Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3382Zaaknummer 200.344.501_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 27 november 2025
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.344.501_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht, afwikkeling huwelijkse voorwaarden.
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 15 mei 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschuld van € 339.751,-- aan [naam] Beheer BV;
bepaalt dat de man de waarde van de aandelen in [naam] Beheer BV, die het hof heeft berekend op € 156.309,73, dient in te brengen in de huwelijksgemeenschap van partijen en stelt vast dat de vrouw op grond hiervan bij de finale verrekening een vordering heeft op de man groot € 78.154,86;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en M.J. van Laarhoven, en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: 200.344.501/01
zaaknummer rechtbank: C/02/394931 / FA RK 22-788
beschikking van de meervoudige kamer van 27 november 2025
inzake
[man],
wonende te [plaats],
verzoeker in hoger beroep,
verweerder in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.J.M. van der Borst,
tegen
[vrouw],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
verweerster in hoger beroep,
verzoekster in incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen de: vrouw,
advocaat: mr. A.M.M. de Waal.
1 De zaak in het kort
Het geschil gaat over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, in het bijzonder over de vraag of de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV al dan niet behoort tot de in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen huwelijksgemeenschap van partijen.
2 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de eindbeschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 15 mei 2024 en de daaraan voorafgegane tussenbeschikkingen van 22 september 2022 en 25 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
3 Het geding in hoger beroep
De man is op 2 augustus 2024 in hoger beroep gekomen. Het beroepschrift bevat als bijlagen de aangiften inkomstenbelasting van de vrouw over 2017, 2018 en 2019.
De vrouw heeft op 12 november 2024 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend, met de producties 1 tot en met 6.
De man heeft op 8 januari 2025 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep tevens houdende vermeerdering van verzoek ingediend, met de producties 1 tot en met 3.
De mondelinge behandeling heeft op 1 oktober 2025 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaten van partijen hebben op de mondelinge behandeling pleitnotities overgelegd.
4 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:
- partijen zijn op 22 juni 2001 gehuwd te Breda na het maken van huwelijkse voorwaarden;
- op 21 april 2021 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg). Daarop is bij beschikking van 22 september 2022 de echtscheiding uitgesproken;
- de echtscheidingsbeschikking is op 18 april 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
5 De omvang van het geschil
Bij de bestreden eindbeschikking heeft de rechtbank, voor zover van belang, het volgende beslist:
“stelt de (wijze van) afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen vast op de wijze als
hiervoor onder 2.9 weergegeven;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.”
De man verzoekt het hof:
“(…) waar mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant Locatie Middelburg van 23 oktober 2023 en 15 mei 2024 te vernietigen voor zover daarbij de verzoeken van de man zijn afgewezen en die verzoeken alsnog toe te wijzen waarbij de man zijn verzoek sub 5. bij aanvullend verzoek van 4 oktober 2021 vervangt als volgt:
5. de verdeling van de huwelijksgemeenschap en de verrekening volgens de huwelijkse voorwaarden van partijen vast te stellen conform hetgeen onder grief VI. hiervoor is bepaald en de vrouw te veroordelen om het bedrag ad € 81.711,- uit het depot bij de notaris aan de man te laten voldoen zulks nadat de woningschulden van partijen jegens [naam] Beheer B.V. ten bedrage van € 91.141,- en € 53.726,- door partijen aan die vennootschap zijn voldaan en de vrouw tot dit laatste te veroordelen.”
De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Zij verzoekt het hof:
“(…), uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven, althans zijn verzoeken in appel af te wijzen en in incidenteel appel de bestreden beschikking van (…) 15 mei 2024, (…) in die zin te wijzigen dat de wijze van afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen wordt vastgesteld conform het bij verweerschrift gestelde met de beslissing dat het door de man gelegde maritale beslag uiterlijk binnen een week na de door u te wijzen beschikking dient te worden opgeheven onder voldoening aan de vrouw van een bedrag van € 239.867,90, althans een bedrag dat uw hof (…) juist acht, en voldoening aan [naam] Beheer B.V. een bedrag van € 91.141,00 -, waarna het restant aan de man toekomt.”
