of uitlegging der ingeroepene Staatsregelingen van 1798. en 1801. waaruit die schending van het eigendoms regt naar het oordeel des Eischers zoude voortvloeijen;Overwegende ten dien aanzien, dat het arrest van het Provinciaal Geregtshof van Noord Braband, teregt heeft beslist, dat het bewijs van eigendoms regt, op de Burgerlijke Gemeente van Breda als opposante, en dus in die hoedanigheid als Eischeresse, en geenszins op het toen geintimeerde kerkbestuur, zoo als het vonnis a quo ten onregte had aangenomen, moet berusten;Overwegende, dat bij het aangevallen arrest in facto is uitgemaakt, dat het bij partijen buiten kijf is, dat die kerk sedert het jaar 1637. in het bezit en gebruik der protestantsche Gemeente geweest en gebleven is; Overwegende, dat na die feitelijke beslissing slechts te onderzoeken valt, welke betere titel de Burgerlijke Gemeente als opposante en Eischeresse tegen dit niet gecontesteerd bezit van meer dan eene eeuw aanvoert;Overwegende, dat de Eischer ten deze aanvoert, onder meerdere hoofdzakelijk, dat vóór 1798. slechts het gebruik bij de kerkelijke, de eigendom bij de Burgerlijke gemeente aanwezig was, en dat de opvolgende Grondwetten van 1798 en 1801. slechts het bezit, het gebruik en geenszins den eigendom zouden geregeld hebben;Overwegende dat het eigendoms regt der Burgerlijke Gemeente anterieur aan 1798. alleen rust op beweeringen en redeneeringen die geen titel kunnen daarstellen, om eene oppositie, op eigendoms regt gegrond, te kunnen goedmaken;Overwegende, dat bij het aangevallen arrest teregt is opgemerkt, dat bij de afscheiding van kerk en Staat, wel in het ontwerp van Staatsregeling van 1796. heeft gelegen, de gestichten aan de Christelijke Godsdienst gewijd, als eigendommen der Burgerlijke Gemeenten te verklaren, doch dat dit denkbeeld bij de Staatsregeling van 1798. niet aangenomen is, maar dat integendeel die Staatsregeling uitgaande van het beginsel, dat de Staat ophoudende eene heerschende en uitsluitende Kerk te erkennen, den Staatseigendom op eene billijke wijze tusschen de kerkgenootschappen heeft willen verdeelen, volgens den maatstaf en de wijze van uitvoering bij het zesde der additionele artikelen voorgeschreven;Overwegende, dat de taal en regtskundige zin der woorden van het zesde additioneel artikel der Staatsregeling van 1798 zoo als: de alzoo genaaste kerken blijven ten allen tijde onder de bezitting dier kerkgemeenten, genoegzaam aanduiden, dat het doel der Staatsregeling niet was enkel het gebruik en bezit der kerken met voorbehoud van den eigendom te regelen, maar veel eer dien eigendom naar den maatstaf der godsdienstige bevolking te regelen en blijvend toe te kennen.Overwegende, dat zoo wel in den taal als regtskundigen zin het woord bezitting meermalen als equivalent van eigendom gebruikt wordt;Overwegende, dat art. 13. der additionele artikelen der Staatsregeling van 1801. niets anders ten dezen aanzien heeft daargesteld, dan de bekrachtiging van het geen toen was, en mitsdien de bevestiging van het eigendoms regt bij de kerkelijke Gemeenten;Overwegende, dat in dit 13de artikel het woord bezit in eenen engen zin genomen, geheel oneigenaardig, ja omverstootend in plaats van bevestigend zijn zoude, van het geen bij den aanvang der eeuw bevonden wierd te bestaan, welke bevestiging en bestendiging intusschen het kennelijk en duidelijk uitgedrukt doel van evengemeld artikel uitmaakt;Overwegende, dat eenmaal aangenomen dat artikel 6. der additïonele artikelen der Staatsregeling van 1798. het geschil ten voordeele der kerkelijke Gemeente beslist heeft, het 13de der additionele artikelen van 1801. daarin geene verandering kan gebragt hebben en ook in geenen anderen veel min daarmede strijdigen zin kan worden opgevat, terwijl dit artikel ten dezen aanzien slechts onherroepelijk handhaaft hetgeen met den aanvang dezer eeuw bestond;Overwegende, dat eene Staatsregeling niet altijd in den al te engen zin van een burgerlijk contract moet worden uitgelegd, en de Staatsregeling van dien tijd zeker een ruimer en verhevener doel had, dan eene loutere possessoire kwestie in den beperkten zin van dat woord uit te maken, en dat zelfs het onherroepelijk handhaven in het bezit in volks of vredestractaten, meestal als toekenning of bevestiging van eigendom gebezigd wordt;Overwegende dat aldus het eerste middel van allen grond is ontbloot;Met betrekking tot het tweede middel: beweerde schending der laatste zinsnede van art. 6. van bovengemelde additionneel artikelen ter zake, dat het Hof eene onderscheiding zoude hebben gemaakt tusschen hoofd torens en andere torens in dit artikel niet te vinden.Overwegende, dat evengemeld artikel de toekenning van den eigendom aan de burgerlijke Gemeente beperkt, hebbende tot die torens welke aan kerkgebouwen zijn gehecht, de feitelijke beslissing van het Hof, dit artikel buiten toepassing stelt, door te verklaren, dat het artikel niet van toepassing is op torens of (zoo als het bevestigde vonnis zich uitdrukt) het torentje op de Markendaalsche kerk gebouwd welke zoo als in casu op de kerken staande, daarmede een zoodanig geheel uitmaken, dat de kerken niet kunnen worden afgebroken zonder ook den toren te doen vallen; Overwegende dat in die beslissing geen schending maar eene juiste toepassing van evengemeld artikel gelegen is en de Hooge Raad even als de Eischer buiten magte is eene andere feitelijke voorstelling der zaak aan te nemen om de beweerde schending te kunnen goed maken, waaruit volgt, dat ook dit tweede middel is onaannemelijk; Overwegende, dat het bij die feitelijke beslissing overbodig wordt te onderzoeken naar de deugdelijkheid der prescriptie door het bevestigde vonnis in het arrest aangenomen op grond almede van uitgemaakte daadzaken, welke het eigendoms regt der Burgerlijke Gemeente op den toren zoude uitsluiten;Verwerpt de voorziening in cassatie en veroordeelt den Eischer in de kosten en boete van cassatie. Aldus gearresteerd bij de Heeren en Mrs. Baron Van Herzeele, Presiderend Raad, Spoor, Jonkheer Diert van Melissant, Baron Van Welderen Rengers, Lightenvelt, van den Velden en Wintgens, Raden, en door den Heer Presiderend Raad uitgesproken ter openbare teregtzitting van den 19. maart 1847. in tegenwoordigheid van de voormelde Raadsheeren, met uitzondering van de Heeren Spoor, Lightenvelt en Van den Velden, die verhinderd zijn geworden bij de uitspraak tegenwoordig te zijn, mitsgaders ten overstaan van den Advocaat Generaal Gregorij, en in bijzijn van den substituut Griffier Jonkheer de Gijselaar.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.