Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3386Zaaknummer 200.354.023_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.354.023_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bewind
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 februari 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 27 november 2025
Zaaknummer: 200.354.023/01
Zaaknummer eerste aanleg: 11074140 BM VERZ 24-2666
in de zaak in hoger beroep van:
[rechthebbende],
thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te [plaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de rechthebbende,
advocaat: mr. D.G.A. Rossi,
tegen
[vader],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[naam 1] Bewindvoering B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de bewindvoerder.
Deze zaak gaat - in het kort - over het bewind dat is ingesteld over de goederen die aan de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 februari 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 april 2025, heeft de rechthebbende verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek strekkende tot instelling van het bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende alsnog af te wijzen.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 juni 2025, heeft de vader verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, de bestreden beschikking te bevestigen. Kosten rechtens.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de op 23 april 2025 binnengekomen nog ontbrekende stukken van de procedure in de eerste aanleg.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- mr. Rossi, namens de rechthebbende;
- mr. Stassen, namens de vader;
- [naam 2], namens de bewindvoerder.
De rechthebbende en de vader zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet naar de mondelinge behandeling gekomen. Voor rechthebbende had het hof vervoer geregeld via de Dienst Vervoer & Ondersteuning van de Dienst Justitiële Inrichtingen.
De heer [naam 2] heeft via een videoverbinding aan de mondelinge behandeling deelgenomen.
3 De beoordeling
De feiten
De rechthebbende, geboren op [geboortedag] 1968, verblijft sinds 2 december 2023 in detentie.
Op 1 maart 2024 is de moeder van de rechthebbende overleden. In haar testament heeft zij onder andere de rechthebbende tot erfgenaam benoemd onder de voorwaarde dat hetgeen de rechthebbende uit de nalatenschap verkrijgt, onder bewind wordt gesteld en de vader tot bewindvoerder wordt benoemd. De moeder heeft tevens haar echtgenoot, de vader, tot testamentair bewindvoerder benoemd.
Op 29 april 2024 heeft de vader een verzoek gedaan tot onderbewindstelling van de (toekomstige) goederen van zijn zoon, de rechthebbende.
De goederen van de vader zijn ook onder bewind gesteld. Daarbij is [naam 1] Bewindvoering B.V. tot bewindvoerder benoemd.
Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, voor zover van belang, de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand onder bewind gesteld met ingang van 16 februari 2025 en [naam 1] Bewindvoering B.V. (voornoemd) tot bewindvoerder benoemd. Daarbij heeft de kantonrechter de vader erop gewezen dat deze beslissing geen invloed heeft op de verplichtingen die op hem rusten als testamentair bewindvoerder.
De rechthebbende kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De rechthebbende voert - samengevat - het volgende aan.
De rechthebbende heeft zich in eerste aanleg niet deugdelijk kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van het door zijn vader ingediende verzoek. Hij werd pas kort voor de mondelinge behandeling daarover ingelicht.
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de vader altijd de financiën van de rechthebbende heeft geregeld. Het klopt dat de bankafschriften van zijn bankrekening aankwamen op het adres van zijn vader, maar dit is slecht om pragmatische redenen gebeurd. De vader keek wel eens mee er werd wel eens samen gepind. Zijn financiën heeft de rechthebbende echter altijd zelfstandig beheerd. De rechthebbende beschikte zelf over de bankpas van zijn bankrekening.
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat de huur al een tijd niet werd betaald.
De rechthebbende verkeerde in de veronderstelling dat de huurpenningen via een automatische incasso werden voldaan tijdens zijn detentie. Waarschijnlijk in verband met een (onterecht) beslag konden er op enig moment geen bedragen vanuit de rekening van de rechthebbende worden betaald. Nadat de rechthebbende hiervan - vanuit de PI - kennis had genomen, heeft hij meteen contact opgenomen met de betreffende gerechtsdeurwaarder. Eind oktober 2024 bedroeg de huurschuld klaarblijkelijk € 2.894,52. Op enig moment werd door de gerechtsdeurwaarder aan de rechthebbende evenwel gemeld dat hij diende te stoppen met het betalen van deze geldbedragen omdat de gehele huurschuld zou zijn afgelost. Nu er geen schuld meer is, is het bewind niet meer nodig.