De man heeft in het incidenteel hoger beroep verweer gevoerd. Hij verzoekt het hof:
“(…) dat het hoger beroep van de vrouw ongegrond wordt verklaard en haar vorderingen in incidenteel appèl worden afgewezen.”
De man heeft in principaal hoger beroep zes grieven gericht tegen de bestreden beschikking. De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep twee grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep. De grieven van partijen zien op de volgende onderwerpen:
- de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV (grief 1 en 2 man);
- de waarde van de aandelen in [naam] Beheer BV (grief 3, 4 en 5 man, grief 2 vrouw);
- de schuld van € 53.726,-- aan [naam] Beheer BV (grief 1 vrouw);
- de overbedelingssom (grief 6 man).
Het hof zal de grieven hierna per onderwerp bespreken. Grief 6 van de man heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis en zal daarom niet afzonderlijk worden beoordeeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw grief 2 ingetrokken. Deze grief behoeft daarmee geen bespreking meer. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de overige grieven, zal het hof eerst ingaan op de vermeerdering van het verzoek van de man.
6 De motivering van de beslissing
Vermeerdering van verzoek
Bij zijn verweerschrift in incidenteel hoger beroep heeft de man zijn verzoek vermeerderd als volgt:
“Tijdens de echtscheidingsprocedure heeft de vrouw een tot de huwelijksgemeenschap behorende op haar naam gestelde Volvo V60 zonder overleg met de man verkocht voor € 17.500,--. Die verkoopsom heeft zij tot op heden voor zich behouden. De verkoopsom is niet opgenomen in het verdelingsoverzicht zijdens de man in diens memorie van grieven, doch dient daarin opgenomen te worden als zijnde een vermogenswaarde die, toegedeeld aan de vrouw, verdeeld tussen partijen dient te worden.
Mocht de vrouw onverhoopt betwisten dat zij tot verkoop van de betreffende auto is overgegaan en de opbrengst tot op heden heeft behouden dan biedt de man getuigenbewijs daarvan aan en verzoekt hij de vrouw en hem dienaangaande als getuigen te horen.
De man vermeerdert dan ook zijn verzoek dienovereenkomstig.”
Het hof dient allereerst te beoordelen of deze vermeerdering van verzoek in strijd is met de tweeconclusieregel en de goede procesorde. Het hof is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt.
De tweeconclusieregel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven en stellingen die in een later stadium dan in het eerste processtuk (hier het beroepschrift en het verweerschrift) zijn aangevoerd en die niet zijn aan te merken als een nadere uitwerking of precisering van eerder aangevoerde grieven of stellingen (vgl. HR 23 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7064 rov. 4.1.3 en HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1334, rov. 3.1.2).
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek door de man in hoger beroep. Niet is gebleken dat (een van) de overige uitzonderingsgronden zich voordoen. Zo rechtvaardigt de aard van het geschil geen wijziging van het verzoek en is evenmin sprake van na het beroepschrift voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg overeengekomen dat aan de man de caravan, de boot en de aanhanger worden toegedeeld en aan de vrouw de Volvo V60. Zij hebben daarbij afgesproken dat die verdeling plaatsvindt met gesloten beurzen. De rechtbank heeft dienovereenkomstig beslist. Indien de man het met die beslissing niet eens was, had hij daartegen bij eerste gelegenheid, dus bij zijn beroepschrift, een grief moeten instellen. Van een nadere uitwerking of precisering van eerder aangevoerde grieven of stellingen is geen sprake. Dit betekent dat de vermeerdering van het verzoek niet wordt toegelaten.
