Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 6 november 2025
ECLI:NL:GHSHE:2025:3094Zaaknummer 200.358.164_01
- Instantie
- Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 6 november 2025
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.358.164_01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging uithuisplaatsing. Aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan. Positieve ontwikkelingen aan de zijde van de moeder en de minderjarige zijn nog te prematuur om tot terugplaatsing over te kunnen gaan.
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitgesproken op 8 juli 2025 en op schrift gesteld op 22 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, A.M. Bossink en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 6 november 2025
Zaaknummer: 200.358.164/01
Zaaknummer 1e aanleg: C/03/342000 / JE RK 25-865
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats 1], gemeente [gemeente 1],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio [regio], locatie [locatie],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over [kind] (hierna: [kind] ),
geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats].
Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:
Stichting Bureau Jeugdzorg [regio],
gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [plaats],
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
[de vader],
wonende te [woonplaats 2], gemeente [gemeente 2],
hierna te noemen: de vader.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitgesproken onder voormeld zaaknummer op 8 juli 2025 en op schrift gesteld op 22 juli 2025.
2 Het geding in hoger beroep
Bij beroepschrift met bijlages, ingekomen ter griffie op 15 augustus 2025, heeft de moeder verzocht, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor wat betreft de daarbij verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders moederszijde (mz) en, opnieuw rechtdoende, het daartoe verstrekkende verzoek van de raad alsnog af te wijzen.
Er is geen verweerschrift ingekomen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Hermans;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger raad];
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger GI];
- de vader.
Het hof heeft [kind] in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. De GI heeft ter mondelinge behandeling toegelicht dat dit verzoek niet aan [kind] is voorgelegd op advies van zijn traumabehandelaar, om hem nu niet verder te belasten.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het procesdossier van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2025 en 21 augustus 2025;
- nadere ingediende stukken van de zijde van de moeder en door de rechtbank ontvangen op 4 juli 2025, ingekomen ter griffie van het hof op 25 augustus 2025;
- de brief van de GI van 2 oktober 2025.
3 De beoordeling
De feiten
Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is [kind] geboren.
De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [kind] uit.
[kind] verblijft bij de grootouders (mz).
De procedure in eerste aanleg
De raad heeft de rechtbank verzocht om [kind] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van één jaar. Verder heeft de raad de rechtbank verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] in het netwerkpleeggezin van de grootouders (mz) te verlenen, voor de duur van negen maanden.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank:
- [kind] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van één jaar, met ingang van 8 juli 2025 tot 8 juli 2026;
- een machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] verleend in een voorziening voor pleegzorg in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (mz), voor de duur van negen maanden, met ingang van 8 juli 2025 tot 8 april 2026.
De procedure in hoger beroep
De moeder kan zich met de beslissing van de rechtbank – voor wat betreft de uithuisplaatsing van [kind] – niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
De moeder voert – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [kind] noodzakelijk is om hem uit huis te plaatsen. Vanaf maart 2025 is er sprake van een wijziging van omstandigheden waardoor [kind] onmiddellijk thuis kan worden geplaatst. Aan de jarenlange fysieke en verbale mishandeling van de moeder door haar ex-partner is toen een einde gekomen. De ex-partner van de moeder zit in detentie. Er zijn inmiddels meerdere vormen van hulpverlening voor de moeder ingezet (waaronder Intensieve Thuisbegeleiding (ITB) en systeemtherapie van [zorginstantie 1], begeleiding door [zorginstantie 2] (WMO) en een bewind). De woningsluiting is door de gemeente ingetrokken. Ook staat de moeder bij de GGZ op de wachtlijst voor traumatherapie. Verder gebruikt zij geen drugs meer en is ze het gebruik van de Oxycodon onder begeleiding van de huisarts aan het afbouwen. De moeder heeft aangetoond dat ze hulpverlening accepteert en dat ze ook zelf proactief hulp zoekt. Daarbij komt dat [kind] reeds vanaf maart 2025 bij de grootouders (mz) verblijft, waardoor hij inmiddels de tijd en de ruimte heeft gehad om te herstellen. [kind] is vijf weken geleden met traumatherapie gestart. Met behulp van de regie van de gezinsvoogd dient te worden bekeken of de ontwikkelingsbedreiging van [kind] op een minder ingrijpende manier kan worden weggenomen. Er moet worden ingezet op het thuis houden van [kind] in plaats van op een uithuisplaatsing van [kind].
