Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 23 september 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2605Zaaknummer 24/1778

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23 september 2026
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
24/1778
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen aanslag leges ongegrond. Geen sprake van overschrijding van de opbrengstlimiet. Voldaan aan kenbaarheidsvereiste. Aanslag tot het juiste bedrag opgelegd.

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 24/1778

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant (hierna: de rechtbank) van 31 oktober 2024, nummer SHE 23/3062, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag leges opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in Mijn Rechtspraak geplaatst.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar 1], [heffingsambtenaar 2] en [heffingsambtenaar 3].

1.7.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is in Mijn Rechtspraak geplaatst en wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in 2021 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend bij de gemeente Helmond, voor de nieuwbouw van een bedrijfsgebouw aan de [adres 1] en [adres 2], en [adres 3] in [plaats] (hierna: het project van belanghebbende).

2.2.

De heffingsambtenaar heeft voor het in behandeling nemen van de aanvraag aan belanghebbende een aanslag leges, met dagtekening 20 oktober 2021, opgelegd voor een bedrag van in totaal € 642.645,43.

2.3.

De aanslag is opgelegd overeenkomstig de Legesverordening Helmond 2021 en de daarbij behorende tarieventabel (hierna: de Verordening en de tarieventabel).

2.4.

De aanslag is gebaseerd op normkosten, die in het geval van belanghebbende € 24.077.186 bedragen. Deze normkosten zijn berekend op basis van de nieuwbouw van:- een bedrijfshal van 492.137 m³ à € 45 per m3 en - een bedrijfskantoor in de hal van 8.469 m³ à € 228 per m3. Op het totaalbedrag is een tarief toegepast van 35‰ over de eerste € 500.000 van de normkosten en 26,5‰ over de het resterende bedrag van € 23.577.186. Aanvullend is € 350 in rekening gebracht voor ‘Binnenplanse/buitenplanse kleine afwijking’.

2.5.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de normkosten en tarieven verwezen naar een overzicht Kostendekkendheid. De kostendekkendheid van het totaal van de leges is volgens dit overzicht over de jaren 2019 tot en met 2023 in procenten (%):

Kosten- dekkendheidBegrootJaarrekening
KostenOpbrengstenKosten-dekkendheidKostenOpbrengstenKosten-dekkendheid
2019€ 4.731.042€ 3.908.35582,61%€ 4.849.246€ 5.022.983103,58%
2020€ 4.582.305€ 4.088.61589,23%€ 4.542.656€ 4.231.71893,16%
2021€ 4.862.089€ 4.411.14690,73%€ 4.445.444€ 6.456.455145,31%
2022€ 4.777.463€ 4.240.18788,75%€ 5.247.714€ 6.386.054121,69%
2023€ 4.858.874€ 4.259.51687,66%€ 3.374.216€ 2.783.24682,49%
2.6.

Bij de begroting van de kostendekkendheid voor het jaar 2021 (90,73%) is het project van belanghebbende in aanmerking genomen voor 0%. Tevens zijn de volgende projecten meegenomen in de raming van die kostendekkendheid:

Raming Leges 2021Raming bouwsomKanspercentageTotaal geraamde leges
[straat 1] - [project 1]€ 0,000%€ 0,00
Herontwikkeling [project 2]€ 30.000.00070%€ 559.475
[project 3]€ 0,000%€ 0,00
[project 4]€ 18.000.00075%€ 360.937,50
[project 4]€ 7.000.00070%€ 132.825
2.7.

De rechtbank heeft, verkort weergegeven, overwogen en beslist dat geen sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet. De heffingsambtenaar heeft met het Kostenoverzicht en de jaarbegroting 2021 voldoende inzicht verschaft in de ramingen van de baten en lasten van de leges en de twijfel van belanghebbende, voor zover voldoende onderbouwd, is ongegrond. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en aan belanghebbende een vergoeding toegekend van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (€ 1.000), proceskosten (€ 218,75) en het griffierecht (€ 365).