De grieven
De rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV (grief 1 en 2 man)
De man heeft aan de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschuld aan de vennootschap van de man ( [naam] Beheer BV.) van € 339.751,--. Dat verzoek is afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rekening-courantschuld volledig voor rekening van de man dient te blijven. De rechtbank heeft daartoe in rov. 2.6 van de bestreden eindbeschikking van 15 mei 2024 het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de rekening-courant-schuld die de man bij de BV heeft, is de rechtbank van oordeel dat deze volledig voor rekening van de man dient te blijven. De schuld is naar haar aard een schuld van een directeur/grootaandeelhouder van een BV - in dit geval de man. Een redelijke uitleg van de tussen partijen overeengekomen huwelijkse voorwaarden - die de kennelijk [sic] bedoeling hadden de bedrijvigheid van de man geheel buiten enige vorm van gemeenschap te houden - behoort naar het oordeel van de rechtbank met zich te brengen dat de rekening-courantschuld wordt gezien als een privé-schuld van de man, die buiten de gemeenschap valt. Dat deze schuld mogelijk is ontstaan als gevolg van bestedingen ten behoeve van beide partijen maakt dit niet anders. Hoogstens leidt dit tot een vergoedingsrecht van de man op de vrouw, maar daarover is niets gesteld. Een en ander betekent dat deze schuld dus niet ‘verdeeld’ dient te worden, zoals de man met zijn verzoek kennelijk voorstaat, maar moet worden verrekend.”
Hiertegen keren zich de grieven 1 en 2. De man verzoekt in hoger beroep alsnog zijn inleidend verzoek toe te wijzen en te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschuld van partijen aan [naam] Beheer BV.
Ter toelichting op zijn grieven voert hij het volgende aan. Tussen partijen bestaat ingevolge art. 1 van de huwelijkse voorwaarden een gemeenschap van goederen overeenkomstig de wettelijke bepalingen voor de algehele gemeenschap van goederen. Alleen de aandelen van de man in de vennootschap [naam] Beheer BV zijn in de huwelijkse voorwaarden van de gemeenschap van goederen uitgezonderd. Dat is de enige uitzondering. Er zijn in de huwelijkse voorwaarden geen schulden van de gemeenschap uitgezonderd. Alle schulden van partijen vallen dus in de gemeenschap van goederen en dus ook de rekening-courantschuld van partijen aan [naam] Beheer BV. De huwelijkse voorwaarden bieden tekstueel noch anderszins steun aan een andersluidende opvatting.
De volgens de rechtbank uit art. 1 van de huwelijkse voorwaarden af te leiden kennelijke bedoeling van partijen om “de bedrijvigheid van de man geheel buiten enige vorm van gemeenschap te houden”, vormt geen grond om de rekening-courantschuld van partijen aan de vennootschap aan te merken als een privéschuld van de man. Op de man rust volgens de huwelijkse voorwaarden immers de verplichting de waarde van die “bedrijvigheid” c.q. de waarde van het bedrijf van de vennootschap in geval van echtscheiding met de vrouw te verrekenen en in die waarde is de rekening-courantschuld verdisconteerd. De bedoeling van de uitsluiting van de aandelen van de huwelijksgemeenschap was alleen om de continuïteit van het bedrijf bij echtscheiding te waarborgen. Niet meer of minder. Dat blijkt ook het feit dat partijen in art. 7 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat de man gehouden is om bij echtscheiding de waarde van de aandelen in [naam] Beheer BV in te brengen in de te verdelen gemeenschap van goederen. Daar komt bij dat de waarde van de aandelen mede worden bepaald door de hoogte van de rekening-courantschuld. Het aanmerken van de rekening-courantschuld als een privéschuld van de man strookt daarmee niet. De rekening-courantschuld is bovendien opgebouwd door uitgaven van partijen aan onder meer levensonderhoud, duurzame consumptiegoederen, huishoudelijke kosten en verzekeringspremies. De vrouw heeft jaarlijks inzage gehad in de jaarstukken waaruit de privé-opnamen van partijen uit de vennootschap bleken. Zij heeft de rekening-courantschuld in haar aangiften inkomstenbelasting elk jaar opgenomen.
