Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026

ECLI:NL:GHSHE:2026:2301Zaaknummer 24/328 tot en met 24/348

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26 augustus 2026
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
24/328 tot en met 24/348
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WOZ niet-woningen Belanghebbende is eigenaar van 21 onroerende zaken, waarvan 20 winkelruimtes zijn gelegen in hetzelfde winkelcentrum. De waarde van de onroerende zaken is vastgesteld door middel van de huurwaardekapitalisatiemethode. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar voor 12 winkelruimtes de waarden niet aannemelijk heeft gemaakt en stelt deze in goede justitie vast. Verder is het hof van oordeel dat de rechtbank de proceskostenvergoeding te laag heeft vastgesteld.

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20 en de proceskosten in beroep vanwege verleende rechtsbijstand;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20;
  • wijzigt de WOZ-beschikkingen zoals vermeld in r.o. 4.15;
  • vermindert de aanslag OZB evenredig;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten voor verleende rechtsbijstand van het geding bij de rechtbank van € 3.736;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 5.486;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Ontstaan en loop van het geding
  2. 2 Feiten
  3. 3 Geschil en conclusies van partijen
  4. 4 Gronden
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/328 tot en met 24/348

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] BV,

gevestigd in [vestigingsplaats],

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg (hierna: de rechtbank) van 22 januari 2024, nummers ROE 23/53 tot en met 23/68 en 23/349 tot en met 23/353, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) beschikkingen gegeven (hierna: de WOZbeschikkingen) en daarbij de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 01, 02, 04, 07, 09, 10, 12, 14, 17, 19, 25, [adres 1] 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18, [adres 1] 6C 05, 12, 20 en [adres 1] 14 in [plaats] (hierna: de onroerende zaken) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en de bezwaren deels gegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2025 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde], als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de heffingsambtenaar, [heffingsambtenaar].

1.7.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Het hof heeft na de zitting het onderzoek heropend en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben aan dit verzoek voldaan.

1.9.

Het hof heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de in totaal eenentwintig onroerende zaken. Twintig winkelruimtes zijn gelegen in het winkelcentrum ‘ [winkelcentrum] ’ in de [adres 1] in [plaats] en één winkelruimte ( [adres 1] 14) is gelegen buiten dit winkelcentrum. De twintig winkelruimtes in [winkelcentrum] zijn verdeeld over drie verdiepingen. De verschillende niveaus zijn bereikbaar door trappen, roltrappen en een lift. [winkelcentrum] is bereikbaar via de [adres 1] en de [adres 2]. Vanaf de [adres 1] is niveau 0 het straatniveau en vanaf de [adres 2] is niveau 1 het straatniveau. Alle onroerende zaken gelegen op niveau 0 hebben de toevoeging A aan het huisnummer, niveau 1 de toevoeging B en niveau 2 de toevoeging C. Sommige onroerende zaken zijn gelegen op meerdere niveaus (zie overzicht 2.3).

2.2.

Op 12 augustus 2021 heeft [bedrijf 1] BV de aandelen in [bedrijf 2] BV (thans: [belanghebbende] BV) gekocht van [bedrijf 3] BV. Op 31 december 2021 heeft [bedrijf 1] BV alle aandelen doorverkocht aan [bedrijf 4] BV.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft bij de WOZ-beschikkingen van 30 april 2022 de waarden van de onroerende zaken per waardepeildatum 1 januari 2021 (hierna: waardepeildatum) bepaald. Bij uitspraak op bezwaar zijn van een aantal onroerende zaken de waarden verminderd en bij uitspraak van de rechtbank zijn van een aantal onroerende zaken de waarden (verder) verminderd. In onderstaand overzicht is het verloop van de waarden opgenomen, waarbij de dikgedrukte bedragen verminderingen betreffen.

