Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2664Zaaknummer 24/1583
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/1583
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BPM - invoer van een auto. Het hof is van oordeel dat de auto als gevolg van aanpassingen van de auto door tuning en een nieuw uitlaatsysteem ten tijde van het belastbare feit niet meer vergelijkbaar is met de auto op de door belanghebbende aangedragen koerslijst en dat deze koerslijst daarom niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde of de historische nieuwprijs van de auto vast te stellen. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld.
Het hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 666;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 934.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J. Wessels en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 24/1583
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 9 oktober 2024, nummer BRE 23/3121, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2].
Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een nader stuk overgelegd.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende heeft een uit het buitenland afkomstige, gebruikte personenauto van het merk en type Mercedes-Benz AMG G 63 Edition 463 (hierna: de auto) doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. De auto is voor het eerst op 11 oktober 2017 in het buitenland toegelaten tot het verkeer op de weg en heeft een CO2-uitstoot van 322 gr/km (NEDC).
Met het oog op de registratie in het kentekenregister heeft belanghebbende op 23 maart 2021 aangifte voor de bpm gedaan. Volgens deze aangifte bedraagt de verschuldigde bpm voor de auto € 16.225. Bij de aangifte is een taxatierapport van [bedrijf 1] V.O.F. gevoegd, dat is opgemaakt op 19 maart 2021 (hierna: het rapport). Volgens het rapport bedraagt de historische nieuwprijs, de historische bruto bpm en de handelsinkoopwaarde van de auto respectievelijk € 246.136, € 82.575 en € 48.380. De netto catalogusprijs bedraagt € 131.835 en is gebaseerd op de koerslijst Autotelex Pro. De taxateur heeft de bepaling van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 70.564 gebaseerd op referentievoertuigen verminderd met een marge. Op dit bedrag heeft de taxateur een bedrag van € 22.184 (98,97% van € 22.414,65) in mindering gebracht om tot een taxatiewaarde (handelsinkoopwaarde) te komen van € 48.380.
Namens de inspecteur is de auto op 6 april 2021 door een medewerker van Domeinen Roerende Zaken (DRZ) geïnspecteerd en getaxeerd. De bevindingen daarvan zijn in een rapport van 8 april 2021 vastgelegd.
De inspecteur heeft op 9 juli 2021 een “Kennisgeving naheffingsaanslag bpm” naar belanghebbende verzonden. In een reactie op deze kennisgeving van 14 juli 2021 schrijft belanghebbende:
“U schrijft in uw betoog dat: “DRZ heeft tijdens de fysieke schouw ook geen herstelwerkzaamheden aangetroffen”. Deze onwaarheid kunt u zelf al constateren namelijk de velgen die op de getoonde auto zitten zijn al nieuwe velgen (zie bijv. al de kleur ter constatering, bij de Taxatie door de taxateur waren de velgen een lichtmetaal kleur en bij DRZ zijn deze velgen inmiddels gericht/gerepareerd en zwart gespoten).
Verder is de auto inderdaad rijdend naar DRZ gekomen maar, motor technische problemen of technische vervangingen heeft DRZ niet naar gekeken, zie hiervoor de foto’s gemaakt door DRZ, deze bevatten geen foto’s van de motor of de onderkant van de auto. Daarom verwijs ik u naar een nota voor een nieuw uitlaat systeem wat al voor de schouw is gemonteerd zodat ik ook rijdend naar de schouw kon komen aangezien ik geen oprijwagen tot mijn beschikking heb.
(zie datum nota 01-04-2021).
Ook al heb ik niet gekozen voor een origineel uitlaatsysteem wijkt deze qua prijs niet af van een originele. (bijgevoegd nota uitlaatsysteem)”
De in deze tekst genoemde factuur van het bedrijf [bedrijf 2] laat een werkorderdatum zien van 22 maart 2021 en specificeert onder andere het volgende:
“BRABUS uitlaten monteren (incl kleppensysteem) € 519,65
(…)
Motortuning uitvoeren; € 1.699,00
571 PK -> 665 PK
760 Nm -> 1000 Nm
V max open”
In de uitspraak op bezwaar van 9 mei 2023 heeft de inspecteur, op verzoek van belanghebbende, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 97.122, als volgt gebaseerd op de koerslijst Eurotax:
| Eurotax basiswaarde (04.2021) | € 99.376 |
| Maandaanpassing | € 3.343 |
| Kilometerbijstelling -21.441 km (78.750 km) | € 3.043 |
| Subtotaal | € 105.762 |
| Bijstelling marktsituatie 10% | € 10.576 |
| Bijstelling dealersituatie 5% | € 5.288 |
| Subtotaal | € 89.898 |
| Totaal opties | € 7.224 |
| Handelsinkoopwaarde | € 97.122 |
De koerslijst Eurotax vermeldt een historische nieuwprijs voor het model Mercedes-Benz G-Klasse AMG 63 van € 236.776,00 en de op de auto aanwezige opties staan op deze koerslijst vermeld voor een bedrag van € 32.133,00, hetgeen optelt tot een totale historische nieuwprijs van € 268.909. De inspecteur is in de uitspraak op bezwaar echter uitgegaan van de historische nieuwprijs uit de koerslijst AutotelexPro van € 268.643, omdat de koerslijst van Eurotax geen netto catalogusprijs en ook geen CO2-uitstoot vermeldt.
De naheffingsaanslag is verminderd naar € 13.625. De kosten van bezwaar heeft de inspecteur op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vergoed voor een bedrag van € 296 (1 punt voor het horen met een waarde per punt van € 296).
