Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 september 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2663Zaaknummer 24/1324

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 september 2026
Publicatiedatum
28 oktober 2026
Zaaknummer
24/1324
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de gevraagde recente machtiging niet is overgelegd.

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonend in [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 juli 2024, nummer BRE 23/9074, in het geding tussen belanghebbende en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda,

hierna: de invorderingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende aangemaand om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Daarbij zijn aanmaningskosten in rekening gebracht (hierna: de kostenbeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

[gemachtigde] van [bedrijf 1] (hierna: [gemachtigde]) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten van € 8 in rekening gebracht wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de aanmaningskosten gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen en beslist dat de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht en dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar en de kostenbeschikking vernietigd, de invorderingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een (proces)kostenvergoeding van € 749,50 aan belanghebbende en bepaald dat de invorderingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bepaald in het dictum van de uitspraak.

2.3.

Het hoger beroep is op 5 september 2024 ingediend door [gemachtigde]. Als bijlage bij het hoger beroepschrift is een schriftelijke machtiging overgelegd waarin belanghebbende een volmacht met recht van substitutie verleent aan [naam] en andere werknemers van [bedrijf 2] B.V. om belanghebbende te vertegenwoordigen in ‘de zaak met bovengenoemd CJIB- of aanslagnummer (of alle boetes/aanslagen parkeerbelasting indien een volmacht is gegeven voor het aanvechten van alle (toekomstige) boetes/aanslagen)’. Deze machtiging is ondertekend op 3 april 2023. In deze machtiging ontbreekt een CJIB- of aanslagnummer. Ook is als bijlage bij het hoger beroepschrift een schriftelijk substitutie-formulier overlegd waarin [naam] gebruik maakt van het aan hem verleende recht van substitutie/doormachtiging en [gemachtigde] en andere werknemers van [bedrijf 3] B.V., handelend onder de naam [bedrijf 1], aanwijst om gebruik te maken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in parkeerbelastingzaken (hierna: doormachtiging). Dit formulier is ondertekend op 7 maart 2023 en geldig tot en met 31 december 2023. Voorts is als bijlage bij het hoger beroepschrift een tweede, gelijkluidende doormachtiging overgelegd van [naam] ondertekend op 31 december 2023 en geldig tot en met 31 december 2024.

2.4.

Het hof heeft op 11 augustus 2026 [gemachtigde] verzocht om uiterlijk 8 september 2026 een bewijsstuk te overleggen waaruit volgt dat hij is gemachtigd om het hogerberoepschrift in te dienen (een recente volmacht die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep). Het hof heeft erop gewezen dat, indien van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.5.

Het hof heeft geen reactie van [gemachtigde] ontvangen.

3 Beoordeling ontvankelijkheid

3.1.

Het hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.

3.2.

In de wet is bepaald dat de rechter in hoger beroep van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging kan verlangen, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.[_f451e2d1-bcc6-4519-8ebb-4b214fe6b8d6]

Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.[_666cbdb3-ceec-4538-a668-d2a611d26637]

3.3.

Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde] op 11 augustus 2026 het onder 2.4 genoemde bericht gestuurd. [gemachtigde] is door het hof in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 8 september 2026 te herstellen door een recente volmacht te overleggen. De gevraagde recente volmacht is niet binnen de gestelde termijn en ook nadien niet ontvangen, zodat sprake is van verzuim dat niet tijdig is hersteld. Ook zijn geen reden gesteld of gebleken om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Het hof gaat er daarom vanuit dat [gemachtigde] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het hof zal op die grond het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.4.

Nu het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toe.

Tussenconclusie

3.5.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

3.6.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

3.7.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De raadsheer,

J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Beoordeling ontvankelijkheid

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1324

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonend in [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 24 juli 2024, nummer BRE 23/9074, in het geding tussen belanghebbende en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Breda,

hierna: de invorderingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De invorderingsambtenaar heeft belanghebbende aangemaand om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Daarbij zijn aanmaningskosten in rekening gebracht (hierna: de kostenbeschikking).