Zaaknr.Huisnr.NiveauWOZ-beschikkingUitspraak op bezwaarUitspraak rechtbank
24/3286A 010€ 788.000€ 250.000€ 250.000
24/3296A 020€ 5.857.000€ 4.301.000€ 4.301.000
24/3306A 040€ 3.630.000€ 3.115.000€ 3.115.000
24/3316A 070€ 2.954.000€ 850.000€ 805.000
24/3326A 090€ 3.249.000€ 1.350.000€ 1.350.000
24/3336A 100, 1, 2€ 12.579.000€ 12.579.000€ 12.579.000
24/3346A 120€ 870.000€ 375.000€ 375.000
24/3356A 140€ 2.531.000€ 1.682.000€ 1.615.000
24/3366A 170€ 1.808.000€ 1.808.000€ 1.808.000
24/3376A 190€ 1.241.000€ 1.241.000€ 1.241.000
24/3386A 250€ 4.429.000€ 2.520.000€ 2.520.000
24/3396B 011€ 5.791.000€ 5.791.000€ 5.791.000
24/3406B 041€ 1.808.000€ 850.000€ 797.000
24/3416B 141€ 980.000€ 980.000€ 891.000
24/3426B 151€ 946.000€ 946.000€ 495.000
24/3436B 161€ 1.197.000€ 950.000€ 514.000
24/3446C 052€ 698.000€ 698.000€ 698.000
24/3456C 201, 2€ 2.605.000€ 2.605.000€ 2.605.000
24/3466C 122€ 719.000€ 719.000€ 719.000
24/3476B 181€ 1.968.000€ 1.968.000€ 900.000
24/34814elders€ 621.000€ 621.000€ 528.000
2.4.

Ter onderbouwing van de WOZ-waarden heeft de heffingsambtenaar taxatierapporten overgelegd. De taxateurs hebben de waarden in de taxatierapporten als volgt bepaald:

Zaaknr.Huisnr.Niveaum2Gerealiseerde huursomHuurwaardeKap. factorWaardeHuurwaarde per m2
24/3286A 01068€ 18.000€ 17.95214€ 251.328€ 264,00
24/3296A 0201.324€ 308.100€ 307.38614€ 4.303.404€ 232,16
24/3306A 040947€ -€ 236.75013,5€ 3.196.125€ 250,00
24/3316A 070385€ 60.000€ 59.67513,5€ 805.613€ 155,00
24/3326A 090394€ -€ 104.41013,5€ 1.409.535€ 265,00
24/3336A 100, 1, 22.943€ 1.086.748€ 1.083.45013,5€ 14.626.575€ 368,14
24/3346A 12094€ 65.000€ 27.73013,5€ 374.355€ 295,00
24/3356A 140340€ 120.000€ 119.68013,5€ 1.615.680€ 352,00
24/3366A 170306€ 120.000€ 119.95213,5€ 1.619.352€ 392,00
24/3376A 190325€ 95.000€ 94.90013,5€ 1.281.150€ 292,00
24/3386A 250703€ 180.000€ 180.07714€ 2.521.078€ 256,16
24/3396B 011817€ 52.909€ 224.67513€ 2.920.775€ 275,00
24/3406B 041186€ 13.950€ 60.45013,2€ 797.940€ 325,00
24/3416B 141125€ 73.420€ 46.87513,2€ 618.750€ 375,00
24/3426B 151100€ -€ 37.50013,2€ 495.000€ 375,00
24/3436B 161104€ -€ 39.00013,2€ 514.800€ 375,00
24/3446C 052186€ -€ 60.45013€ 785.850€ 325,00
24/3456C 201, 21.107€ -€ 265.68013€ 3.453.840€ 240,00
24/3466C 122208€ -€ 67.60013€ 878.800€ 325,00
24/3476B 181210€ 36.000€ 68.25013,2€ 900.900€ 325,00
24/34814elders180€ -€ 37.73614€ 528.304€ 209,64

De onroerende zaken [adres 1] 6A 04, 09, 12, 6B 15, 16, 6C 05, 12, 20 en [adres 1] 14 staan leeg. De onroerende zaken [adres 1] 6B 04 en 6B 18 zijn in het kader van anti-leegstand verhuurd.

