Uitspraak · Belastingrecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 26 augustus 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:2300Zaaknummer 24/142
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 26 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 24/142
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
WOZ-zaak. Hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de gevraagde recente machtiging niet tijdig is overgelegd.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
B.B. Gedik M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Enkelvoudige Belastingkamer
Nummer: 24/142
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats],
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 18 december 2023, nummer BRE 22/1302 in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,
hierna: de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) een beschikking gegeven (hierna: de WOZbeschikking) en daarbij de waarde van [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens is de aanslag onroerendezaakbelastingen eigenaar en de aanslag watersysteemheffing gebouwd voor het jaar 2021 bekendgemaakt (hierna: de aanslagen).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De heffingsambtenaar heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
[gemachtigde] (verbonden aan [bedrijf]; hierna: [gemachtigde]) heeft op naam van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend, die in Mijn Rechtspraak zijn gedeeld met [gemachtigde].
Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende is eigenaar en gebruiker van de woning.
De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2020 bij WOZ-beschikking vastgesteld op € 230.000. Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslagen gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en de WOZ-waarde conform de beschikking gehandhaafd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn voor de berechting van het geschil in bezwaar en beroep is overschreden met afgerond tien maanden. De rechtbank heeft de omvang van de door belanghebbende verzochte vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn bepaald op € 50 per (gedeelte van een) halfjaar waarmee de redelijke termijn is overschreden en vastgesteld op in totaal € 100. De rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de minister ieder veroordeeld tot betaling van € 50 aan immateriële schadevergoeding, de heffingsambtenaar veroordeeld tot betaling van een vergoeding van € 104,62 en de minister van € 104,63 aan proceskosten aan belanghebbende (in totaal € 209,25). De rechtbank heeft de heffingsambtenaar en de minister veroordeeld tot betaling van griffierecht van in totaal € 50 aan belanghebbende, ieder voor de helft (€ 25). Bij de berekening van de proceskosten is de rechtbank uitgegaan van een zaak met wegingsfactor 0,25.
[gemachtigde] heeft op 1 februari 2024 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Als bijlage bij het hogerberoepschrift is een machtiging van belanghebbende opgenomen die is ondertekend op 27 februari 2021 en waarbij aan [gemachtigde] een volmacht wordt verleend “om hem of haar te vertegenwoordigen in alle zaken betreffende de aanslag lokale belastingen en de daarop vermelde WOZ-beschikking(-en)”. In de machtiging staat verder, voor zover van belang, het volgende:
“Deze volmacht houdt in hoofdzaak in:
- Het indienen en desgewenst intrekken van bezwaar, (hoger) beroep of cassatie, al dan niet bij wege van voorlopige voorziening, en het nemen van besluiten in deze procedures;
- Het indienen van een verzoek tot het uitkeren van proceskostenvergoeding aan [bedrijf] B.V.
- Het bijwonen van uw (hoor-)zitting en daarbij namens u het woord voeren
- Het in gebreke stellen van bestuursorganen en de eventuele dwangsom verbeuren
- Het in ontvangst nemen van besluiten, die in het kader van de procedure kunnen worden genomen
- Het indienen van een verzoek tot controle van eerder opgelegde WOZ-beschikkingen en
daarmee samenhangende lokale heffingen
- Al datgene te doen wat gevolmachtigde nuttig of noodzakelijk acht voor volmachtgever
Dit alles met het recht van substitutie, wat wil zeggen dat onder meer samenwerkingspartners van [bedrijf] B.V. ook namens volmachtgever op mogen treden.”
Het hof heeft [gemachtigde] bij bericht van 18 mei 2026 verzocht om uiterlijk op 26 mei 2026 een op zijn naam gestelde machtiging in te dienen, die niet ouder is dan zes maanden, gerekend vanaf het moment van indiening van het hogerberoepschrift (hierna: een recente machtiging). In het bericht staat dat, als van deze gelegenheid geen gebruik wordt gemaakt, het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij bericht van 27 mei 2026 heeft (de griffier van) het hof [gemachtigde] nogmaals in de gelegenheid gesteld om een recente machtiging te overleggen. Het bericht luidt als volgt:
“Dit bericht is gericht aan:
[bedrijf]
tav de heer/mevrouw [gemachtigde].