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat er schulden zijn en dat de rechthebbende niet zelf in staat is om zijn financiën te regelen. De rechthebbende verwacht dat zijn detentie spoedig zal eindigen. Inmiddels is de tbs-maatregel met dwangverpleging ingegaan. De rechthebbende is van de gehele beslissing in hoger beroep gegaan. Bij terugkeer in de samenleving wenst de rechthebbende – zoals vanouds – graag zelf de regie te voeren over zijn financiële huishouding. Dat hij daartoe in staat is, blijkt ook uit zijn initiatieven vanuit de PI om zijn huurschuld af te lossen. Hij heeft daar voldoende verstandelijke capaciteiten voor.
Ten onrechte heeft de kantonrechter geoordeeld dat als officiële grond voor onderbewind-stelling de lichamelijke of geestelijke toestand van de rechthebbende geldt. Lichamelijk of geestelijk mankeert de rechthebbende niets, althans niets waardoor hij zijn eigen vermogensrechtelijke belangen niet kan behartigen. De rechthebbende betwist dat hij, zoals gesteld door de vader, € 100,- per week aan bidprentjes uitgaf.
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat van bezwaren tegen benoeming van de voorgestelde bewindvoerder niet is gebleken. De rechthebbende heeft in eerste aanleg al bezwaar gemaakt tegen benoeming van deze bewindvoerder. Deze bewindvoerder is ook de bewindvoerder van de vader, hetgeen tot een belangenconflict kan leiden, zeker in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van zijn moeder, maar ook als vader en zoon in de toekomst een tegenstrijdig (financieel) belang zouden hebben, zoals in het geval van beoogde schenking. De rechthebbende is mevrouw [naam 1] bovendien al in verschillende hoedanigheden tegengekomen. Onder meer in de context van de verdeling van de spullen uit het ouderlijk huis. [naam 1] heeft haar afspraken toen niet nagekomen. De rechthebbende heeft ook geen vertrouwen in deze bewindvoerder, die sinds de bestreden beschikking nog geen contact met de rechthebbende heeft opgenomen.
De vader voert - samengevat - het volgende aan.
Het verzoek van de vader, dat is ingediend op 29 april 2024, is pas op 22 januari 2025 behandeld. De vader gaat ervan uit dat de rechthebbende voldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren en rechtsbijstand in te schakelen.
De rechthebbende heeft een gedragsstoornis. De rechthebbende leidt aan schizofrenie en een stoornis in het autismespectrum. De rechthebbende is ‘verslaafd’ aan het verzamelen van bidprentjes. Hij geeft gemiddeld € 100,- per week uit om deze te bemachtigen, waarvoor hij bijvoorbeeld pastoors benaderd. De rechthebbende is ook meerdere malen strafrechtelijk veroordeeld omdat hij ook mensen heeft bedreigd en mishandeld ten einde bidprentjes te bemachtigen. Aan de rechthebbende is een Tbs-maatregel met dwangverpleging opgelegd. Door het obsessieve gedrag van de rechthebbende is hij nooit in staat geweest te werken en werd het financiële doen en laten van de rechthebbende zo goed en zo kwaad als dit ging door de vader in de gaten gehouden. De vader heeft regelmatig moeten bijspringen om vaste lasten van de rechthebbende te betalen. De vader vermoedt dat de rechthebbende niet open staat voor de dwangverpleging waardoor de grondslag in stand blijft.
Door de detentie werd de Wajong-uitkering van de rechthebbende stopgezet, waardoor hij de huur en andere vaste lasten niet meer kon betalen. De vader heeft de achterstallige huur van € 4.412,- betaald in overleg met zijn eigen bewindvoerder, zodat de rechthebbende na zijn detentie een woning zou hebben. Het bewind is uitgesproken op grond van de geestelijke toestand van de rechthebbende; dat de schuld is afgelost, betekent dus niet dat er geen grond meer is voor het bewind. Bovendien heeft de vader nu een vordering op de rechthebbende, aangezien de vader het bedrag alleen heeft voorgeschoten. De goederen van de rechthebbende hebben eerder onder bewind gestaan. De vader weet niet waarom het bewind toen is opgeheven.