De taxateurs hebben in alle taxatierapporten gebruik gemaakt van onderstaande huur- en verkooptransacties:

VergelijkingspandIngangsdatum huurHuurprijsHuurwaarde per m2
[adres 1] 6A 251 januari 2021€ 180.000€ 256,05
[adres 1] 6A 011 juli 2021€ 18.000€ 264,71
[adres 1] 6A 141 oktober 2021€ 120.000€ 352,94
[adres 1] 6A 071 oktober 2021€ 60.000€ 155,84
VergelijkingspandVerkoopdatumVerkoopprijsKapitalisatiefactor
[adres 1] 1222 september 2022€ 665.00014,1
[adres 1] 1022 september 2022€ 525.00014,6
[adres 3] 32A24 september 2021€ 5.380.00019,2
[adres 1] 253 februari 2020€ 2.827.28115,5
2.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarden van een aantal onroerende zaken verminderd (zie overzicht 2.3). De heffingsambtenaar heeft een kostenvergoeding in bezwaar toegekend van € 538.

2.6.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de waarden van een aantal onroerende zaken per de waardepeildatum verminderd (zie overzicht 2.3). De rechtbank heeft de heffingsambtenaar ook veroordeeld in de proceskosten wegens deskundigenkosten voor de taxatie tot een bedrag van € 1.904, exclusief BTW (waarvan in bezwaar € 1.360 en in beroep € 544) en wegens kadastrale kosten tot een bedrag van € 7. Verder heeft de rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld in een vergoeding voor de proceskosten in beroep van € 1.750.[_a8e09060-1b49-487a-bf60-1bf948f913e4] Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365 moeten vergoeden.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Zijn de WOZ-waarden van de onroerende zaken op de waardepeildatum te hoog vastgesteld?

II. Is de door de rechtbank gehanteerde wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding juist?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vermindering van de WOZ-waarden, vermindering van de aanslagen OZB en een hogere proceskostenvergoeding in beroep. De heffingsambtenaar concludeert tot vermindering van de WOZ-waarden voor vier onroerende zaken en voor de overige onroerende zaken tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de waarden van de onroerende zaken die partijen voorstaan, waarbij de dikgedrukte bedragen verminderingen zijn van de eerder vastgestelde waarden.

Zaaknr.Huisnr.NiveauUitspraak rechtbankHeffingsambt. verdedigt (taxatierap.)Belanghebbende verdedigt (taxatiekaart)
24/3286A 010€ 250.000€ 251.000€ 133.000
24/3296A 020€ 4.301.000€ 4.303.000€ 2.752.000
24/3306A 040€ 3.115.000€ 3.196.000€ 2.560.000
24/3316A 070€ 805.000€ 805.000€ 818.000
24/3326A 090€ 1.350.000€ 1.409.000€ 899.000
24/3336A 100, 1, 2€ 12.579.000€ 14.626.000€ 4.235.000
24/3346A 120€ 375.000€ 374.000€ 212.000
24/3356A 140€ 1.615.000€ 1.615.000€ 724.000
24/3366A 170€ 1.808.000€ 1.619.000€ 662.000
24/3376A 190€ 1.241.000€ 1.281.000€ 708.000
24/3386A 250€ 2.520.000€ 2.521.000€ 1.480.000
24/3396B 011€ 5.791.000€ 2.920.000€ 1.174.000
24/3406B 041€ 797.000€ 797.000€ 90.000
24/3416B 141€ 891.000€ 618.000€ 162.000
24/3426B 151€ 495.000€ 495.000€ 133.000
24/3436B 161€ 514.000€ 514.000€ 140.000
24/3446C 052€ 698.000€ 785.000€ 104.000
24/3456C 201, 2€ 2.605.000€ 3.453.000€ 667.000
24/3466C 122€ 719.000€ 878.000€ 163.000
24/3476B 181€ 900.000€ 900.000€ 294.000
24/34814elders€ 528.000€ 528.000€ 428.000
3.3.