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vragen:

i. is sprake van overschrijding van de opbrengstlimiet?

ii. is de Verordening onverbindend omdat niet is voldaan aan het kenbaarheidsvereiste?iii. is de aanslag tot het juiste bedrag opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot het onverbindend verklaren van de Verordening, tot vernietiging van de aanslag en tot toekenning van een proceskostenvergoeding en een vergoeding van immateriële schade. De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Opbrengstlimiet

4.1.

Volgens belanghebbende heeft de gemeente Helmond de totale opbrengsten over 2021 niet in redelijkheid kunnen ramen op € 4.411.146, maar hadden die tenminste € 2.601.958 hoger moeten uitvallen vanwege het project van belanghebbende zelf en de projecten herontwikkeling [project 2], [project 3] en [project 3] (zie 2.5 en 2.6 hiervoor). De geraamde opbrengsten hadden dus in totaal € 7.013.104 moeten zijn. De kostendekkendheid bedraagt dan 144,2% (€ 7.103.104 gedeeld door de begrote kosten van € 4.862.089). Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet, aldus belanghebbende.

4.2.

Het hof volgt belanghebbende hierin niet.

Wet en jurisprudentie

4.3.

In de wet is bepaald dat in verordeningen, op grond waarvan bepaalde rechten worden geheven, de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten terzake (hierna: de opbrengstlimiet).[_f3a8c67b-d506-4a8d-af04-3a74cc748dc3]

4.4.

De beoordeling van de opbrengstlimiet moet plaatsvinden op het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden.[_875905d8-474a-46d6-ba05-4442aa468872]

4.5.

Bij de beoordeling van een geschil over een mogelijke overschrijding van de opbrengstlimiet geldt een aantal regels over de stelplicht en bewijslast, zoals uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014:[_3d6cd37c-0a63-42a6-9f97-6eabd7f5b2de]

“3.3.4. Voorts kan, indien de heffingsambtenaar inzicht in de desbetreffende ramingen heeft verschaft, het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van hem worden verlangd voor zover de belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’.

3.3.5.

Aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen (…) duidelijk maakt (…) waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. De heffingsambtenaar hoeft niet te bewijzen dat die twijfel ongegrond is. De bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding rust op de belanghebbende.

3.3.6.

In het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet is pas dan plaats voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen.”

4.6.

Met inachtneming van het voorgaande overweegt het hot als volgt. Niet in geschil is dat de heffingsambtenaar het inzicht in de raming van de kosten en opbrengsten van de totale leges over het jaar 2021 heeft verschaft. Het geschil spitst zich toe of bij die raming de gemeente de opbrengsten in redelijkheid heeft kunnen bepalen op het bedrag van de raming.

Het project van belanghebbende

4.7.

De leges van het project van belanghebbende zijn geraamd op € 0 (zie 2.5 hiervoor).

4.8.

Volgens belanghebbende is dat onbegrijpelijk, omdat voorafgaand aan het vaststellen van de Verordening op detailniveau overleg heeft plaatsgevonden met de gemeente Helmond over de bouw van het bedrijfsgebouw. Tekeningen van de architect met maatvoeringen zijn gedeeld, waarbij het duidelijk was dat het niet om een klein project ging, maar om een warehouse van ruim 35.000 m2 met mezzanine, kantoren, loadingdocks en meerdere parkeerterreinen. Ook is gezocht naar een gezamenlijke oplossing voor bodemverontreiniging. De gemeente Helmond had geen noemenswaardige bezwaren tegen de bouwplannen, die vielen binnen het geldende bestemmingsplan en had een belang bij het project omdat zijzelf de grond kon verkopen. De gemeente Helmond heeft daarom ten onrechte de legesopbrengst van € 642.645,43 buiten de raming van 2021 gelaten, aldus belanghebbende.

4.9.

De heffingsambtenaar heeft dit weersproken. Volgens de heffingsambtenaar kan het bij grote projecten, zoals het project van belanghebbende, jaren duren voordat een aanvraag voor een omgevingsvergunning volgt. De gemeente Helmond moest in dit geval ook nog de grond aan belanghebbende verkopen. De koopovereenkomst is pas op 31 december 2020 door belanghebbende getekend, op 24 februari 2021 door de gemeente Helmond en de akte van levering is pas in maart 2021 bij de notaris gepasseerd, aldus de heffingsambtenaar.

4.10.