Het subsidiaire verzoek om een ander bewindvoerderskantoor als bewindvoerder te benoemen is voor het eerst in hoger beroep gedaan, hetgeen niet is toegestaan. Van een belangenconflict ten aanzien van de benoemde bewindvoerder is bovendien geen sprake. De vader heeft een andere, eigen dossierbeheerder. Voor het overige betwist de vader de aangevoerde bezwaren tegen de benoemde bewindvoerder. De vader en de rechthebbende hebben geen tegengestelde belangen in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap, maar een gemeenschappelijk belang van juist beheer van dat vermogen. Omdat de goederen van de vader ook onder bewind staan, wordt dat vermogen juist goed beschermd.
De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling, samengevat, het volgende naar voren gebracht.
De nalatenschap van de moeder betrof circa € 80.000,-. De helft daarvan komt aan de rechthebbende toe, derhalve circa € 40.000,-. De bewindvoerder heeft de notaris gevraagd de hoogte van het erfdeel van de zoon vast te stellen, alsmede een akte van erfrecht en een akte van verdeling op te stellen.
Er is geen sprake van een belangenverstrengeling. De heer [naam 2] beheert het dossier van de rechthebbende en de vader heeft een eigen dossierbeheerder. Zolang het erfdeel van de rechthebbende nog niet is vastgesteld en de gevraagde aktes nog niet zijn opgesteld, gebeurt er niets met de erfenis: de vader kan er niet bij en de rechthebbende kan niets opeisen. De vader is testamentair bewindvoerder, maar omdat hij zelf onder bewind staat kan hij die rol niet meer uitvoeren. De zoon zal dus een opeisbare vordering op de vader krijgen. Zodra het vermogen op de rekening van de zoon wordt gestort, valt het rechtstreeks onder het bewind.
De vader heeft de achterstallige huur betaald bij wijze van voorschot op de nalatenschap, maar dat heeft de vader zelf voorgeschoten. De vader heeft dus een vordering op de rechthebbende.
De rechthebbende heeft een negatief budget van ongeveer € 570,- per maand nu hij geen uitkering meer ontvangt. Hij heeft nog spaargeld ter hoogte van € 4.000,-, maar daar teert hij maandelijks op in. Dat zal over circa acht maanden op zijn. De woning wordt aangehouden op verzoek van de advocaat van de rechthebbende in de strafrechtelijke procedure, omdat de rechthebbende na zijn invrijheidsstelling daarin wenst terug te keren.
De bewindvoerder is van mening dat de rechthebbende het bewind nodig heeft. De rechthebbende overschat zichzelf in dat opzicht. Naast de praktische hobbels als gevolg van de detentie, wijst de bewindvoerder erop dat de rechthebbende een behoorlijke nalatenschap toekomt; voorkomen moet worden dat dat helemaal aan het verkrijgen van bidprentjes wordt uitgegeven.
Het wettelijk kader
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
- voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
- voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
Ingevolge artikel 1:435 lid 1 BW benoemt de rechter bij het uitspreken van het bewind of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon.
Ingevolge artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten.
De overwegingen van het hof
Voor zover de rechthebbende heeft aangevoerd dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden in de procedure in eerste aanleg, heeft de rechthebbende, in verband met de herstelfunctie van het hoger beroep, geen belang heeft bij de bespreking van deze grief. Belanghebbende heeft immers in hoger beroep de gelegenheid gekregen om opnieuw gehoord te worden.
Het hof constateert dat blijkens de beschikking tot onderbewindstelling van 16 februari 2025 bij de rechthebbende sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand die maakt dat hij niet meer ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk kan waarnemen. Hoewel rechthebbende het ontkent, acht het hof voldoende aannemelijk dat bij rechthebbende sprake is van een geestelijke stoornis, gelet op de veroordeling van rechthebbende tot een TBS-maatregel met dwangverpleging en het feit dat hij thans in een TBS-kliniek verblijft.