Belanghebbende stelt dat de onroerende zaak [adres 1] 6A 07 (zaaknummer 24/331) gewaardeerd moet worden op € 818.000. Dit is hoger dan de door de rechtbank vastgestelde WOZ-waarde van € 805.000. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat de WOZ-waarde van [adres 1] 6A 07 niet meer in geschil is. Het hof volgt belanghebbende hierin.

4 Gronden

Vooraf

Oppervlakte [adres 1] 6C 12 en [adres 1] 14

4.0.

Belanghebbende gaat uit van een oppervlakte voor [adres 1] 6C 12 van 277 m2, terwijl de heffingsambtenaar uit gaat van een oppervlakte van 208 m2. Voor [adres 1] 14 gaat belanghebbende uit van een oppervlakte van 160 m2 en de heffingsambtenaar van 180 m2. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat zij de oppervlakten uit de huurovereenkomsten heeft overgenomen. De heffingsambtenaar heeft verklaard dat hij niet over de huurovereenkomsten beschikt en dat hij uit gaat van de gehanteerde oppervlakte zoals opgenomen in de openbare registers. Het hof is van oordeel dat belanghebbende de door de heffingsambtenaar gehanteerde oppervlakten onvoldoende gemotiveerd heeft bestreden.

Ten aanzien van het geschil

I. WOZ-waarden

4.1.

De waarde van de onroerende zaak is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die de hoogst biedende koper onder de beste omstandigheden wil betalen voor de onroerende zaak. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Het hof zal beoordelen of dat het geval is en betrekt daarbij ook wat belanghebbende heeft aangevoerd.

4.2.

De hiervoor bedoelde waarde voor niet-woningen wordt bepaald door middel van kapitalisatie van de bruto huur, door middel van een methode van systematische vergelijking met niet-woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn, dan wel door middel van een discounted-cash-flow methode.[_4980242d-72de-4dfa-b207-7c20ca5772a2] Partijen gaan uit van de huurwaardekapitalisatiemethode en het hof zal partijen daarin volgen.

Eigen koopcijfer

4.3.

Belanghebbende stelt dat het totaal van de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van € 43.897.000 voor de onroerende zaken niet in verhouding staat tot de door [bedrijf 1] BV betaalde koopsom voor de aandelen in belanghebbende, waarbij is uitgegaan van een waarde van de onroerende zaken van € 21.500.000. Volgens belanghebbende zijn de aandelen in belanghebbende voor hetzelfde bedrag geleverd aan [bedrijf 4] BV op 31 december 2021. De voorafgaande transactie met [bedrijf 3] BV is geen familietransactie. Dat de verkoopprijs relatief laag was, heeft te maken met de verwachting dat de winkelformule [naam winkel] zou gaan vertrekken uit het winkelcentrum [winkelcentrum], aldus belanghebbende.

4.4.

De heffingsambtenaar voert aan dat de transactie tot stand is gekomen voor de gezamenlijke aankoop van meerdere WOZ-objecten waarvan een deel verhuurd is. De waardering voor de Wet WOZ vindt plaats per afzonderlijk WOZ-object. Volgens de heffingsambtenaar is de koop van het onroerend goed niet op de vrije markt tot stand gekomen.

4.5.

Onweersproken is en moet worden vastgesteld dat het hier gaat om afzonderlijke objecten voor de Wet WOZ. Dat betekent dat de som van de afzonderlijke gedeelten hoger uit kan komen dan de koopsom voor het geheel aan onroerende zaken. De koopsom voor het totaal kan een indicatie vormen voor de afzonderlijke WOZ-objecten, maar dat hoeft niet. Het hof zal dan ook de waarden van de afzonderlijke WOZ-objecten beoordelen.