De vrouw voert hiertegen het volgende aan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de rekening-courantschuld voor rekening van de man komt. Zij is het eens met de overweging van de rechtbank dat een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden met zich brengt dat de rekening-courantschuld moet worden gezien als een privé-schuld van de man die buiten de gemeenschap valt. Dat in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen dat de man de waarde van de aandelen met de vrouw dient te verrekenen, doet hier niet aan af. Die afspraak geldt alleen in het geval van echtscheiding, terwijl de afspraak om de onderneming en bedrijvigheid van de man buiten de gemeenschap van goederen te houden zowel geldt tijdens het huwelijk, als bij echtscheiding. Hiermee had zij dan geen zeggenschap over de onderneming, maar zij had ook niets van doen met de onderneming. Zij vond ondernemen een ‘risico’ en had haar eigen carrière. De vrouw is door de man ook altijd buiten de onderneming gehouden. Betwist wordt dat de rekening-courantschuld is ontstaan als gevolg van bestedingen ten behoeve van beide partijen. De man had ten tijde van het huwelijk een drank- en nicotineverslaving, ging regelmatig alleen op (vis)vakanties en had een voorkeur voor dure auto’s. Hij had dan ook een behoorlijk uitgavenpatroon voor zijn eigen wensen. Het is zeer aannemelijk dat dit de reden is voor het ontstaan van de rekening-courantschuld. De vrouw en de kinderen leefden namelijk heel sober. Onjuist is dat zij inzage had in de jaarstukken waaruit de privé-opnamen zouden blijken. Verder was het de accountant van de man die haar aangifte inkomstenbelasting verzorgde. Zij deed dat niet zelf. De man had het contact met, en stuurde de benodigde stukken door aan, de accountant. Dat het opnemen van de rekening-courantschuld in box 3 bij de vrouw wellicht fiscaal gunstig was en als zodanig door de accountant zo is opgenomen, betekent niet zonder meer dat de rekening-courantschuld niet als privéschuld van de man kan worden aangemerkt.
Het hof overweegt als volgt.
Partijen houdt verdeeld of de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV (waarvan als niet weersproken vaststaat dat de hoogte daarvan € 339.751,-- is), tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap behoort. Zij verschillen daarbij van mening over de uitleg van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden.
Voor zover hier relevant, luiden de huwelijkse voorwaarden als volgt:
“(…)
Artikel 1
Er zal tussen de echtgenoten een gemeenschap van goederen bestaan overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek voor de algehele gemeenschap van goederen, met uitzondering echter van:
a. de aandelen van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid: [naam] Beheer B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], of diens rechtsopvolger onder algemene titel, die bij de man in eigendom zijn. Deze aandelen zullen zijn persoonlijke eigendom van de man zijn en blijven, terwijl de op die eigendom drukkende schulden en lasten uitsluitend voor rekening van de man zullen zijn.
(…)
Artikel 2
De revenuen van de in artikel 1 sub a en b genoemde goederen zullen behoren tot de gemeenschap van goederen, terwijl de renten van de persoonlijke schulden, de kosten en lasten van een van de echtgenoten die ten laste van deze revenuen plegen te worden gebracht, zullen komen voor rekening van de gemeenschap van goederen.
(…)
Afrekening bij het einde van het huwelijk
Artikel 7
(…)
3. De afrekening blijft achterwege indien het vermogen van één der echtgenoten of van beiden negatief is.
(…)
5. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding (…) wordt door partijen afgerekend alsof er tussen de echtgenoten de wettelijke gemeenschap van goederen heeft bestaan, met dien verstande evenwel dat nu voor alsdan door partijen wordt overeengekomen dat de aandelen, als bedoeld in artikel 1 van deze huwelijkse voorwaarden, worden toebedeeld aan de man, waarbij de man gehouden is de waarde hiervan in te brengen in de te verdelen gemeenschap van goederen.
6. Lid 3 van dit artikel is op de afrekening hij het einde van het huwelijk door echtscheiding (…) onverkort van toepassing.