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbende een beroep kan doen op de historische nieuwprijs van de auto in de koerslijst van Eurotax.
Partijen zijn het erover eens dat de kostenvergoeding in de bezwaarfase te laag was in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024.[_0da34f65-359c-4735-abb5-04aa422bdaea]
Belanghebbende concludeert tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 13.598 en een aanvullende kostenvergoeding voor de bezwaarfase. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en een aanvullende kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
Ter zitting heeft de inspecteur een stuk ingebracht (zie 1.7), zijnde een uitdraai van correspondentie per e-mail met de heer [naam] met een e-mailadres eindigend op [email adres], waarvan de inspecteur stelt dat deze persoon in deze correspondentie namens Eurotax een toelichting geeft op de toepassing van de bijstelling dealersituatie en marktsituatie. De in dit stuk opgenomen e-mail van de heer [naam] is van 25 augustus 2026, 15:09 uur. Belanghebbende heeft het hof verzocht om dit stuk niet tot de gedingstukken te rekenen, omdat het te laat zou zijn ingediend.
Het hof stelt voorop dat artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Deze bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van een goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken die binnen de termijn van tien dagen of zelfs op de zitting zijn ingediend al dan niet in de procedure toe te laten.[_10c180f2-71ba-49e6-a3e1-af7334687bcc]
Met betrekking tot het door de inspecteur ter zitting overgelegde stuk overweegt het hof als volgt. Naar het oordeel van het hof had de inspecteur het betreffende stuk niet in een eerdere fase van de procedure kunnen overleggen, aangezien de daarin opgenomen e-mail van 25 augustus 2026 slechts één dag voor de zitting door de inspecteur is ontvangen. Daarnaast heeft het hof belanghebbende gelegenheid gegeven om kennis te nemen van het stuk en heeft belanghebbende vervolgens ter zitting inhoudelijk op het stuk gereageerd. Verder bevat het stuk slechts 15 regels aan relevante tekst, welke tekst voor belanghebbende als professioneel gemachtigde in bpm-procedures redelijkerwijs niet als ingewikkeld kan worden ervaren. Het hof heeft daarom geen aanleiding gezien om het stuk als zijnde tardief buiten beschouwing te laten, of om het onderzoek ter zitting te schorsen teneinde belanghebbende een nadere termijn te geven om op dit stuk te reageren.
Ten aanzien van het geschil
Koerslijst
Belanghebbende stelt dat de inspecteur gehouden is om de historische nieuwprijs van dezelfde koerslijst, in casu Eurotax, toe te passen. Indien de afschrijving aldus wordt bepaald door de handelsinkoopwaarde van € 97.122 af te zetten tegen een historische nieuwprijs van € 268.909, leidt dat tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 13.598.
De inspecteur betwist de stelling van belanghebbende. De inspecteur stelt dat de auto als zodanig niet meer voorkomt op een koerslijst, omdat de auto vóór het belastbaar feit significant is aangepast door tuning en een nieuw uitlaatsysteem. Subsidiair stelt de inspecteur dat de koerslijst van Eurotax niet kan dienen voor het bepalen van de historische nieuwprijs, omdat de catalogusprijs in de zin van artikel 9, vijfde lid van de Wet bpm en de CO2-uitstoot daar niet op staat vermeld. Daarmee kan de historische nieuwprijs niet worden vastgesteld als een som van deze netto-catalogusprijs vermeerderd met bpm, zoals bedoeld in artikel 10, lid 7, Wet bpm (tekst geldend voor het jaar 2021).
Het hof memoreert dat het belastbare feit voor de bpm de registratie van een motorrijtuig in het kentekenregister is. Voor de heffing van de verschuldigde bpm is de staat van het motorrijtuig ten tijde van deze registratie daarom bepalend. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat de gestelde aanpassingen aan de auto vóór de registratie van de auto hebben plaatsgevonden, daarbij wijzend op de in 2.4 genoemde factuur en de aldaar geciteerde tekst van belanghebbende. Daarmee is aannemelijk geworden dat de auto vóór het belastbare feit is aangepast met onder andere een nieuw uitlaatsysteem en dat door tuning het koppel (aantal Nm) en het vermogen (aantal PK) van de auto aanzienlijk zijn gewijzigd. Het hof is van oordeel dat de auto als gevolg daarvan ten tijde van het belastbare feit niet meer vergelijkbaar is met de auto op de door belanghebbende aangedragen koerslijst en dat deze koerslijst daarom niet kan dienen om de handelsinkoopwaarde of de historische nieuwprijs van de auto vast te stellen. In dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Daarmee faalt de stelling van belanghebbende.
Kosten van bezwaar
Belanghebbende heeft betoogd dat de inspecteur gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 bij de vaststelling van de vergoeding voor de kosten van bezwaar ten onrechte het lage tarief van € 296 per punt heeft gehanteerd. De inspecteur heeft dit betoog onderschreven. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen en de kosten van bezwaar vaststellen op € 666 (tarief 2026). Voor zover de inspecteur reeds een bedrag aan belanghebbende heeft betaald ter zake van de kosten van bezwaar, kan dat bedrag hierop in mindering worden gebracht.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten)[_bf6141c4-72a2-440b-b465-1cf568b57b75] x € 934 (waarde per punt) x 0,5 (factor gewicht van de zaak) is € 934.
5 Beslissing
Het hof:
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
- veroordeelt de inspecteur in een kostenvergoeding voor de bezwaarfase van € 666;
- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt;
- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 934.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, J. Wessels en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
F. Marcolina E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Hoge Raad 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1060
- Hoge Raad 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3099
- 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2024:6873 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.