Huurwaarde

4.6.

De heffingsambtenaar verwijst voor de onderbouwing van de waarden van de ontroerende zaken naar de taxatierapporten (zie 2.4). In de meeste gevallen hebben de taxateurs de gebruikte huurwaarde gebaseerd op de gerealiseerde huursom, mits deze beschikbaar was voor de betreffende onroerende zaak. Daarnaast hebben de taxateurs de huurwaarde onderbouwd met op de rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties (zie 2.4).

4.7.

Belanghebbende stelt dat is uitgegaan van een te hoge vierkante meterprijs en dat het onjuist is om de werkelijke huurprijs te gebruiken. Daarnaast stelt belanghebbende dat het gemiddelde van de huurwaarde van de rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties € 257,39 per vierkante meter bedraagt. Belanghebbende stelt dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarde voor de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping te hoog is. Volgens belanghebbende zijn de onroerende zaken op de tweede verdieping sinds de bouw in 2005 niet verhuurd.

Volgens belanghebbende is voorts van belang dat de vestiging van [naam winkel] (gevestigd in 6A 10) vertrekt uit het winkelcentrum en dat deze vestiging fungeert als een publiekstrekker voor heel het winkelcentrum. [naam winkel] beraadde zich al in 2022 over vertrek uit het winkelcentrum [winkelcentrum]. Dit heeft volgens belanghebbende zowel invloed op de huurwaarde van de betreffende onroerende zaak als op de huurwaarde van de andere onroerende zaken.

Daarnaast is met de huurder van 6A 19 op 1 november 2020 een omzetafhankelijke huur overeengekomen. Volgens belanghebbende betrof de huur in 2022 ongeveer € 30.000, dat op een huurwaarde per vierkante meter uit komt van € 92,30.

4.8.

Bij de beoordeling van de stelling van belanghebbende dat voor de huurwaarde is uitgegaan van een te hoge vierkante meterprijs, stelt het hof het volgende voorop. De eigen huurprijs kan gebruikt worden als het een representatief marktgegeven betreft. Indien de eigen huurprijs ver afwijkt van de op basis van marktonderzoek bepaalde markthuurwaarde, dan is de eigen huurprijs ongeschikt voor bepaling van de te hanteren huurwaarde. In de situatie van belanghebbende liggen de huurwaarden van rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties tussen € 155,84 en € 352,94 (zie 2.4). De door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarden van de onroerende zaken op niveau 0 vallen allemaal binnen die range, behalve de onroerende zaken met de nummers 6A 10 en 6A 17. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van het hof met de uit de huurtransacties herleide huurwaarden de gehanteerde huurwaarden voor de onroerende zaken op niveau 0 aannemelijk gemaakt. Dit is anders voor de onroerende zaken met de nummers 6A 10 en 6A 17.

De onroerende zaak 6A 10 betreft de vestiging van [naam winkel], dit is een winkelruimte over alle drie de verdiepingen. De huurovereenkomst is aangegaan op 29 november 2013. Het is een grote ruimte en daar kent de heffingsambtenaar een hoge huurwaarde per vierkante meter aan toe. Daarnaast is geen differentiatie aangebracht voor op welke verdieping de winkelruimte ligt. De door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarde is hoger dan de hoogste huurwaarde van de rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties. Het hof is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar niet geslaagd is in het aannemelijk maken van de huurwaarde voor de onroerende zaak 6A 10. Daarbij merkt het hof op dat voor onderhavig jaar niet meespeelt dat mogelijk [naam winkel] de onroerende zaak zou gaan verlaten, want dit is pas in 2025 gebeurd. Dat is te ver van de waardepeildatum verwijderd en ten tijde van de waardepeildatum was van een mogelijk vertrek nog geen sprake.