7. In het belang van de liquiditeitspositie van voormelde vennootschap, danwel diens rechtsopvolger onder algemene titel wordt, indien het huwelijk eindigt echtscheiding (…),
door partijen hierbij nu voor alsdan een betalingsregeling overeengekomen, waarbij het verschuldigde aan de vrouw vanwege de hiervoor bedoelde waardeverrekening van de aandelen in de vennootschap door de man in tien jaarlijkse perioden wordt voldaan.
(…)”
Volgens vaste rechtspraak dient de uitleg van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden te geschieden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Zie o.m. HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6085 en HR 4 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA1564.
De Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158) luidt als volgt:
“De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.”
Bij deze uitleg dient de rechter rekening te houden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427, NJ 2005/493).
Anders dan de vrouw betoogt, kan naar het oordeel van het hof aan art. 1 sub a van de huwelijkse voorwaarden redelijkerwijs niet de betekenis worden toegekend dat de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV buiten de huwelijksgemeenschap valt. Het hof legt hierna uit waarom.
Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat er tussen hen een algehele gemeenschap van goederen bestaat (art. 1). Daarvan hebben zij uitgezonderd de aandelen van de man in [naam] Beheer BV (art. 1 sub a). De man stelt daarover dat het de bedoeling van partijen was om de continuïteit van het bedrijf bij echtscheiding te waarborgen. De vrouw heeft dit bevestigd. In haar verweerschrift in hoger beroep heeft zij gesteld dat de reden voor het uitzonderen van de aandelen van de man in [naam] Beheer BV van de overeengekomen gemeenschap van goederen, was gelegen in het feit dat hij in die tijd met een compagnon een transportbedrijf had waarin de onderneming van de man, [naam] Beheer BV, voor de helft gerechtigd was. De compagnon van de man had voor het huwelijk van partijen aangegeven het ongewenst te vinden dat de vrouw een kwart van de onderneming zou kunnen opeisen en dat zij zeggenschap zou krijgen. Partijen hebben er daarom voor gekozen om de aandelen buiten de algehele gemeenschap van goederen te houden maar in het geval van echtscheiding wél de waarde van de aandelen te verrekenen (randnr. 4 vws). Daaruit volgt dat het de bedoeling van partijen was om alleen de eigendom van de aandelen van [naam] Beheer BV buiten de gemeenschap van goederen te laten. Waarom de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV als een privéschuld van de man moet worden aangemerkt, en om die reden ook van die gemeenschap zou zijn uitgezonderd, laat de vrouw na uit te leggen terwijl dat wel op haar weg lag. Dat de vrouw geen zeggenschap had over de onderneming, de rekening-courantschuld is ontstaan als gevolg van het uitgavenpatroon van de man en zij geen inzage heeft gehad in de jaarstukken van de onderneming, is in ieder geval onvoldoende. Temeer nu de waarde van de aandelen (waarin de vrouw deelt) mede wordt bepaald door de omvang van de rekening-courantschuld.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap behoort en daarmee een gemeenschapsschuld is. Voor zover de vrouw ter mondelinge behandeling in hoger beroep zich nog heeft beroepen op art. 7 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, dat sprake is van een negatief vermogen waardoor er niet verrekend hoeft te worden, gaat dit niet op. De vrouw heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de rekening-courantschuld voor rekening van de man komt, maar dit is onjuist gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft beslist.
Krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW geldt voor een gemeenschapsschuld in beginsel een gelijke draagplicht. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen mogelijk. Allereerst kunnen partijen ‘bij een overeenkomst die tussen echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap’ een andere draagplicht overeenkomen. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Verder kan in geval van een ‘negatieve’ boedel op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid sprake zijn van een draagplicht anders dan bij helfte (art. 1:100 lid 2 BW). Ook die situatie doet zich hier niet voor. Ten slotte kan sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de toepassing van de hoofdregel van een draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Volgens de vrouw is hiervan sprake, zo is het hof tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep gebleken. De vrouw heeft echter geen bijzondere omstandigheden genoemd die tot het oordeel kunnen leiden dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden een andere draagplicht dan een draagplicht bij helfte voortvloeit. De niet onderbouwde (en door de man weersproken) stelling dat de rekening-courant schuld is ontstaan als gevolg van een drank- en nicotineverslaving van de man, alsook door bestedingen van de man aan (vis)vakanties en dure auto’s, is daartoe – wat daarvan ook zij – ontoereikend.
