Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2611Zaaknummer 25/196 tot en met 25/301
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Publicatiedatum
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 25/196 tot en met 25/301
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kansspelbelasting. Belanghebbende stelt dat een wetswijziging in de kansspelbelasting, namelijk de invoering van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008, bij haar heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de met de wetswijziging gepaarde last zich bij haar sterker heeft laten voelen dan in het algemeen. Hoger beroep ongegrond.
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 25/196 tot en met 25/301
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 februari 2025, nummers BRE 24/3787 tot en met BRE 24/3891 en BRE 24/8177, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
Belanghebbende heeft voor de tijdvakken juli 2008 tot en met april 2017 op aangiften bedragen van in totaal € 15.001.787 aan kansspelbelasting voldaan.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2], als gemachtigden van belanghebbende, en [naam 1], [naam 2], [naam 3], [naam 4] en [naam 5] namens belanghebbende, alsmede, namens de inspecteur, [inspecteur 1], [inspecteur 2], [inspecteur 3] en [inspecteur 4].
Beide partijen hebben tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden dan wel in Mijn Rechtspraak wordt geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende is op [datum] 1989 opgericht en vormde in de periode 2007-2017 tezamen met [bedrijf 1] B.V. (zijnde de houderstermaatschappij) en een aantal zustervennootschappen een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting en voor de omzetbelasting.
Belanghebbende exploiteert casino's en speelhallen in Nederland. Belanghebbende houdt de vergunning tot het exploiteren van kansspelautomaten. Zij is op grond van de Wet op de kansspelbelasting (hierna: Wet KSB) belastingplichtig voor de kansspelbelasting.[_bcb651f0-0c4b-47cf-b497-1d630d88e833]
Tot en met 30 juni 2008 werd de omzet van kansspelautomaten in de heffing van omzetbelasting betrokken, waarbij het bruto spelresultaat werd aangemerkt als omzet inclusief omzetbelasting. Met ingang van 1 juli 2008 is belanghebbende als exploitant van de kansspelautomaten 29% kansspelbelasting verschuldigd over het bruto spelresultaat.[_03c72586-9605-4fae-9aa8-a06d78dc84d2] Het bruto spelresultaat is sinds die datum niet langer belast met omzetbelasting.
Vanaf 2008 wordt de omzet van belanghebbende volledig behaald met de exploitatie van kansspelautomaten.
Tot de gedingstukken behoren de jaarrekeningen 2007-2016 van belanghebbende.
Deze jaarrekeningen vermelden (onder meer) de volgende enkelvoudige gegevens:
1. De opbrengst uit levering van goederen en dienst, onder aftrek van kortingen over de omzet geheven belastingen.
2 Afschrijvingen op materiële vaste activa.
3 Rentebate en lasten.”
Tot de gedingstukken behoren ook de aangiften kansspelbelasting van belanghebbende. Uit deze aangiften volgt dat per jaar de volgende bedragen aan kansspelbelasting zijn voldaan:
“
”
In 2017 is belanghebbende overgenomen door [bedrijf 2] B.V.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de invoering van de kansspelbelasting voor kansspelautomaten per 1 juli 2008 (hierna: de wetswijziging) in het geval van belanghebbende heeft geleid tot een individuele en buitensporige last en, zo ja, of en in hoeverre belanghebbende in dat geval recht heeft op een schadevergoeding.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de rechtbankuitspraak en vergoeding van de ten gevolge van de individuele en buitensporige last geleden schade ter hoogte van € 2.804.371,03. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de rechtbankuitspraak.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
Tussen partijen is niet in geschil dat de door belanghebbende op aangiften voldane kansspelbelasting in overeenstemming is met de Wet KSB. Belanghebbende stelt dat de invoering van de vrijstelling van omzetbelasting en de onderwerping aan kansspelbelasting bij haar heeft geleid tot een individuele en buitensporige last. De bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op belanghebbende.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last voor belanghebbende stelt het hof het volgende voorop. Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven. Een inbreuk is slechts toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (‘fair balance’) tussen het hiervoor genoemde algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.[_ee490140-fd1e-40e5-a794-631a5d2e2539]
Zoals hiervoor aangegeven rust de bewijslast ten aanzien van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last op belanghebbende. Hiervoor zal belanghebbende, zo volgt uit het hiervoor aangehaald arrest van de Hoge Raad van 6 april 2018, in ieder geval aannemelijk moeten maken dat de individuele en buitensporige last zich in haar geval sterker heeft laten voelen dan in het algemeen. Of dit laatste zich voordoet, dient te worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.
