Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3095Zaaknummer 200.358.489_01 en 200.359.634_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
22 oktober 2026
Zaaknummer
200.358.489_01 en 200.359.634_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in een eenzijdig verzoek tot echtscheiding. In hoger beroep wordt alsnog een door partijen ondertekend ouderschapsplan en echtscheidingsconvenant overgelegd. Het hoger beroep heeft een herstelfunctie van een verzuim in eerste aanleg. De echtscheiding tussen partijen wordt in hoger beroep alsnog door het hof uitgesproken.

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2025;

en opnieuw rechtdoende:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 2 oktober 2015 te [plaats];

bepaalt dat hetgeen partijen zijn overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en G.M. Goes en is op 6 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 6 november 2025

Zaaknummers: 200.358.489/01 en 200.359.634/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/429800 / FA RK 24-5867

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw],

briefadres houdende [adres],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.A.E. van Poppel,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats]

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. W.H.A. de Koning.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2025, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen ten aanzien van de niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw en, opnieuw rechtdoende:

  • tussen partijen, op 2 oktober 2015 te [plaats] met elkaar gehuwd, de echtscheiding uit te spreken;
  • te bepalen dat het door partijen overeengekomen ouderschapsplan integraal deel uitmaakt van de af te geven beschikking en aan de beschikking te hechten;
  • te bepalen dat het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant integraal deel uitmaakt van de af te geven beschikking en aan de beschikking te hechten.

Kosten rechtens.

2.2.

Het hof heeft in deze zaak verder kennisgenomen van:

  • het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de man op 29 augustus 2025;
  • het V9-formulier met als bijlage een referteverklaring, ingediend door de advocaat van de man op 6 oktober 2025.
2.3.

Er heeft geen mondelinge behandeling in hoger beroep plaatsgevonden.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 2 oktober 2015 te [plaats] gehuwd.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats];
  • [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats],

(hierna ook: de kinderen).

3.3.

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om tussen partijen de echtscheiding uit te spreken.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.

3.5.

De rechtbank heeft dit oordeel als volgt gemotiveerd:

“4.3. De rechtbank stelt vast dat geen - wettelijk voorgeschreven - ouderschapsplan is overgelegd. Ook kan op basis van hetgeen is aangevoerd in de stukken niet worden beoordeeld of partijen pogingen hebben ondernomen, en zo ja welke pogingen, om tot een ouderschapsplan te komen. Partijen hebben slechts verzoeken gedaan tot uitstel voor het indienen van een ouderschapsplan, maar zij hebben de rechtbank niet nader geïnformeerd over de aard en omvang van de onderhandelingen tussen hen. Eventuele andere stukken, in de zin van het bepaalde in lid 6 van artikel 815 Rv, zijn niet in het geding gebracht. Partijen zijn ook niet verschenen op de geplande mondelinge behandeling om uitleg te geven over de wijze waarop zij dan invulling willen gaan geven aan het voortgezet ouderschap na echtscheiding. De rechtbank kan gelet op het voorgaande mitsdien niet vaststellen waarom een ouderschapsplan redelijkerwijs niet overgelegd kan worden. Nu verder ook iedere andere informatie ontbreekt, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in een ouderschapsregeling als bedoeld in artikel 815 lid 6 Rv te voorzien”.

3.6.

De vrouw kan zich met deze beslissing van de rechtbank niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

De vrouw voert in het beroepschrift aan dat partijen na de procedure in eerste aanleg verder met elkaar in gesprek zijn gegaan en dat zij uiteindelijk algehele overeenstemming hebben bereikt over de afwikkeling van de echtscheiding. Partijen hebben deze afspraken in een echtscheidingsconvenant vast laten leggen. Van dit echtscheidingsconvenant maakt deel uit een door partijen ingevuld en ondertekend ouderschapsplan. De vrouw verzoekt de inhoud van de door partijen getroffen regelingen op te nemen in een beschikking.

3.8.

Uit de bijlage bij genoemd V6-formulier van 29 augustus 2025 volgt dat de man instemt met het verzoek van de vrouw om het echtscheidingsconvenant en het ouderschapsplan aan de door het hof af te geven beschikking te hechten. Verder heeft de man daarin aan het hof medegedeeld dat de door de vrouw in hoger beroep overgelegde stukken de stukken zijn zoals partijen deze hebben ondertekend.

