Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2303Zaaknummer 24/633
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/633
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WOZ-zaak. Hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de gevraagde recente machtiging niet is overgelegd.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
B.B. Gedik M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/633
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 10 april 2024, nummer BRE 21/3599 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de onroerende zaak) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar en gebruiker niet-woning en de aanslag rioolheffing eigenaar niet-woning voor het jaar 2021 bekendgemaakt (hierna: de aanslagen).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
[gemachtigde] (verbonden aan [bedrijf 1]; hierna: [gemachtigde]) heeft op naam van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
[gemachtigde] heeft nadere stukken ingediend, die in Mijn Rechtspraak zijn gedeeld met de heffingsambtenaar.
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de onroerende zaak. Het betreft een complex met een hotel, restaurant, recreatieruimte, een privéwoning en twee (recreatie)woningen.
De waarde van de onroerende zaak is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 bij WOZ-beschikking vastgesteld op € 1.178.000 (eigenaar niet-woning) en € 839.000 (gebruiker niet-woning). Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de bij de WOZ-beschikking vastgestelde waarden gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met afgerond dertien maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 150, te betalen door de minister.
De rechtbank heeft de minister veroordeeld tot betaling van € 218,75 aan proceskosten aan belanghebbende. Bij de berekening van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van een zaak met wegingsfactor 0,25.
[gemachtigde] heeft op 21 mei 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Als bijlage bij het hogerberoepschrift is een machtiging van belanghebbende verstrekt die is ondertekend op 2 april 2021 en waarbij aan de gesteld gemachtigde een volmacht wordt verleend “om hem of haar te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”. In de machtiging staat verder, voor zover van belang, het volgende:
“Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
- Het indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger) beroep of cassatie en het nemen van besluiten in deze procedures
- Het indienen van een verzoek tot het uitkeren van proceskostenvergoeding aan [bedrijf 1] B.V.
- Het bijwonen van uw (hoor-)zitting en daarbij namens u het woord voeren
- Het in gebreke stellen van bestuursorganen en de eventuele dwangsom verbeuren
- Het in ontvangst nemen van besluiten, die in het kader van de procedure kunnen worden genomen
- Het indienen van een verzoek tot controle van eerder opgelegde WOZ-beschikkingen en daarmee samenhangende lokale heffingen
- Al datgene te doen wat gevolmachtigde nuttig of noodzakelijk acht voor volmachtgever
Dit alles met het recht van substitutie, wat wil zeggen dat onder meer samenwerkingspartners van [bedrijf 1] B.V. ook namens volmachtgever op mogen treden.”
Het hof heeft [gemachtigde] bij bericht van 30 oktober 2024 verzocht om uiterlijk 27 november 2024 een volmacht te overleggen die niet ouder is dan 6 maanden voorafgaand aan het instellen van het hoger beroep (hierna: een recente machtiging). In het bericht staat dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd.
[naam 1] van [bedrijf 1] heeft bij brief van 1 november 2024 gereageerd op het verzoek van het hof en laten weten dat zij niet tegemoet zal komen aan het verzoek tot het overleggen van een recente machtiging, omdat de eerder door haar overlegde machtiging volstaat en het hof niet concreet maakt waarom een recente machtiging wordt verlangd.
Op 5 december 2024 heeft het hof [gemachtigde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 31 januari 2025 een recente machtiging in te dienen. Ook daarbij is [gemachtigde] erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd.
Bij bericht van 19 december 2024 heeft [naam 1] van [bedrijf 1] geschreven dat zij bij het standpunt blijft dat de reeds overgelegde volmacht volstaat. Als bijlage bij deze brief is een schermprint gevoegd met een e-mail van 21 mei 2024 van [bedrijf 2] naar [email adres], waaruit volgens haar blijkt dat belanghebbende op de hoogte is gebracht van de hoger beroepsprocedure.
Bij bericht van 21 januari 2025 heeft het hof op hierop geantwoord dat is geconstateerd dat, ondanks het expliciete verzoek daartoe, geen recente machtiging is overgelegd.
Bij ongedateerde brief, in Mijn Rechtspraak geplaatst op 30 januari 2025, heeft [naam 2] van [bedrijf 2] namens [bedrijf 1] gereageerd op het in 2.9 genoemde bericht van het hof. Uit deze brief volgt dat [bedrijf 1] bij haar standpunt blijft dat de reeds overgelegde volmacht volstaat. Ter onderbouwing van dit standpunt zijn als bijlage schermprints overgelegd met daarop een overzicht van de aan het e-mailadres [email adres] gezonden berichten in een procedure over de WOZ-beschikking voor het belastingjaar 2021.
Bij bericht van 18 mei 2026 heeft het hof [gemachtigde] nogmaals de gelegenheid gegeven een recente machtiging over te leggen. Het bericht luidt als volgt:
“Het hof vraagt uw aandacht voor het volgende. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 17 april 2026 verzoekt het hof u om uiterlijk op 26 mei 2026 een op uw naam gestelde machtiging in te dienen. Deze machtiging mag niet ouder zijn dan 6 maanden gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift. Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.”
Bij bericht van 27 mei 2026 heeft het hof [gemachtigde] in de gelegenheid gesteld het in 2.11 genoemde verzuim uiterlijk 10 juni 2026 te herstellen. Ook is hier nogmaals gewezen op het feit dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als van deze mogelijkheid geen gebruik werd gemaakt.
De gevraagde recente machtiging is niet overgelegd.
3 Beoordeling ontvankelijkheid
Het hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.
Bij beoordeling gaat het hof uit van het volgende. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Zo mag de bestuursrechter vragen om een recente machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan.De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging van de volmachtgever vraagt. Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb geldt wat hiervoor is overwogen ook in hoger beroep.[_f9c5fcaf-d519-46cd-935b-5a55ef7c0dc1]
Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde] viermaal om een recente machtiging gevraagd en erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn wordt aangeleverd. Het hof constateert dat [gemachtigde] vanaf de eerste keer dat het hof op het geconstateerde verzuim heeft gewezen (op 30 oktober 2024; zie 2.5) ruim 1 jaar en 7 maanden (tot en met 10 juni 2026; zie 2.12) de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen. [gemachtigde] heeft het verzuim niet hersteld. De door [bedrijf 1] overgelegde e-mail van 21 mei 2024 van [email adres bedrijf 2] aan [email adres] (zie 2.8) en het overzicht van de door [email adres bedrijf 2] naar [email adres] gestuurde e-mails (zie 2.10) leiden niet tot een ander oordeel. Reden voor het hof om aan te nemen dat er omstandigheden zijn die dit verschoonbaar maken zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
B.B. Gedik M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2515 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.