Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 13 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3263Zaaknummer 200.352.073_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.352.073_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Partneralimentatie, bruidsgave Iran, verdiencapaciteit.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 9 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, G.J. Vossestein en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen als griffier, en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De feiten
  4. 4 De omvang van het geschil
  5. 5 De motivering van de beslissing
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: 200.352.073/01

zaaknummer rechtbank: C/03/326773 / FA RK 24-306

beschikking van de meervoudige kamer van 13 november 2025

inzake

[de man],

woonplaats kiezende op het kantooradres van zijn advocaat,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A. Taheri-Bhajan te [plaats],

tegen

[de vrouw],

wonende te [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A. Hashem Jawaheri te [plaats].

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg ( [plaats]) van 9 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 10 maart 2025 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 22 april 2025 een verweerschrift ingediend.

2.3.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een V6-formulier met bijlagen namens de man van 26 juni 2025 (productie 30);

- een V8-formulier met bijlagen namens de man van 1 juli 2025 (productie 31).

2.4.

De mondelinge behandeling heeft op 4 juli 2025 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

  • de man (via een online verbinding), bijgestaan door zijn advocaat en door een tolk, de heer R. Mir (via een online verbinding);
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, de heer S. Rezaie.
2.5.

De vrouw heeft nadien nog ingediend, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling, een e-mailbericht van 8 juli 2025 met bijlagen, te weten een vonnis van de rechtbank Limburg ( [plaats]) van 25 juni 2025 en een verklaring omtrent wisselkoersen in [land 1] van 10 juni 2025 van [naam].

De reactie van de man op deze stukken is op 11 augustus 2025 ter griffie ontvangen.

2.6.

Partijen hebben zich op de mondelinge behandeling bereid verklaard om een mediationtraject te volgen. Het mediationtraject is echter niet gestart.

Partijen hebben bij berichten van 3 september 2025 (de vrouw) respectievelijk 8 september 2025 (de man) aan het hof verzocht om uitspraak te doen.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 3 maart 2002 in [land 1] met elkaar in het huwelijk getreden. Het huwelijk van partijen is op 26 november 2023 in [land 1] ontbonden door echtscheiding.

3.2.

Partijen zijn de ouders van:

- [kind 1], geboren op [geboortedag] 2003;

- [kind 2], geboren op [geboortedag] 2006.

3.3.

De rechtbank heeft bij voornoemd vonnis van 25 juni 2025 beslist op de vordering van de vrouw om de man te veroordelen om aan haar over te dragen 2.500 volledige Bahar Azadi gouden munten, of het equivalent daarvan in euro’s, zijnde een bedrag van € 1.266.750,-. De vordering is afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg verzocht om een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) van € 1.416,- bruto per maand. De man heeft verzocht te bepalen dat de door hem te bepalen partneralimentatie op nihil dient te worden gesteld.

4.2.

De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de man met ingang van 9 december 2024 € 1.416,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.3.

De man verzoekt in hoger beroep, zoals nader toegelicht bij de mondelinge behandeling, om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • primair: de partneralimentatie te verlagen dan wel op nihil te stellen, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht;
  • subsidiair: de partneralimentatie te verlagen, althans een regeling vast te stellen die het hof juist acht;
  • primair en subsidiair: kosten rechtens.
4.4.

De grieven van de man zien op zijn draagkracht en op de behoeftigheid van de vrouw.

4.5.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt om de verzoeken van de man in hoger beroep af te wijzen en de man te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

De man en de vrouw hebben zowel de Iraanse als de Nederlandse nationaliteit.

5.2.

Omdat de vrouw in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 sub b van de Alimentatieverordening (Verordening (EG) nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

5.3.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Ingangsdatum

5.4.

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum (9 december 2024) is niet in geschil.

Hoogte van de behoefte vrouw

5.5.

De behoefte van de vrouw aan de door haar verzochte partneralimentatie is niet in geschil en staat daarmee vast. Deze bedraagt € 4.426,- per maand (2024). Na indexatie bedraagt de behoefte van de vrouw in 2025 € 4.714,- per maand.

Behoeftigheid

5.6.

Het hof zal eerst de tweede en derde grief van de man behandelen. Deze grieven zien op de behoeftigheid van de vrouw.

5.7.