Het hof is van oordeel dat de stelling van belanghebbende, gelet op dit verweer van de heffingsambtenaar, moet worden verworpen. Vaststaat dat de gemeente Helmond de Verordening op 10 november 2020 heeft vastgesteld. Uit een e-mail van belanghebbende van 11 december 2020 aan de gemeente Helmond blijkt dat toen nog werd gesproken over de grondprijs en de saneringsvarianten. In die e-mail stelde belanghebbende voor om op maandag 14 december 2020 een overleg in te plannen zodat de koopovereenkomst kon worden gefinaliseerd. Belanghebbende heeft niet betwist dat zij de koopovereenkomst op 31 december 2020 heeft ondertekend, de gemeente Helmond op 24 februari 2021 en dat de akte van levering pas in maart 2021 bij de notaris is gepasseerd. Hieruit volgt dat de gemeente Helmond vóór de vaststelling van de Verordening nog geen zekerheid had over het project van belanghebbende. Daarbij komt dat belanghebbende niet heeft betwist dat het bij grote projecten, zoals haar eigen project, lang kan duren voordat een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend. De gemeente Helmond heeft dan ook de leges voor het project van belanghebbende van € 642.645,43 buiten de raming van 2021 kunnen laten.

Herontwikkeling [project 2], [project 3] en [project 3]

4.11.

De leges van de projecten Herontwikkeling [project 2], [project 3] en [project 3] zijn door de gemeente Helmond geraamd op in totaal € 1.053.238 (zie 2.5 hiervoor).

4.12.

Volgens belanghebbende heeft de gemeente Helmond in elk geval de volgende bedragen ten onrechte buiten de raming van de leges over 2021 gelaten: - € 1.782.075 wegens de bouw van 900 woningen; en

- € 177.238 op grond van de kanspercentages van het project [project 3].

4.13.

Met betrekking tot de bouw van 900 woningen heeft belanghebbende gewezen op een subsidie die door de gemeente Helmond was aangevraagd. Deze subsidie van € 8.500.000 is al vóór 30 september 2020 aan de gemeente Helmond toegekend op basis van een ‘binnen afzienbare tijd op te starten bouwproject’. Hiermee moeten bouwkosten van tenminste € 88.200.000 zijn gemoeid, te weten 900 woningen x € 98.000 aan bouwkosten (volgens het CBS de laagste gemiddelde bouwkosten in 2021). Dit is tenminste € 2.341.550 aan leges. De gemeente Helmond heeft slechts rekening gehouden met € 21.000.000 aan bouwkosten en € 559.475 aan leges. Er is dus ten onrechte een bedrag van € 1.782.075 buiten de raming van 2021 gelaten (€ 2.341.550 - € 559.475). Ook zijn de kanspercentages van het project [project 3] ten onrechte op 75% en 70% gesteld, terwijl dit project in maart 2020 al publiekelijk was aangekondigd. Daarom had van 90 tot 100% moeten worden uitgegaan en dan zou de legesopbrengst nog eens € 177.238 hoger zijn geweest. Daarbij komt nog dat de gemeente Helmond geen rekening heeft gehouden met een relatief groot project dat pas na het vaststellen van de Verordening in beeld zou komen, aldus belanghebbende.

4.14.

Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar ten aanzien van deze beide projecten gemotiveerd heeft toegelicht dat geen (verdere) legesinkomsten in 2021 te verwachten waren en deze projecten daarom ook niet voor hogere opbrengsten in de raming voor 2021 hoefden te worden opgenomen. Met betrekking tot de subsidie geldt dat deze is toegekend voor de gefaseerde realisatie van 900 woningen in een periode van 10 jaar, van 2020 tot en met 2030. Dit volgt uit de door de heffingsambtenaar in het geding gebrachte beschikking van het Rijk met dagtekening 10 september 2020 aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond. Om die woningen gefaseerd te bouwen moest het betreffende gebied worden ontwikkeld. De infrastructuur moest worden versterkt, er zou een nieuwe brug worden gebouwd en als gevolg van de coronacrisis werd de herijking van het centrumperspectief uitgesteld, zoals blijkt uit de brief van de burgemeester en wethouders van Helmond van 1 juli 2020 aan de gemeenteraad.