Uit het voorgaande volgt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer B.V. van € 339.751,--. Aldus zal het hof bepalen. De grieven 1 en 2 van de man slagen. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
De waarde van de aandelen in [naam] Beheer BV (grief 3, 4 en 5 man)
De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de aandelen in de vennootschap [naam] Beheer B.V. aan hem worden toegedeeld voor een bedrag van € 213.830,-- onder vermindering van een aanmerkelijk belang claim van 26,9%. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, kort gezegd omdat de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV door de rechtbank is aangemerkt als een privéschuld van de man. Daarom was aan zijn zijde sprake van een negatief vermogen, als bedoeld in art. 7 lid 3 van de huwelijkse voorwaarden, zodat afrekening (van de waarde van de aandelen) achterwege diende te blijven.
Hiertegen keren zich de grieven 3, 4 en 5 van de man. De man verzoekt in hoger beroep alsnog zijn inleidend verzoek toe te wijzen en te bepalen dat de aandelen in [naam] Beheer BV aan hem worden toegedeeld voor een bedrag van € 213.830,-- onder vermindering van een aanmerkelijk belang claim van 26,9%.
De vrouw heeft de grieven weersproken.
Het hof oordeelt als volgt. In het verlengde van de grieven 1 en 2, slagen ook de grieven 3, 4 en 5 van de man. Van een negatief vermogen aan de zijde van de man is geen sprake gelet op hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen over de rekening-courantschuld aan [naam] Beheer BV. Niet in geschil is dat de aandelen in [naam] Beheer BV een waarde vertegenwoordigen van € 213.830,-- onder vermindering van een aanmerkelijk belang claim van 26,9%. De aanmerkelijk belang claim berekent het hof dan op € 57.520,27. Dit betekent dat de man, op grond van art. 7 lid 5 van de huwelijkse voorwaarden, gehouden is om een bedrag van € 156.309,73 (213.280 -/- 57.520,27) in te brengen in de huwelijksgemeenschap (van toedeling is immers geen sprake gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de huwelijkse voorwaarden). Het hof zal het inleidend verzoek van de man alsnog toewijzen. Hetgeen de vrouw in eerste aanleg nog naar voren heeft gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden.
Schuld van € 53.726,-- aan [naam] Beheer BV (grief 1 vrouw)
De man heeft aan de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de schuld aan [naam] Beheer BV van € 53.726,--. Dat verzoek is toegewezen. De rechtbank heeft daartoe in rov. 2.8 van de bestreden eindbeschikking van 15 mei 2024 het volgende overwogen:
“Tenslotte heeft de man nog de schuld van partijen aan de vennootschap [naam] Beheer B.V. ten bedrage van € 53.726,- genoemd. De vrouw heeft het bestaan en de hoogte van deze schuld op zichzelf niet betwist. Wel stelt ze dat de man hiervoor verantwoordelijk is, maar dat heeft zij onvoldoende onderbouwd. De schuld en de omvang ervan staan hiermee vast. Deze schuld ziet de rechtbank als een gezamenlijke schuld van partijen aan de BV. Deze schuld valt hiermee dus in de gemeenschap van goederen. Ingevolge artikel 1:100 BW zijn partijen hiervoor bij helfte draagplichtig. Nu door de vrouw niet is gesteld en evenmin is gebleken dat een draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, kan de door de man ten aanzien van deze schuld gedane vordering worden toegewezen.”
Hiertegen keert zich grief 1. De vrouw verzoekt in hoger beroep het inleidend verzoek van de man over de draagplicht van de schuld van € 53.726,-- alsnog af te wijzen.