De man voert ter toelichting op zijn grieven het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het een gezamenlijke beslissing van partijen is geweest dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en dat het voor haar lastig is om op korte termijn een baan te vinden om (voor een substantieel deel) in haar eigen behoefte te voorzien (tweede grief). Het is destijds een keuze van de vrouw geweest om niet te werken, zelfs niet toen de kinderen ouder werden. Het wordt binnen de rechtspraak steeds vaker aangenomen dat een alimentatiegerechtigde een eigen verantwoordelijkheid heeft om (op termijn) in het eigen levensonderhoud te voorzien, ook wanneer sprake is geweest van een traditioneel huwelijk. De vrouw heeft niet concreet aangetoond dat zij zich inspant om werk te vinden. Zij had al sinds 2019 een cursus Nederlands kunnen volgen.

Er dient rekening te worden gehouden met een verdiencapaciteit van minimaal het minimumloon, aldus de man.

Ten onrechte heeft de rechtbank ook geen rekening gehouden met het aandeel van de vrouw in de opbrengst van de verkoop van de echtelijke woning (derde grief). De financiële positie van de vrouw is wel degelijk relevant. Het aandeel van de vrouw in de opbrengst van de woning stelt haar in staat om, al dan niet tijdelijk, in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

Het is daarnaast van belang om de procedure over de bruidsgave af te wachten, zodat kan worden vastgesteld of de vrouw in Nederland recht heeft op een bedrag. De vrouw heeft immers beslag laten leggen op de bankrekening van de man voor een bedrag van € 115.398,68, afkomstig uit het aandeel van de man in de verkoop van de woning.

5.8.

De vrouw voert het volgende aan. Er kan pas rekening worden gehouden met een inkomen aan haar zijde vanaf het moment dat zij redelijkerwijs in staat kan worden geacht om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Hiervoor moet ten minste een termijn worden geboden. De vrouw wilde aanvankelijk niet scheiden en zij heeft een moeilijke tijd achter de rug. Het is voor haar moeilijk geweest om alles te regelen en een woning te vinden. De vrouw heeft tijdelijk in hotels moeten verblijven en veel geld moeten uitgeven, terwijl de man geen verhaal bood. De vrouw heeft altijd voor de kinderen gezorgd en zij was afhankelijk van de man. De man heeft nooit gewild dat de vrouw zou werken. De vrouw is nu aan het leren hoe de Nederlandse maatschappij werkt.

De kinderen wonen weer bij de vrouw. De vrouw wil een goede taalcursus gaan volgen, zodat zij haar verdiencapaciteit kan gaan benutten. Zij is goed opgeleid. In [land 1] heeft zij gewerkt als voedingsingenieur in de industrie.

Het is onredelijk om van de vrouw te verwachten dat zij inteert op haar vermogen.

De vordering met betrekking tot de bruidsgave kan niet gelijk worden gesteld aan het onderhavige verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.

De vrouw heeft in [land 1] recht op de bruidsgave, maar in feite ontvangt zij niets van de man.

5.9.

Het hof oordeelt als volgt. Gelet op de leeftijd van de vrouw (nog maar begin vijftig) en gelet op de huidige gunstige situatie op de arbeidsmarkt, is het hof van oordeel dat de vrouw in staat moet worden geacht om (gedeeltelijk) in haar eigen levensonderhoud te voorzien. De kinderen van partijen zijn inmiddels oud genoeg om op eigen benen te staan en er is geen noodzaak gesteld of gebleken dat de vrouw voor hen dient te zorgen. Van de vrouw mag worden verwacht dat zij ten minste het minimumloon zal verdienen. In zoverre slaagt de grief van de man.

Een eventuele taalachterstand hoeft daar niet aan in de weg te staan, aangezien er in de huidige arbeidsmarkt voldoende banen beschikbaar zijn waarbij er (ook) Engels wordt gesproken. Gelet op het feit dat de vrouw tijdens het huwelijk niet heeft gewerkt en zij zich jarenlang niet heeft begeven op de arbeidsmarkt, zal het hof de verdiencapaciteit van de vrouw niet hoger inschatten dan het minimumloon. Ook wordt de vrouw nog een korte termijn gegund om een baan te vinden. Met ingang van 1 februari 2026 wordt dan uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw op het niveau van het minimumloon.