Volgens de heffingsambtenaar is pas in oktober 2024 een vergunningaanvraag ingediend voor een deel van het project [project 3] en is voor het overige deel nog geen vergunning aangevraagd. Medio 2025 bevonden de projecten herontwikkeling [project 2] en [project 3] zich in de fase van voorbereiding en conceptverzoeken. Voor [project 3] geldt dat het project mogelijk pas in 2026 start omdat het nog niet is vergund en eerst sanering moet plaatsvinden. Op basis hiervan zijn de bouwkosten voor de projecten Herontwikkeling [project 2], [project 3] en [project 3] in de raming van de leges 2021 opgenomen voor in totaal € 55.000.000 (zie 2.6 hiervoor). Daarnaast is voor het project herontwikkeling Postkantoor, dat ook deel uitmaakt van de 900 woningen, nog € 8.000.000 aan bouwkosten opgenomen. Daarmee komt het totaal uit op € 63.000.000 aan bouwkosten en € 1.226.237 aan geraamde leges voor 2021, in plaats van het door belanghebbende genoemde bedrag van € 1.053.238 (zie 4.11 hiervoor). Deze toelichting wordt ondersteund door het overzicht ‘Raming Leges 2021’ met aanvragen voor grote projecten, dat de heffingsambtenaar in het geding heeft gebracht.

4.15.

Uit het voorgaande volgt dat het hof de heffingsambtenaar volgt in zijn standpunt dat de opbrengsten van de leges over 2021 in redelijkheid zijn geraamd op in totaal € 4.411.146. De stelling van belanghebbende dat ten onrechte bedragen buiten de raming zijn gelaten, wordt verworpen. Belanghebbende heeft er nog op gewezen dat de verordeningen 2023 en 2024 lagere tarieven kennen bij bouwkosten boven € 5 .000.000. Dit baat haar niet, omdat in deze procedure alleen de raming op grond van de Verordening 2021 voorligt. Daarbij komt dat een gemeente een zekere voorzichtigheid in acht mag nemen bij de raming,[_6fa219df-0d55-449a-ac73-b9a732ccda8e] zoals in dit geval is gebeurd. Volgens de heffingsambtenaar betrof het immers omvangrijke bouwprojecten waarbij het onzeker was of de omgevingsvergunningen daadwerkelijk in 2021 zouden worden aangevraagd.

Bruto eenheid (per m3)

4.16.

Volgens belanghebbende is de Verordening onverbindend omdat niet aan het kenbaarheidsvereiste is voldaan. In de Verordening is, in strijd met de artikelen 139 en 217 Gemeentewet, geen definitie gegeven van het begrip ‘bruto m3’. In de praktijk worden verschillende definities gehanteerd, bijvoorbeeld de NEN-norm 2580 en de International Property Measurement Standards. Daarin wordt verschillend omgegaan met gevel-/wanddikte en wordt verschillend gekeken naar externe ruimten. Voor het project van belanghebbende leidt het ontbreken van een definitie ertoe dat onduidelijk is hoe bepaalde onderdelen moeten worden meegerekend in bruto m3 van het warehouse of de kantoren, in hoeverre loadingdocks daartoe worden gerekend en hoe wordt omgegaan met een relatief kleine technische ruimten en sprinklertank, aldus belanghebbende.

4.17.

Het hof volgt belanghebbende hierin niet.

4.18.

In artikel 217 Gemeentewet is bepaald dat een belastingverordening, in de daartoe leidende gevallen, de heffingsmaatstaf vermeldt.[_1e886da6-7fe2-4045-8c04-0f875b70a8b0] Daar is in dit geval aan voldaan.

4.19.

In het overzicht behorend bij de tarieventabel is bepaald:

‘De prijzen gelden per bruto eenheid zoals vermeld eenheid (…)

per m3’

4.20.

Daarnaast staat in artikel 5, lid 3, van de Verordening dat voor de berekening van de leges een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt.

4.21.