De onroerende zaak 6A 17 betreft een winkelruimte op niveau 0. De huurovereenkomst is aangegaan op 1 september 2017. Deze datum ligt enkele jaren af van de waardepeildatum. De door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarde van € 392 is hoger dan de hoogste huurwaarde van de rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties, namelijk € 352. Het hof is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar uit is gegaan van een huurwaarde die te hoog is voor de onroerende zaak 6A 17.

Voor wat betreft het huurcijfer van de onroerende zaak 6A 19 merkt het hof op dat in die situatie een omzetafhankelijke huur is overeengekomen op 1 november 2020. De heffingsambtenaar mag in die situatie aansluiten bij de gerealiseerde huurtransacties van rond de waardepeildatum. De heffingsambtenaar is in dit geval dan ook niet uitgegaan van een te hoge huurwaarde.

De heffingsambtenaar hanteert voor de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping een huurwaarde van € 240 (6C 20), € 275 (6B 01), € 325 (6B 04, 18, 6C 05, 12) of € 375 (6B 14, 15, 16) per vierkante meter. De heffingsambtenaar heeft ter zitting de stelling ingenomen dat de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping een kleinere oppervlakte hebben dan de onroerende zaken op niveau 0. Daardoor zouden de huurwaarden voor die verdiepingen hoger zijn. Daarnaast stelt de heffingsambtenaar dat de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping goed toegankelijk zijn door middel van trapopgangen, roltrappen en een lift. De door de heffingsambtenaar gehanteerde huurwaarden voor de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping is in de meeste gevallen beduidend hoger dan de gemiddelde huurwaarde van de rond de waardepeildatum gerealiseerde huurtransacties. Die gerealiseerde huurtransacties betreffen allen objecten die gelegen zijn op niveau 0 van het winkelcentrum. Het hof is dan ook van oordeel dat de heffingsambtenaar de gehanteerde huurwaarden voor de onroerende zaken op de eerste (met huisnummer toevoeging B) en tweede verdieping (met huisnummer toevoeging C) niet voldoende heeft onderbouwd. Daarbij merkt het hof op dat hij ook twijfels heeft over de courantheid van de onroerende zaken op de eerste en tweede verdieping. Dit heeft niet alleen gevolgen voor het leegstandsrisico in de berekening van de kapitalisatiefactor, maar ook voor de huurwaarde. De heffingsambtenaar heeft niet weersproken dat de onroerende zaken op de tweede verdieping vanaf de bouw niet zijn verhuurd. De onroerende zaken op de eerste verdieping staan op de waardepeildatum nagenoeg allemaal leeg of worden verhuurd in het kader van anti leegstand. 6B 01 en 6B 14 zijn daar een uitzondering op, maar die huurcijfers zijn ver voor de waardepeildatum overeengekomen.

4.9.

Dit alles overwegende betekent dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarden van 6A 10, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20 niet te hoog zijn vastgesteld.

Kapitalisatiefactor

4.10.

In de taxatierapporten van de onroerende zaken op niveau 0 zijn de kapitalisatiefactoren op 13,5 en 14 gesteld. Die factoren zijn berekend volgens de algemene normen uit de regio (de bottom-up methode). Anderzijds zijn marktgegevens van verkooptransacties rond de waardepeildatum (zie 2.4) gebruikt om de kapitalisatiefactoren te onderbouwen. Daarbij is steeds een leegstandsrisico van 15,1% gehanteerd. De heffingsambtenaar voert daarnaast aan dat uit de uitgevoerde leegstandsanalyse voor de gemeente [plaats] blijkt dat feitelijk sprake is van een lager structurele leegstandsrisico van 9,65%.

4.11.