5.10.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de vrouw met ingang van 1 februari 2026 in staat moet worden geacht om een netto besteedbaar inkomen (NBI) te genereren van € 2.411,- per maand. Het hof is bij de berekening van dit bedrag uitgegaan van een minimumloon van € 14,40 per uur en een werkweek van 40 uur per week (zie aangehechte berekening).

Er resteert dan een netto behoefte van (€ 4.714 - € 2.411 =) € 2.303,- per maand. Het hof heeft gerekend met de tarieven van 2025. Het hof zal in de overwegingen hierna vaststellen wat dit betekent voor een door de man te betalen bijdrage.

5.11.

Het is verder vaste rechtspraak dat naar alle mogelijke inkomsten van partijen wordt gekeken, derhalve ook naar mogelijke inkomsten uit vermogen (zie HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1335). Er is echter niet gesteld of gebleken dat de vrouw inkomen heeft uit haar vermogen.

5.12.

Waar de man heeft gesteld dat de vrouw dient in te teren op haar vermogen kan dit in de gegeven omstandigheden, waarbij de vrouw haar leven op orde probeert te krijgen, in redelijkheid niet van haar worden verwacht. Het hof gaat ervan uit dat de vrouw deze gelden nodig heeft (gehad) voor de kosten die gepaard zijn gegaan met het vinden van een nieuwe woning en de eventuele inrichting daarvan. De derde grief van de man slaagt op grond van het voorgaande niet.

Bruidsgave

5.13.

De man voert ter toelichting op zijn eerste grief (waar deze zijn draagkracht betreft) het volgende aan. Ten onrechte heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de door de man gestelde periodieke betaling van de bruidsgave aan de vrouw, te weten één gouden munt per vier maanden (eerste grief).

De rechtbank heeft immers onderkend dat de man in het kader van de bruidsgave al een bedrag van € 30.000,- (ineens) aan de vrouw heeft betaald. Dit verhoudt zich niet met de overweging van de rechtbank dat de vrouw die betaling betwist. De man lost naast de eerdere betaling van € 30.000,- één gouden munt per vier maanden aan de vrouw af. Deze financiële verplichting is van invloed op de draagkracht van de man en is relevant voor de vaststelling van de hoogte van de alimentatie.

De man voldoet een bedrag tussen de € 700,- en € 800,- per vier maanden, omgerekend naar euro’s. Het gegeven dat de waarde van een gouden munt fluctueert, kan geen reden zijn om geen rekening te houden met de verplichting van de man.

Dat de man aan zijn verplichting voldoet, blijkt uit de betalingsbewijzen die hij in het geding heeft gebracht.

5.14.

De vrouw voert het volgende aan. Een betalingsverplichting uit hoofde van de bruidsgave kan niet gelijk worden gesteld met een betalingsverplichting voor de kosten van levensonderhoud. Deze verplichting kan ook niet rechtstreeks in mindering worden gebracht op de draagkracht van de man. De man dient op zijn minst aan te tonen wat de hoogte is van deze verplichting, daargelaten nog dat hij zijn verplichting niet nakomt.

De vrouw heeft in Nederland geen mogelijkheden om de man aan zijn verplichting te houden. De vrouw is een procedure gestart bij de rechtbank, maar haar vordering is bij vonnis van 25 juni 2025 door de rechtbank afgewezen. De vrouw is voornemens om hoger beroep in te stellen. De vrouw heeft beslag laten leggen op een Nederlandse rekening van de man voor een bedrag van circa € 110.000,-. De man heeft dit bedrag ontvangen uit hoofde van de verkoop van de woning.

De bruidsgave, te weten 2.500 gouden munten, vertegenwoordigt een waarde van in totaal € 1.266.750,-. Van het bedrag dat de man stelt te betalen kan de vrouw geen gouden munt kopen. De man hanteert een te gunstige koers, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 70,- per munt in plaats van een bedrag tussen € 700,- en € 800,- die de man stelt te betalen en welk bedrag ook niet juist is. Tot enige gelden die op een derdenrekening in [land 1] worden gestort heeft de vrouw geen toegang.

5.15.