Het hof is van oordeel dat deze maatstaf (bruto m3) objectief is en in voldoende mate in relatie staat tot het belastbare feit. Dat dit tot een dubbele, althans onredelijke en willekeurige heffing leidt en wordt uitgegaan van te hoge bouwkosten is niet gebleken. De door belanghebbende genoemde jurisprudentie over het kenbaarheidsvereiste, die onder andere gaat over legesverordeningen waarin wordt verwezen naar NEN-normen zoals NEN 2580, maakt dat in dit geval niet anders.

De hoogte van de aanslag

4.22.

Volgens belanghebbende leidt de systematiek in de tarieventabel tot een dubbele heffing. Zij verwijst ter onderbouwing hiervan naar een ‘Overzicht van bouwkosten ten behoeve van berekeningen voor de bouwleges-toets van het Regionaal Overleg Eindhoven Bouwtoezicht, vastgesteld in het overleg van 15 september 2020’ (hierna: de ROEB-lijst).

4.23.

De ROEB-lijst noemt bouwkosten voor een geheel pand, waarbij de bouwkosten van standaard kantoorruimte al zijn inbegrepen en alleen voor een extra kantoorvloer in de hal een opslag geldt. De tarieventabel sluit daar grotendeels op aan, maar hanteert naast een bedrag voor een extra kantoorvloer in de hal nog eens € 228 per m³ voor een bedrijfskantoor in de hal (zie 2.4 hiervoor). Volgens belanghebbende leidt dit tot een onredelijke en willekeurige heffing.

4.24.

Dit betoog baat belanghebbende niet. De heffingsambtenaar heeft terecht naar voren gebracht dat de gemeente Helmond, met het vaststellen van de tarievenlijst, invulling heeft gegeven aan haar bevoegdheid om heffingsmaatstaven in de Verordening op te nemen. De vergelijking met de ROEB-lijst, waarin tarieven staan die andere gemeenten hanteren, baat belanghebbende daarom niet. De heffingsambtenaar hoeft, anders dan belanghebbende betoogt, dan ook niet uit te gaan van de in de ROEB-lijst genoemde tarieven.

4.25.

De heffingsambtenaar heeft eerst de kubieke inhoud van de gehele bedrijfshal berekend, te weten 492.137 m³ à € 45 per m3 (zie 2.4 hiervoor) Voor de kantoorruimte in de bedrijfshal van 8.469 m³ is vervolgens een afzonderlijk normbedrag toegepast van € 228 per m³. Dit betekent dat het normbedrag voor de kantoorruimte in de bedrijfshal in totaal € 273 bedraagt (te weten € 45 + € 228, zie 2.4 hiervoor). Als die kantoorruimte niet in de hal was gerealiseerd maar was aangebouwd bij de bedrijfshal, dan zou het toepasselijke normbedrag op grond van de tarieventabel € 281 per m³ zijn geweest. Als de kantoorruimte vrijstaand bij de bedrijfshal zou zijn gebouwd, dan zou het normbedrag € 323 per m3 zijn geweest. Deze normbedragen zijn hoger dan het normbedrag voor een kantoorruimte in een bedrijfshal. Van een dubbele, onredelijke of willekeurige heffing is dan ook geen sprake. Ook overigens is hiervan niet gebleken.

4.26.

Belanghebbende wijst er tot slot op dat uiteindelijk alleen kantoor ‘A’ is gebouwd en dat de kantoren ‘B en C’ bedrijfsruimte zijn geworden, als gevolg waarvan de aanslag lager moet zijn. Belanghebbende kan ook hierin niet worden gevolgd. De heffingsambtenaar heeft er terecht op gewezen dat in de tarieventabel is bepaald dat aanspraak bestaat op teruggaaf van een deel van de leges, mits de aanvraag daarvoor is ingediend binnen drie jaren na verlening van de vergunning. Aan dat vereiste is niet voldaan.

Tussenconclusie

4.27.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.28.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.29.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;
  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, voorzitter, T.A. Gladpootjes en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van F. Marcolina, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

F. Marcolina M.E. Smorenburg

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. Artikel 229b, lid 1, Gemeentewet.
  2. Hoge Raad 13 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:282 onder 2.4.
  3. Hoge Raad 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:938, onder 3.3.
  4. Hoge Raad 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:780.
  5. Artikel 139 Gemeentewet is vervallen per 1 juli 2021.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.