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De invorderingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.

1.4.

[gemachtigde] van [bedrijf 1] (hierna: [gemachtigde]) heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Aan belanghebbende zijn aanmaningskosten van € 8 in rekening gebracht wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslag parkeerbelasting.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende tegen de aanmaningskosten gegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen en beslist dat de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht en dat belanghebbende ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar en de kostenbeschikking vernietigd, de invorderingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een (proces)kostenvergoeding van € 749,50 aan belanghebbende en bepaald dat de invorderingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 50 moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bepaald in het dictum van de uitspraak.

2.3.

Het hoger beroep is op 5 september 2024 ingediend door [gemachtigde]. Als bijlage bij het hoger beroepschrift is een schriftelijke machtiging overgelegd waarin belanghebbende een volmacht met recht van substitutie verleent aan [naam] en andere werknemers van [bedrijf 2] B.V. om belanghebbende te vertegenwoordigen in ‘de zaak met bovengenoemd CJIB- of aanslagnummer (of alle boetes/aanslagen parkeerbelasting indien een volmacht is gegeven voor het aanvechten van alle (toekomstige) boetes/aanslagen)’. Deze machtiging is ondertekend op 3 april 2023. In deze machtiging ontbreekt een CJIB- of aanslagnummer. Ook is als bijlage bij het hoger beroepschrift een schriftelijk substitutie-formulier overlegd waarin [naam] gebruik maakt van het aan hem verleende recht van substitutie/doormachtiging en [gemachtigde] en andere werknemers van [bedrijf 3] B.V., handelend onder de naam [bedrijf 1], aanwijst om gebruik te maken van de vertegenwoordigingsbevoegdheid in parkeerbelastingzaken (hierna: doormachtiging). Dit formulier is ondertekend op 7 maart 2023 en geldig tot en met 31 december 2023. Voorts is als bijlage bij het hoger beroepschrift een tweede, gelijkluidende doormachtiging overgelegd van [naam] ondertekend op 31 december 2023 en geldig tot en met 31 december 2024.

2.4.

Het hof heeft op 11 augustus 2026 [gemachtigde] verzocht om uiterlijk 8 september 2026 een bewijsstuk te overleggen waaruit volgt dat hij is gemachtigd om het hogerberoepschrift in te dienen (een recente volmacht die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep). Het hof heeft erop gewezen dat, indien van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

2.5.

Het hof heeft geen reactie van [gemachtigde] ontvangen.

3 Beoordeling ontvankelijkheid

3.1.

Het hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.

3.2.

In de wet is bepaald dat de rechter in hoger beroep van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging kan verlangen, om na te gaan of degene die zich als gemachtigde namens een belanghebbende aandient daartoe werkelijk bevoegd is.[_f451e2d1-bcc6-4519-8ebb-4b214fe6b8d6]

Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is.[_666cbdb3-ceec-4538-a668-d2a611d26637]

3.3.

Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde] op 11 augustus 2026 het onder 2.4 genoemde bericht gestuurd. [gemachtigde] is door het hof in de gelegenheid gesteld het verzuim uiterlijk 8 september 2026 te herstellen door een recente volmacht te overleggen. De gevraagde recente volmacht is niet binnen de gestelde termijn en ook nadien niet ontvangen, zodat sprake is van verzuim dat niet tijdig is hersteld. Ook zijn geen reden gesteld of gebleken om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Het hof gaat er daarom vanuit dat [gemachtigde] niet bevoegd was om namens belanghebbende hoger beroep in te stellen. Het hof zal op die grond het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.4.

Nu het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard komt het hof aan een inhoudelijke behandeling van de zaak niet toe.

Tussenconclusie

3.5.

De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Ten aanzien van het griffierecht

3.6.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

3.7.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van J.H.M. van Ooijen, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De uitspraak is alleen door de raadsheer ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

De griffier, De raadsheer,

J.H.M. van Ooijen M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 8:108, lid 1, Awb.
  2. Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.