Het hof overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de man in [land 1] een betalingsverplichting heeft uit hoofde van de bruidsgave ter hoogte van 2.500 gouden munten. De man stelt dat hij € 700,- of € 800,- per kwartaal, aldus € 200,- per maand aflost op deze schuld. De vrouw betwist dit. Ook als het hof de stellingen van de man op dit punt zou volgen, concludeert het hof dat de man rekening houdend met deze schuld nog steeds voldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte onderhoudsbijdrage te voldoen, gelet op het oordeel van het hof ten aanzien van het inkomen van de man, zoals hierna wordt overwogen. Reeds op grond hiervan kan de grief van de man niet slagen.

5.16.

Voor zover de man met zijn eerste grief heeft willen betogen dat de behoeftigheid van de vrouw dient te worden verlaagd in verband met de betalingen die de man in het kader van de bruidsgave voldoet, overweegt het hof als volgt.

5.17.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij eenmaal € 30.000,- heeft voldaan en vervolgens telkens één gouden munt per vier maanden aan de vrouw aflost, verwijst de man in zijn beroepschrift naar productie 20. Deze productie bestaat uit twee (vertalingen van) documenten, waaruit kan worden afgeleid dat er op 16 maart 2024 twee betalingen zijn gedaan, te weten een bedrag van 263.300.000 Rial en een bedrag van 7.290.300.000 Rial. Uit deze documenten is echter niet af te leiden door wie deze betalingen zijn gedaan. Evenmin kan uit deze stukken worden afgeleid dat deze betalingen betrekking hebben op de bruidsgave en op welke periode c.q. termijn.

5.18.

De man heeft daarnaast in eerste aanleg een (vertaling van een) document in het geding gebracht (te weten bijlage 17 bij productie 28) waarin door de ‘Justice Department General, [regio] ’ wordt verklaard dat de man op 19 november 2023 een bedrag van 5.500.000.000 Rial en een bedrag van 475.000.000 Rial zou hebben voldaan aan ‘the judgment enforcement department’. Uit deze stukken, waarnaar de man overigens niet expliciet verwijst, kan het hof niet afleiden dat de man periodiek op de bruidsgave aflost.

Zelfs al zou het hof kunnen concluderen dat bovengenoemde betalingen zien op aflossingen van de man in het kader van de bruidsgave, dan heeft hij slechts aangetoond dat hij op 19 november 2023 en op 16 maart 2024 betalingen heeft gedaan. Dit is onvoldoende om hieruit te concluderen dat vanaf de ingangsdatum (9 december 2024) de man één gouden munt per vier maanden in het kader van de bruidsgave aflost en dat het gemiddelde van die aflossingen circa € 700,- per aflossing bedraagt.

Daar komt bij dat de vrouw stelt dat de man niet aan zijn betalingsverplichting voldoet. Ook heeft zij aangevoerd dat de gelden niet bij haar terecht komen. De man is daarop niet (gemotiveerd) ingegaan. Het hof zal daarom in het kader van de behoeftigheid van de vrouw geen rekening houden met een te ontvangen bruidsgave aan de kant van de vrouw, nu de man hiertoe (in het licht van de stelling van de vrouw) te weinig heeft aangevoerd. Dat staat nog los van de vraag of betaling van een bruidsgave in mindering zou moeten strekken op de aanvullende behoefte van de vrouw of dat deze betaling als een vermogensverschuiving moet worden gezien in het licht van de afwikkeling van de vermogensrechtelijke aspecten van het huwelijk.

Draagkracht van de man

Verwijtbaar inkomensverlies?

5.19.

In zijn vierde grief voert de man het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De rechtbank heeft de man ten onrechte een verdiencapaciteit toegekend ter hoogte van het laatstverdiende loon van de man bij [B.V.].

De man is na een dienstverband van dertien jaar ontslagen. Hij heeft dit niet zien aankomen. Uit de stukken volgt dat er sprake is van een gedwongen ontslag. De man heeft in het verleden zestien jaar in [land 1] gewerkt in de petroleumbranche en is toen naar Nederland gekomen waar hij in een vergelijkbare functie werkte. Het is voor hem niet makkelijk om een soortgelijke baan te vinden. De man is inmiddels [leeftijd] jaar en het werk waarin hij ervaring heeft, is risicovol. De man is teruggegaan naar [land 1]. Zo woont hij ook dichter bij zijn moeder, die alleen is. Hij geeft nu op free lance basis trainingen aan jongeren. Dit verdient een stuk minder, maar in [land 1] kan de man hiervan rondkomen. De man heeft niets meer in Nederland. De kinderen zijn het huis uit en reizen veel. De man verdient gemiddeld € 565,- per maand, hetgeen volgt uit de door hem overgelegde loonstroken. Aangezien de man ook kinderalimentatie dient te betalen, blijven er geen gelden over om een onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen.