Belanghebbende stelt dat door de heffingsambtenaar gehanteerde kapitalisatiefactor te hoog is. Volgens belanghebbende is voor het winkelcentrum [winkelcentrum] het leegstandsrisico 35,3% inclusief de twee onroerende zaken (6B 04 en 6B 18) die anti-leegstand worden verhuurd. Op basis hiervan zou de waardevermindering al meer dan 20% moeten zijn, aldus belanghebbende. De populariteit van winkels in passages is matig op de begane grond en slecht op de eerste en tweede verdieping, daarom is het leegstandspercentage veel hoger dan in normale winkelstraten.

4.12.

Gelet op het overwogene in 4.9 komt het hof alleen toe aan de beoordeling van de gehanteerde kapitalisatiefactor voor de onroerende zaken gelegen op niveau 0, maar niet voor de onroerende zaken met de huisnummers 6A 10 en 6A 17. Het hof oordeelt dat de gehanteerde kapitalisatiefactoren door de heffingsambtenaar zijn onderbouwd. De door belanghebbende aangehaalde hogere percentages qua leegstand zien vooral op de eerste en tweede verdieping van het winkelcentrum. Gelet op de ligging van het winkelcentrum in het centrum van [plaats] kan voor de onroerende zaken die zijn gelegen op niveau 0 aangesloten worden bij het leegstandpercentage van heel [plaats]. De heffingsambtenaar hanteert zelfs een hoger percentage en daardoor heeft hij voldoende rekening gehouden met het risico op leegstand. Daarmee heeft de heffingsambtenaar voor de onroerende zaken die gelegen zijn op niveau 0 de kapitalisatiefactor aannemelijk gemaakt.

[adres 1] 14

4.13.

Tegen de WOZ-waarde van [adres 1] 14 heeft belanghebbende geen zelfstandige gronden ingebracht, het hof ziet dan ook geen reden om deze WOZ-waarde te verlagen. De heffingsambtenaar heeft met het taxatierapport de WOZ-waarde aannemelijk gemaakt.

WOZ-waarden

4.14.

Vervolgens komt het hof toe aan de vraag of belanghebbende de door haar verdedigde waarden aannemelijk heeft gemaakt. Belanghebbende verdedigt de in 3.2 genoemde waarden voor de onroerende zaken. Gelet op het overwogene in 4.9 gaat het om de waarden van de onroerende zaken van 6A 10, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20. Aan de waardering van belanghebbende liggen taxatiekaarten ten grondslag. Onduidelijk is hoe belanghebbende tot de door haar gehanteerde huurwaarden en percentages komt. Belanghebbende heeft daarbij geen verwijzing opgenomen naar rond de waardepeildatum gerealiseerde huur en verkoopcijfers van vergelijkingsobjecten. Daarmee maakt ook belanghebbende de door haar verdedigde waarden niet aannemelijk.

4.15.

Het hof zal daarom de waarden van de onroerende zaken in goede justitie als volgt vaststellen.

Zaaknr.Huisnr.
24/3336A 10€ 10.200.000
24/3366A 17€ 1.150.000
24/3396B 01€ 1.450.000
24/3406B 04€ 350.000
24/3416B 14€ 240.000
24/3426B 15€ 190.000
24/3436B 16€ 192.000
24/3446C 05€ 260.000
24/3456C 20€ 1.600.000
24/3466C 12€ 280.000
24/3476B 18€ 380.000

Daarnaast is de heffingsambtenaar zelf tot de conclusie gekomen dat de WOZ-waarde van 6A 12 verlaagd moet worden tot € 374.000. Het hof zal dit overnemen.

4.16.

In zoverre is het hoger beroep gegrond. De WOZ-waarden van 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20 dienen verlaagd te worden.

II. Proceskostenvergoeding beroep

4.17.

Voor wat betreft de proceskostenvergoeding in beroep wegens verleende rechtsbijstand stelt belanghebbende dat de rechtbank de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak op 2 had moeten stellen. Belanghebbende is van mening dat het een complexe zaak betreft.

4.18.