De rechtbank heeft [kind] ten onrechte bij de grootouders (mz) geplaatst. Deze plaatsing vormt een belemmering voor een terugplaatsing van [kind]. De GI heeft tot op heden niets ondernomen om het loyaliteitsconflict bij [kind] te verminderen. De GI heeft niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank om grondig te onderzoeken of het huidige netwerkpleeggezin wel een geschikte plek voor [kind] is. Er dient voorkomen te worden dat zijn loyaliteitsconflict zich verder ontwikkelt. De moeder vreest dat na afloop van de termijn van de huidige machtiging de uithuisplaatsing wordt verlengd. De moeder heeft nu één uur per week begeleide omgang met [kind]. De GI heeft de omgang tussen de moeder en [kind] nog steeds niet uitgebreid. De moeder krijgt daardoor niet de kans om de ITB volledig te benutten, te laten zien dat zij emotioneel beschikbaar is voor [kind] en/of dat [kind] voldoende hersteld is.
De raad voert tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De rechtbank heeft de beslissing op goede gronden genomen. Er is in de afgelopen periode veel gebeurd. De band tussen [kind] en de moeder is heel erg sterk, maar niet altijd even gezond. [kind] maakt zich zorgen om de moeder. De uithuisplaatsing van [kind] moet gecontinueerd worden maar wel met ‘de stip op de horizon’ dat [kind] in de toekomst onder veilige omstandigheden verder bij de moeder kan opgroeien. De huidige begeleide omgangsregeling tussen de moeder en [kind] van één uur per week is te beperkt. De verdere opbouw van die begeleide omgangsregeling moet met de behandelaren van [kind] worden afgestemd.
[kind] heeft ook een sterke (vertrouwens)band met de grootouders (mz). Indien [kind] elders wordt geplaatst dan houdt [kind] ook contact met de grootouders (mz) en de moeder. Het loyaliteitsconflict bij [kind] wordt daarmee niet opgelost. Wel dient voorkomen te worden dat de betrokken pleegzorgondersteuning te veel meegaat in het verhaal van de grootouders (mz). Het uitgangspunt is nog steeds dat het perspectief van [kind] bij de moeder ligt.
De GI voert – samengevat – het volgende aan.
Verschillende betrokkenen hebben waargenomen dat [kind] in zijn dagelijks functioneren heftig kan reageren op bepaalde triggers. Dit uit zich onder meer in paniekreacties, nachtelijk bedplassen en hevig transpireren. In die situaties worden de grootouders (mz) actief ingezet om [kind] gerust te stellen. Op 2 september 2025 is [kind] gestart met creatieve therapie gericht op traumaverwerking; dit doet veel met hem. [kind] vindt de therapie erg lastig en kan daardoor bozig reageren. Daarnaast heeft op 2 september 2025 een intake plaatsgevonden bij [naam] Jeugdhulp voor zowel een netwerkscreening als voor de inzet van pleegzorg-ondersteuning. De netwerkscreening is inmiddels afgerond, waarna de grootouders (mz) pleegzorgondersteuning ontvangen. De GI constateert dat de moeder zowel door grootouders (mz) als door de pleegzorgondersteuning en de behandelaren van [kind] buiten spel wordt gezet. De GI spant zich in om de ouders op dit punt meer op de voorgrond te zetten. Er vindt op dit moment eenmaal per week begeleide omgang tussen [kind] en de moeder plaats. De moeder wenst een uitbreiding van die omgang, maar [kind] geeft hierin wisselende signalen af. Bij de grootouders (mz) en de jeugdbeschermer geeft [kind] aan dat hij de huidige regeling prettig vindt, terwijl hij tegen de moeder zegt dat hij graag terug naar huis wil. Dit wijst op een loyaliteitsconflict bij [kind]. [kind] is enerzijds gehecht aan de grootouders (mz), maar wil anderzijds de moeder niet afwijzen. Daarbij komt dat het vertrouwen tussen de grootouders (mz) en de moeder momenteel beperkt is. Daardoor komt een constructieve samenwerking tussen hen vooralsnog niet tot stand. Ook kunnen de grootouders (mz) de omgang tussen [kind] en de moeder niet faciliteren. Het conflict tussen de grootouders (mz) en de moeder staat centraal, in plaats van het belang van [kind]. De GI heeft pleegzorgondersteuning ingezet om de dynamiek tussen de grootouders (mz) en de moeder nader te onderzoeken.