Hierbij wijs ik u op mijn bericht van 18 mei 2026. Voor zover ik kan nagaan, heb ik daarop nog geen reactie ontvangen.
Het gerechtshof stelt u alsnog in de gelegenheid het hoger beroep aan te vullen met de ontbrekende stukken en/of de vereiste gegevens. De termijn daarvoor eindigt op 10 juni 2026.
Als u van deze mogelijkheid geen gebruik maakt, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent dat het gerechtshof uw hoger beroep niet (inhoudelijk) in behandeling neemt. Er volgt dan een uitspraak, waartegen u bij het gerechtshof in verzet kunt komen.”
De gevraagde recente machtiging is niet overgelegd.
3 Beoordeling ontvankelijkheid
Het hof zal de ontvankelijkheid van het hoger beroep beoordelen.
Bij deze beoordeling gaat het hof uit van het volgende. Op grond van artikel 8:24, lid 2, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter van een gemachtigde die geen advocaat is een schriftelijke machtiging verlangen. Bij het gebruik van deze bevoegdheid mag de bestuursrechter met het oog op een goede rechtspleging in redelijkheid eisen stellen aan de machtiging. Zo mag de bestuursrechter vragen om een recente machtiging. Voor het opvragen van een recente machtiging, is niet vereist dat de bestuursrechter aanwijzingen heeft dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde, zoals die is vastgelegd in een eerdere machtiging, op grond van de bepalingen over volmacht in Titel 3 van Boek 3 BW zou zijn geëindigd, en die rechter daarom in redelijkheid aanleiding kon vinden om eraan te twijfelen of die bevoegdheid is blijven voortbestaan. De bestuursrechter is niet verplicht te motiveren waarom hij een recente machtiging van de volmachtgever vraagt. Indien degene die zich bij het instellen van beroep als gemachtigde heeft gesteld, niet de gevraagde recente machtiging overlegt binnen de daartoe door de rechter gestelde termijn, is sprake van een verzuim in de zin van artikel 6:6 Awb. De rechter is bevoegd het bij hem ingestelde rechtsmiddel vanwege een dergelijk verzuim niet-ontvankelijk te verklaren, op voorwaarde dat de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe door de rechter gestelde redelijke termijn, en geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat dit verzuim verschoonbaar is. Op grond van de schakelbepalingen van de artikelen 6:24 en 8:108, lid 1, Awb geldt wat hiervoor is overwogen ook in hoger beroep.[_f7a2a207-d60c-43f0-a5df-37f98084aeb5]
Gesteld noch gebleken is dat [gemachtigde] advocaat is. Het hof heeft [gemachtigde] tweemaal om een recente machtiging gevraagd en erop gewezen dat het hoger beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als de recente machtiging niet binnen de door het hof gestelde termijn wordt aangeleverd. Het hof constateert dat [gemachtigde] vanaf de eerste keer dat het hof op het geconstateerde verzuim heeft gewezen (op 18 mei 2026; zie 2.5) ruim drie weken (tot en met 10 juni 2026; zie 2.6) de gelegenheid heeft gehad om het verzuim te herstellen. [gemachtigde] heeft het verzuim niet hersteld. Reden voor het hof om aan te nemen dat er omstandigheden zijn die dit verschoonbaar maken zijn gesteld noch gebleken. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het hof niet toekomt aan een behandeling van de inhoudelijke geschilpunten.
Tussenconclusie
De slotsom is dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.
Ten aanzien van het griffierecht
Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.
4 Beslissing
Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak is gedaan door M.E. Smorenburg, raadsheer, in tegenwoordigheid van B.B. Gedik, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De raadsheer,
B.B. Gedik M.E. Smorenburg
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
- Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
- (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
- Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
- e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Voetnoten
- Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:556.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RBZWB:2023:8600 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.