Het hof stelt voorop dat alle WOZ-beschikkingen op één aanslagbiljet staan vermeld. In dat geval is er sprake van één bezwaar en één beroep.[_d4f72a91-651d-42c1-b766-1515109fbec6] De factor 1,5 voor samenhangende zaken geldt in dat geval niet. Wel kan de omstandigheid dat het bezwaar en beroep op meer dan één besluit betrekking heeft een rol spelen bij het bepalen van de wegingsfactor voor het gewicht van de zaak. Gelet op het aantal onroerende zaken waar het hier om gaat, ziet het hof aanleiding om de wegingsfactor op 2 te bepalen. Het hof zal daarom de proceskostenvergoeding wegens verleende rechtsbijstand voor de beroepsfase opnieuw vaststellen op € 3.736.[_33161d27-2dd3-44b2-b4d5-c32db007589b]

4.19.

Belanghebbende heeft de door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding wegens deskundigenkosten voor de gemaakte taxatiekosten voor een bedrag van € 1.904 exclusief BTW onbestreden gelaten. Het hof laat deze dan ook in stand voor de bezwaar en beroepsfase. Hetzelfde geldt voor de toegekende kostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase.

Tussenconclusie

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.21.

De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 559 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.22.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.

4.23.

Gelet op de hoeveelheid onroerende zaken waarvan de waarde wordt verminderd bestaat ook in hoger beroep reden om uit te gaan van een wegingsfactor 2 (zie 4.18).

4.24.

Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2,5 (punten)[_99a10634-5453-4e74-a819-3bbbfc96ca1a] x € 934 (waarde per punt) x 2 (factor gewicht van de zaak) is in totaal € 4.670.

4.25.

Dit bedrag wordt vermeerderd met een bedrag aan kosten van een deskundige op grond van artikel 1, letter b, Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Besluit) voor de gemaakte taxatiekosten. Ter zitting hebben partijen ingestemd met de vergoeding voor de taxatiekosten op 2 uur en een tarief van € 68 exclusief BTW per verrichte taxatie. In dit geval gaat het om 12 keer een verlaging van de WOZ-waarde, namelijk voor de onroerende zaken met de nummers 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20. In beroep zijn de taxatiekosten van de onroerende zaken met de nummer 6A 12, 6B 04, 14, 15, 16, 18 al vergoed.[_5a7f9a1b-0e97-4996-b90a-7af6edd451c8] Resteert zes maal een vergoeding van de taxatiekosten voor een bedrag van € 816 exclusief BTW.[_5b251c46-2357-4730-9424-2684cea17304]

4.26.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20 en de proceskosten in beroep vanwege verleende rechtsbijstand;
  • verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die ziet op de waarden van de onroerende zaken [adres 1] 6A 10, 12, 17, 6B 01, 04, 14, 15, 16, 18 en 6C 05, 12, 20;
  • wijzigt de WOZ-beschikkingen zoals vermeld in r.o. 4.15;
  • vermindert de aanslag OZB evenredig;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten voor verleende rechtsbijstand van het geding bij de rechtbank van € 3.736;
  • veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij het hof van € 5.486;
  • bepaalt dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 559 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door T.A. Gladpootjes, voorzitter, M.E. Smorenburg en J.K. Lanser, in tegenwoordigheid van E.A.D. Dockx, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.

De griffier, De voorzitter,

E.A.D. Dockx T.A. Gladpootjes

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  • Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
  • (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
  • Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
  • de naam en het adres van de indiener;
  • de dagtekening;
  • een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
  • e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

  1. 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een wegingsfactor 1 gemiddeld en een waarde per punt van € 875.
  2. Artikel 4, lid 1, letter b, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.
  3. Zie Hoge Raad 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822, r.o. 3.4.
  4. 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een wegingsfactor 2 en een waarde per punt van € 934.
  5. 1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het verstrekken van nadere inlichtingen, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
  6. Rechtbank Limburg 22 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:255, r.o. 32, 33 en 36.
  7. 6 * 2 uur * € 68.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.