3.9.

Uit de door de man op 6 oktober 2025 overgelegde referteverklaring volgt dat de man zich niet verzet tegen de door de vrouw in hoger beroep gedane verzoeken.

Verder volgt hieruit dat de man zich er evenmin tegen verzet dat door de rechter de in de stukken genoemde nevenvoorzieningen worden getroffen.

De man verklaart geen verweer te zullen voeren en heeft er geen bezwaar tegen dat het hof, zonder mondelinge behandeling, beslist op de verzoeken van de vrouw in hoger beroep.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht

3.10.1.

Deze zaak heeft internationale aspecten. Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 lid 1 sub a onder 1 van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) rechtsmacht ter zake van de echtscheiding.

3.10.2.

Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is de Nederlandse rechter bevoegd.

Toepasselijk recht

3.10.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijke Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding.

3.10.4.

Op de in het ouderschapsplan door partijen overeengekomen afspraken met betrekking tot de kinderen is ingevolge artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (Trb. 1997, 299) Nederlands recht van toepassing.

Het wettelijk kader

3.10.5.

Ingevolge artikel 1:151 BW is voor een echtscheiding op verzoek van één der echtgenoten vereist dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

3.10.6.

Volgens het bepaalde in artikel 815 lid 2 sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevat een verzoekschrift tot echtscheiding een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan. Kan een ouderschapsplan redelijkerwijs niet worden overgelegd dan kan volgens artikel 815 lid 6 Rv worden volstaan met overlegging van andere stukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter.

De inhoudelijke beoordeling

3.10.7.

Vast staat dat de vrouw, in weerwil van het in artikel 815 lid 2 sub a Rv opgenomen vereiste, ook nadat zij daartoe meermaals door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld, in eerste aanleg geen ouderschapsplan bij het verzoek tot echtscheiding heeft overgelegd.

3.10.8.

Het hof constateert dat de vrouw als productie 1 bij het beroepschrift in hoger beroep alsnog een door partijen op 13 augustus 2025 ondertekend ouderschapsplan heeft overgelegd. Dit ouderschapsplan maakt als bijlage 1 deel uit van een door partijen opgesteld en ondertekend echtscheidingsconvenant. Het hoger beroep strekt er mede toe om omissies in de eerste aanleg te herstellen. Het hof is van oordeel dat, doordat de vrouw in hoger beroep alsnog een gemeenschappelijk ouderschapsplan heeft overgelegd, het verzuim in hoger beroep is hersteld (vgl. gerechtshof Amsterdam 24 januari 2017, ECLI:NL:GHAMS: 2017:181). Daarmee is alsnog voldaan aan het in artikel 815 lid 2 sub a Rv opgenomen vereiste. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding.

3.10.9.

Uit het door de vrouw overgelegde door partijen op 13 augustus 2025 ondertekende echtscheidingsconvenant volgt dat partijen het erover eens zijn dat hun huwelijk duurzaam is ontwricht en dat partijen wensen dat hun huwelijk door echtscheiding wordt ontbonden.

Verder volgt uit de door de man op 6 oktober 2025 overgelegde referteverklaring dat de man zich niet tegen de door de vrouw in hoger beroep gedane verzoeken verzet. Deze verzoeken bevatten onder meer het verzoek tot het uitspreken van de echtscheiding tussen partijen.

Het hof zal derhalve het verzoek van de vrouw tot echtscheiding, als op de wet gegrond, toewijzen.

3.10.10.

Het hof zal verder, overeenkomstig het verzoek van de vrouw waarmee de man heeft ingestemd en waar hij blijkens genoemde referteverklaring uitdrukkelijk geen verweer tegen heeft gevoerd, het door partijen opgestelde en op 13 augustus 2025 ondertekende echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan aan deze beschikking hechten en bepalen dat de inhoud daarvan als in deze beschikking herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

3.11.

Op grond van het voorgaande zal het hof beslissen als hierna onder 4 vermeld.

3.12.

Het hof zal – gelet op de aard van de zaak – de proceskosten in hoger beroep compenseren.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 26 juni 2025;

en opnieuw rechtdoende:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen gehuwd op 2 oktober 2015 te [plaats];

bepaalt dat hetgeen partijen zijn overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve voor zover het de echtscheiding betreft;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, C.M.J. Peters en G.M. Goes en is op 6 november 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.