Ter toelichting op haar grief voert zij aan dat de schuld van € 53.726,-- niet tot de gemeenschap van goederen behoort. Net als de rekening-courantschuld is er sprake van een schuld die op grond van art. 1 sub a van de huwelijkse voorwaarden is verbonden aan de aandelen van de man in [naam] Beheer BV en daarom buiten de gemeenschap van goederen valt. De schuld ziet op de Volvo XC90 die de man in 2006 met zijn onderneming [naam] Beheer BV heeft gekocht en vervolgens vanwege fiscale redenen in privé van zijn onderneming heeft overgenomen. Hij heeft daarvoor niet betaald. Bij de vennootschap is dit in de balans opgenomen bij ‘niet verzonden factuur’. De Volvo XC90 is in 2008 door de man verkocht. De vrouw heeft geen enkele bemoeienis gehad met de aanschaf van de auto, alsook niet met de overname van de auto in privé en de latere verkoop ervan. De man deed dit allemaal alleen en informeerde haar pas als de beslissing al genomen was. Het is daarom onredelijk wanneer zij draagplichtig is voor deze schuld. Partijen zijn bewust op huwelijkse voorwaarden gehuwd omdat zij de bedrijvigheid en zeggenschap over de onderneming van de man, waartoe ook de aanschaf van zakelijke auto’s hoort, hebben willen uitsluiten van de huwelijksgemeenschap. De man kan deze schuld dan ook niet op de vrouw afwentelen.
De man voert hiertegen het volgende aan. De vrouw was volledig op de hoogte van de gang van zaken rondom de Volvo XC90. Uit hetgeen zij aanvoert blijkt dat zij wist dat de auto een fiscale bijtelling had en dat de auto van de holding naar privé werd overgebracht om de fiscale bijtelling op te heffen, hetgeen in het belang was voor het gezinsinkomen. De overnamesom zijn partijen tot op heden schuldig gebleven aan [naam] Beheer BV. Dit komt omdat de vennootschap nooit een factuur voor de overname van de auto naar partijen heeft verzonden. Nu er op grond van art. 1 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen een gemeenschap van goederen bestaat, is er sprake van een gemeenschapsschuld waarvoor beiden partijen draagplichtig zijn.
Het hof overweegt als volgt.
Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervóór heeft overwogen in rov. 6.1.1 tot en met 6.1.5 over de rekening-courantschuld, behoort de schuld van € 53.726,--, waarvan tussen partijen niet in geschil is dat die verband houdt met de privéovername van de Volvo XC90, tot de (ontbonden) gemeenschap van goederen. Derhalve is er sprake van een gemeenschapsschuld. Daarvoor geldt krachtens de hoofdregel van art. 1:100 BW in beginsel een gelijke draagplicht. Voor zover de vrouw aldus moet worden begrepen dat zij zich erop beroept dat een draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, faalt dit beroep. De door haar gestelde feiten en omstandigheden zijn door de man betwist en voor zover dat niet het geval is, zijn die feiten en omstandigheden niet zodanig uitzonderlijk dat verdeling van de draagplicht bij helfte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid jegens de vrouw onaanvaardbaar zou zijn. De grief faalt.
7 De slotsom
in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
De man heeft in het petitum onder 5 een bepaalde wijze van verdeling verzocht die - zo begrijpt het hof - impliceert dat schulden dienen te worden toegedeeld aan de man en de vrouw de man daarvoor dient te compenseren. Het hof kan evenwel slechts de draagplicht voor schulden vaststellen. Met inachtneming hiervan zal het hof beslissen zoals hierna in het dictum is bepaald.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn.
8 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 15 mei 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de vrouw voor de helft draagplichtig is voor de rekening-courantschuld van € 339.751,-- aan [naam] Beheer BV;
bepaalt dat de man de waarde van de aandelen in [naam] Beheer BV, die het hof heeft berekend op € 156.309,73, dient in te brengen in de huwelijksgemeenschap van partijen en stelt vast dat de vrouw op grond hiervan bij de finale verrekening een vordering heeft op de man groot € 78.154,86;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en M.J. van Laarhoven, en is op 27 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.