De moeder heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Vooralsnog stelt de moeder zich coöperatief op ten aanzien van de ingezette hulpverlening voor zowel [kind] als voor zichzelf. De moeder komt de afspraken met de GI en haar ambulante begeleiders van [zorginstantie 2] na. Er wordt door de GI gekeken naar de mogelijkheden om de begeleide omgang tussen de moeder en [kind] uit te breiden. Hierbij is leidend wat passend is voor [kind]. De huidige ITB kan een uitgebreidere omgangsregeling niet begeleiden. De GI is daarom op zoek naar een andere organisatie die de begeleiding van de omgang kan overnemen; de GI loopt hier echter tegen wachtlijsten aan. De hulpvragen van de moeder met betrekking tot haar persoonlijke doelen en over een eventuele terugplaatsing kunnen daarom nu nog niet beantwoord worden. Verder wordt door de GI ook gekeken naar omgang tussen de vader en [kind]. Op dit moment vindt er alleen digitaal contact tussen de vader en [kind] plaats.
Gezien de recente start van de ingezette hulpverlening en de nog kwetsbare situatie van [kind], is het op dit moment nog te vroeg om tot een terugplaatsing van [kind] bij de moeder over te gaan. Continuering van de huidige plaatsing, in combinatie met verdere therapie en begeleiding, is noodzakelijk om [kind] de benodigde stabiliteit en veiligheid te bieden. Vervolgens kan vanuit daar naar een terugplaatsing van [kind] bij de moeder worden gewerkt.
De vader voert tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan.
De vader heeft al vijf tot zes jaar geen fysiek contact met [kind] gehad. Het is voor [kind] goed dat hij nu bij de grootouders (mz) geplaatst is. Het uitgangspunt moet wel zijn dat [kind] uiteindelijk bij de moeder wordt teruggeplaatst en dat [kind] contact met de vader kan houden.
De motivering van de beslissing
Het hof overweegt het volgende.
Het hoger beroep van de moeder is niet gericht tegen de ondertoezichtstelling van [kind].
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op verzoek van de raad machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Uit de stukken en het besprokene tijdens de mondelinge behandeling volgt dat bij [kind] sprake is van kindeigen problematiek. [kind] heeft een lichte verstandelijke beperking, ADHD en darmproblemen. Hij heeft meer dan gemiddeld behoefte aan structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid. Daarnaast is [kind] veelvuldig getuige geweest van fors verbaal en fysiek geweld tussen de moeder en haar inmiddels ex-partner. Hierdoor heeft [kind] zich niet alleen zelf (emotioneel) onveilig gevoeld, maar is hij zich ook ernstige zorgen over de moeder gaan maken (parentificatie), wat niet passend is bij zijn leeftijd. Zo is [kind] onder meer overmatig alert op signalen van onveiligheid waarbij hij reageert op waarnemingen die hem herinneren aan traumatische ervaringen. Dit heeft er ook toe geleid dat [kind] onderwijs heeft gemist, zodat hij thuis in de gaten kon houden hoe het met de moeder ging. Door alles wat de moeder in de afgelopen jaren met haar ex-partner heeft meegemaakt, in combinatie met haar eigen problematiek (waaronder drugsgebruik, een aangeboren afwijking aan de hersenen, PTSS en medicatie-afhankelijkheid), is zij onvoldoende emotioneel beschikbaar geweest voor [kind]. Ook lukte het de moeder niet om [kind] de structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid te bieden die hij nodig had. [kind] is hierdoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Uit genoemd rapport van de raad volgt dat [kind] op dit moment bij de grootouders (mz) op zijn plek lijkt te zitten, dat hij daar een positieve ontwikkeling doormaakt en dat hij daar de regels en structuur geboden krijgt die hij nodig heeft. Genoemde feiten en omstandigheden maken dat ten tijde van het inleidend verzoek van de raad een uithuisplaatsing van [kind] in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk was. De ontwikkelingsbedreiging van [kind] kon niet op een minder ingrijpende wijze worden afgewend.