5.20.

De vrouw voert het volgende aan. Uit niets blijkt dat er sprake is van een gedwongen ontslag. Het had op de weg van de man gelegen om een vaststellingsovereenkomst over te leggen.

De man heeft weliswaar de vrijheid om elders te wonen en te werken, maar dit ontslaat hem niet van zijn verplichting om aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud te voldoen en daarbij zijn verdiencapaciteit volledig te benutten. De man heeft bovendien niet deugdelijk gemotiveerd waarom hij de keuze heeft gemaakt om aanzienlijk minder te verdienen. Het lijkt erop dat de man deze keuze slechts heeft gemaakt om zich aan zijn onderhoudsverplichting te onttrekken.

De vrouw heeft ook twijfels bij de door de man gestelde inkomensterugval. De man is namelijk nog wel in staat om grote bedragen aan de kinderen over te maken. Volgens de vrouw verblijft de man niet in [land 1], maar verblijft hij in de [land 2]. De vrouw heeft vernomen dat de man in [plaats 2] zou werken. De vrouw heeft zes jaar geleden een verzoek ingediend ter verkrijging van de bruidsgave en de man heeft destijds al aangegeven dat de vrouw niets van de man zal ontvangen.

5.21.

Het hof overweegt als volgt. Het staat de man vrij om te verhuizen naar een ander land. Dit ontslaat hem echter niet van de verplichting om in het onderhoud van de vrouw te voorzien.

Daargelaten of er aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies is het hof van oordeel dat het inkomen van de man voor herstel vatbaar is. Voor zover de man heeft aangegeven dat dit niet mogelijk is, heeft hij op geen enkele wijze laten zien dat hij zich hiertoe heeft ingespannen. Het is aan de man om te stellen en die stelling met onderliggende stukken, zoals sollicitatiebewijzen, te onderbouwen dat hij er alles aan heeft gedaan om zijn inkomen op het oude niveau terug te krijgen. De man heeft dit nagelaten, hetgeen voor zijn rekening en risico komt.

Dit alles maakt dat de grief van de man niet kan slagen.

5.22.

Het hof zal daarom de berekening van de rechtbank volgen. De rechtbank heeft het NBI van de man berekend op een bedrag van € 7.779,- per maand. Hieruit volgt dat de man een totale draagkracht heeft van € 2.505,- per maand. Op deze draagkracht dient de onderhoudsbijdrage die de man aan [kind 2] moet betalen in mindering te worden gebracht. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de man € 870,- per maand aan [kind 2] dient te betalen zijn immers geen grieven gericht.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, resteert een draagkracht van € 1.635,- per maand om aan een eventuele onderhoudsplicht ten behoeve van de vrouw te voldoen.

5.23.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen heeft de vrouw nog steeds behoefte aan de door haar in eerste aanleg verzochte bijdrage van € 1.416,- bruto per maand, ook indien er met ingang van 1 februari 2026 wordt uitgegaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Verder volgt uit het voorgaande dat de man in staat is om die bijdrage te betalen. Het hoger beroep leidt derhalve niet tot een andere beslissing.

5.24.

Tot slot passeert het hof het bewijsaanbod van de man, omdat hij onvoldoende concreet heeft aangegeven op welke stelling het bewijsaanbod betrekking heeft.

Concluderend

5.25.

Het hof zal de bestreden beschikking van de rechtbank, voor zover deze in hoger beroep aan het oordeel van het hof voorligt, bekrachtigen.

Proceskosten

5.26.

Het verzoek van de vrouw om de man in de proceskosten te veroordelen is niet onderbouwd. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen als voormalig echtelieden compenseren.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 9 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, G.J. Vossestein en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door mr. C.E.M. Geertsma-van Ooijen als griffier, en is op 13 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.