Belanghebbende stelt dat zij door de wetswijziging in een structurele verliespositie terecht is gekomen. Hiervoor verwijst zij naar een door haar overgelegd deskundigenrapport, waaruit volgens haar volgt dat zij in 2007, dus vóór de wetswijziging, een gecorrigeerd procentueel bedrijfsresultaat van 11,16% heeft behaald en dat de additionele lastendruk door de wetswijziging 15,66% bedroeg. Aldus kwam zij in een verlieslatende positie, ongeacht een stijging of daling van het bruto-spelresultaat na het moment van de wetswijziging. Daar staat tegenover dat, zoals volgt uit een rapport dat is opgesteld door [bedrijf 3] van 26 november 2007, de resterende winst van de speelautomatenbranche na wetswijziging € 17 miljoen bedroeg. Aangezien belanghebbende wel in een structurele verliespositie terecht is gekomen, heeft de last van de wetswijziging zich in het geval van belanghebbende sterker laten voelen dan in het algemeen. Daar komt bij, aldus nog steeds belanghebbende, dat door de geografische ligging van de casino's en speelhallen van belanghebbende, namelijk in de regio [regio], en de omstandigheid dat het kleine speelhallen betreft, belanghebbende harder is getroffen door de wetswijziging dan grotere casino’s en speelhallen elders in het land.
De inspecteur bestrijdt dat belanghebbende door de wetswijziging in een structurele verliespositie terecht is gekomen. Hij wijst daarbij onder meer op dividenduitkeringen die door belanghebbende zijn gedaan in 2007 en 2009, op investeringen die, al dan niet door tussenkomst van groepsmaatschappijen, zijn gepleegd in de bedrijfsvoering van belanghebbende en op de verkoop in 2017 van belanghebbende aan [bedrijf 2] B.V. Daarnaast zijn de stellingen die belanghebbende poneert met betrekking tot de slechtere positie die zij heeft ten opzichte van concurrenten, zowel ten aanzien van de ligging als de omvang van de speelhallen, niet onderbouwd en daarmee niet aannemelijk gemaakt.
Het hof neemt als uitgangspunt dat de wetswijziging voor alle exploitanten van kansspelautomaten ingrijpend is geweest en heeft geleid tot een lastenverzwaring. Die lastenverzwaring is echter inherent aan een aanzienlijke belastingverhoging zoals hier aan de orde en geldt voor alle exploitanten van kansspelautomaten. Dat de wetswijziging bij belanghebbende enkele jaren tot een verlies heeft geleid, is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de heffing van kansspelbelasting zich bij belanghebbende sterker heeft doen voelen dan bij andere exploitanten van kansspelautomaten. In dat kader heeft belanghebbende erkend dat vanaf 2008 ook los van de wetswijzing sprake is van een omzetdaling. Weliswaar is belanghebbende in de jaren 2009 tot en met 2011 in een verliespositie terecht gekomen, maar dit is dus mede te wijten aan redenen die haar grond niet vinden in de wetswijziging.
Of dat het voorgaande leidt tot de gevolgtrekking dat voor belanghebbende sprake is van een structurele verliespositie kan naar het oordeel van het hof echter in het midden blijven. Waar het namelijk op aan komt is of de met de wetswijziging gepaarde last zich in belanghebbendes geval sterker heeft laten voelen dan in het algemeen. Naar het oordeel van het hof is daarvan geen sprake. Daartoe dient het volgende.
Weliswaar vermeldt het [bedrijf 3] -rapport dat de totaalwinst van de gehele speelautomatenbranch na de wetswijziging per saldo € 17 miljoen bedraagt, maar daaruit volgt niet zonder meer dat de wetswijziging zich in belanghebbendes geval ook daadwerkelijk sterker heeft laten voelen dan in het algemeen, alleen al omdat de rapportage is opgesteld vóór ingang van de wetswijziging, is gestoeld op bepaalde aannames en uitgangspunten en belanghebbende niet heeft getoetst en niet aannemelijk heeft gemaakt dat die aannames en uitgangspunten ook daadwerkelijk juist zijn gebleken in onderhavige jaren.
De stelling van belanghebbende dat zij vanwege de omvang en geografische ligging van haar casino’s en speelautomatenhallen door de wetswijzing harder is getroffen dan grotere casino’s en speelhallen en casino’s en speelhallen elders in het land is niet onderbouwd met concrete en verifieerbare gegevens. De stelling van belanghebbende is, dit lijkt belanghebbende te suggereren, evenmin een feit van algemene bekendheid. De stelling wordt ook niet aannemelijk gemaakt met de verwijzing van belanghebbende naar de resultaten van een Belgische groepsvennootschap en wordt daarom verworpen. Daarnaast vormen de door belanghebbende in 2019 gedane dividenduitkering van € 167.233 en de omstandigheid dat belanghebbende in 2017 is verkocht voor ruim € 9 miljoen contra-indicaties om aan te nemen dat de wetswijziging bij belanghebbende heeft geleid tot een individuele en buitensporige last.
Alles afwegende en in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de met de wetswijzing gepaarde last zich in belanghebbendes geval sterker heeft laten voelen dan in het algemeen. De wetswijziging heeft daarmee voor belanghebbende niet geleid tot een individuele en buitensporige last in de context van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het voorgaande brengt met zich dat de stellingen omtrent de hoogte van een eventueel te betalen schadevergoeding niet meer behandeld hoeven te worden.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5 Beslissing
Het hof:
- verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en M.H. van Schaik, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Op grond van artikel 1, lid 1, onderdeel a, (tekst vanaf 1 juli 2008).
- Op grond van artikel 1, lid 1, onderdeel a, Wet KSB in samenhang met artikel 3, lid 1, onderdeel a, Wet KSB.
- Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2025:664 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.