Het hof is verder van oordeel dat nu nog steeds aan de wettelijke vereisten voor een uithuisplaatsing van [kind] wordt voldaan. Ook op dit moment zijn – anders dan de moeder in hoger beroep aanvoert – de hiervoor onder rechtsoverweging 3.9.3. genoemde feiten en omstandigheden niet zodanig gewijzigd dat een uithuisplaatsing van [kind] niet langer noodzakelijk is. Hoewel het hof met de GI constateert dat de moeder op diverse gebieden (het accepteren van hulpverlening, het afbouwen van de Oxycodon, het verbreken van de relatie met haar partner) een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt, acht het hof die positieve ontwikkeling nog te pril om reeds nu tot een terugplaatsing van [kind] over te gaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [kind] nog niet voldoende tijd en ruimte heeft gehad om te herstellen van wat hij heeft meegemaakt in de thuissituatie bij de moeder. Zo is [kind] pas recent met creatieve therapie gericht op traumaverwerking gestart. Voor het slagen van die therapie is het – naar het oordeel van het hof – noodzakelijk dat [kind] rust en stabiliteit in zijn thuissituatie heeft, zodat hij zich volledig op de verwerking van zijn trauma’s kan richten. Verder is op dit moment slechts sprake van een beperkte begeleide omgangsregeling tussen de moeder en [kind] van één uur per week. Door de GI wordt wel ingezet op uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [kind], maar de GI loopt daarbij tegen wachtlijsten aan. Daarbij komt dat ook de voor de moeder benodigde hulpverlening pas recent is gestart (de WMO-begeleiding van [zorginstantie 2] en de ITB en de systeemtherapie van [zorginstantie 1]) dan wel dat die hulpverlening nog dient te worden opgestart (traumatherapie bij de GGZ). Daarom is een terugplaatsing van [kind] bij de moeder nu nog niet aan de orde.
Voor zover de moeder in hoger beroep nog heeft aangevoerd dat de plaatsing van [kind] bij de grootouders (mz) een belemmering vormt voor een terugplaatsing van [kind] bij de moeder, overweegt het hof als volgt. Uit genoemd raadsrapport volgt dat de grootouders (mz) – ondanks dat zij geen contact met de moeder hadden – altijd een grote steunbron voor [kind] zijn geweest. Ook volgt hieruit dat [kind] op dit moment bij de grootouders (mz) op zijn plek lijkt te zitten. Dit maakt dat de raad en de GI menen dat de plaatsing van [kind] bij grootouders (mz) op dit moment, ondanks dat dit bij [kind] voor een loyaliteitsconflict zorgt, minder schadelijk is dan een plaatsing elders. Dat neemt niet weg dat de GI er, naar het oordeel van het hof, wel alert op dient te zijn dat het loyaliteitsconflict bij [kind] niet groter wordt en dat deze plaatsing geen belemmering mag gaan vormen voor het toewerken naar en het onderzoeken van de mogelijkheden van een terugplaatsing van [kind] bij de moeder. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft het hof geconstateerd dat de GI zich hier goed van bewust is. Zo heeft de GI verklaard dat zij zich inspant om de moeder (en de vader) zowel bij de pleegzorgondersteuning als bij de behandelaren van [kind] meer op de voorgrond te zetten. Zo dienen de moeder (en de vader) volgens de GI actief en volledig betrokken te worden bij het verloop van de (trauma)behandeling van [kind] en dienen zij – in plaats van de grootouders (mz) – voor de behandelaren van [kind] het eerste aanspreekpunt te zijn. Verder heeft de GI verklaard dat zij de begeleide omgang met de moeder wil uitbreiden zodra zij daarvoor een geschikte begeleidende instantie heeft gevonden en dat zij nog steeds actief inzet op een terugplaatsing van [kind] bij de moeder.
De slotsom
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient te worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, uitgesproken op 8 juli 2025 en op schrift gesteld op 22 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, A.M. Bossink en G.M. Goes en is in het openbaar uitgesproken door mr. A.M. Bossink op 6 november 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.