Het hof stelt verder vast dat er sinds de detentie van de rechthebbende schulden zijn ontstaan. Als gevolg van de oplopende huurschuld, dreigde de rechthebbende ook zijn woning kwijt te raken. De WAJONG-uitkering van de rechthebbende is stopgezet vanwege de detentie. Door het wegvallen van zijn inkomstenbron is er nu een structureel negatief budget van € 570,- per maand.
Ingrijpen van de vader en de bewindvoerder was nodig om de huurschuld af te lossen, de betalingen ter hervatten en ervoor te zorgen dat de rechthebbende zijn woning (in ieder geval voorlopig) kan aanhouden, hetgeen ook conform de uitdrukkelijk wens van de rechthebbende is. De rechthebbende stelt dat hij zelf al maatregelen had getroffen om de schuld af te lossen en dat ingrijpen dus niet nodig was. Gezien het voorgaande acht het hof die maatregel, te weten aflossing op de huurschuld met € 100,- per maand, volstrekt ontoereikend aangezien daarmee niet voorkomen had kunnen worden dat de huurachterstand alleen maar verder zou zijn opgelopen.
Het hof overweegt ook dat de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder van de rechthebbende nog niet is afgerond. Het hof acht de rechthebbende niet in staat dit vanuit detentie te overzien en te regelen. Vast staat dat de moeder in haar testament een bewind heeft ingesteld over hetgeen rechthebbende uit haar nalatenschap verkrijgt. Ook hierin ziet het hof een aanwijzing dat rechthebbende niet in staat is zijn eigen vermogensrechtelijke belangen te behartigen. Onzeker is hoelang de detentie van rechthebbende zal voortduren en of hem ook in hoger beroep tbs met dwangverpleging zal worden opgelegd. Gebleken is dat rechthebbende gedurende zijn detentie geen kennis had van zijn post en ook onvoldoende kennis had van het verloop van zijn rekeningen, zodat het risico dat rekeningen weer onbetaald blijven groot is. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen ten aanzien van het uitspreken van het bewind.
Het hof is verder van oordeel dat de rechthebbende onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom sprake is van een (risico op) belangenverstrengeling bij het in stand laten van de benoeming van de huidige bewindvoerder. Het vermogen van de vader staat onder bewind van hetzelfde kantoor, maar hij heeft een eigen dossierbeheerder. De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat middels de door de notaris nog op te maken aktes, het erfdeel van de rechthebbende naar zijn vermogen zal vloeien, hetgeen onder beheer van de bewindvoerder staat. De vader, noch zijn dossierbeheerder, zal daar invloed op kunnen uitoefenen. Voor het overige is niet concreet gemaakt welke (mogelijk) botsende belangen van vader en zoon vereisen dat het bewind van de rechthebbende bij een ander bewindskantoor wordt ondergebracht. Voorts heeft de bewindvoerder opgemerkt dat mevrouw [naam 1] niet persoonlijk is betrokken bij het dossier van de rechthebbende en dat zij bovendien op korte termijn met pensioen gaat.
De bewindvoerder heeft tot slot de aanbeveling van het hof tijdens de mondelinge behandeling ter harte genomen om de rechthebbende te bezoeken in de penitentiaire inrichting om hem het nodige inzicht te geven in zijn financiële positie.
Al het voorgaande leidt tot de conclusie van het hof dat de bestreden beschikking ook ten aanzien van de benoeming van de bewindvoerder bekrachtigd dient te worden.
Het hof is overigens van oordeel dat, anders dan namens de vader tijdens de mondelinge behandeling is betoogd, de rechthebbende de benoeming van de persoon van de bewindvoerder wel degelijk voor het eerst in hoger beroep aan de orde mocht stellen. Zowel de kantonrechter in eerste aanleg als het hof dient zich immers, zo nodig ambtshalve, een oordeel te vormen over de geschiktheid van de te benoemen persoon en over de al dan niet te volgen voorkeur van de rechthebbende ten aanzien van de benoeming.
De slotsom
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 4 februari 2025;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.M.J. Peters en M.I. Peereboom-Van Drunick en is in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.