Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 30 oktober 2025

ECLI:NL:GHSHE:2025:3013Zaaknummer 200.355.836_01

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
200.355.836_01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
's-Hertogenbosch
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarige beëindigd en de GI benoemd tot voogd. De moeder is het hier niet mee eens. Artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW. Artikel 8 EVRM. Bekrachtiging.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 mei 2025;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en M.J.C. van Leeuwen en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 30 oktober 2025

Zaaknummer: 200.355.836/01

Zaaknummer 1e aanleg: C/03/333396 / FA RK 24-2483

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A. Remport Urban,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio [regio], locatie [locatie 1],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over:

[kind], geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [kind].

Als belanghebbenden in deze zaak worden aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

[de gezinshuisouders],

gevestigd op een voor het hof bekend adres,

hierna te noemen: de gezinshuisouders.

De zaak in het kort:

De rechtbank heeft het ouderlijk gezag van de moeder over [kind] beëindigd en de GI benoemd tot voogd. De moeder is het hier niet mee eens.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 mei 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 juni 2025, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot gezagsbeëindiging af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 september 2025, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking in stand te laten en de verzoeken van de moeder in hoger beroep af te wijzen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2025, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Remport Urban;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger raad];

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger GI 1] en [vertegenwoordiger GI 2].

2.4.1.

De gezinshuisouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • het V6-formulier van mr. Remport Urban met het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen bij de griffie op 10 juli 2025;
  • de door mr. Remport Urban ingediende ontbrekende stukken uit het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen bij de griffie op 23 juli 2025.

3 De beoordeling

De feiten

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en [naam ex van moeder] is op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] [kind] geboren.

3.2.

[kind] en de moeder hebben beiden de Sierra Leoonse nationaliteit.

3.3.

[naam ex van moeder] heeft [kind] niet erkend. De moeder heeft van rechtswege het ouderlijke gezag uitgeoefend tot de datum van de hierna bestreden beschikking.

3.4.

Bij beschikking van 10 november 2020 heeft de rechtbank [kind], met ingang van die datum, voorlopig onder toezicht gesteld, te weten tot 10 februari 2021. Bij beschikking van 2 februari 2021 heeft de kinderrechter [kind] onder toezicht gesteld, welke maatregel hierna steeds verlengd is, laatstelijk tot 1 februari 2026.

3.5.

Eind 2020 is [kind] voor de eerste keer uit huis geplaatst en sindsdien heeft hij vrijwel niet meer bij zijn moeder verbleven. Sinds april 2024 woont hij in het huidige gezinshuis. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing loopt tot 1 februari 2026.

3.6.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 20 mei 2025, heeft de rechtbank het gezag van de moeder over [kind] beëindigd, de GI benoemd tot voogd en de griffier verzocht om een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

De standpunten

3.8.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 1:266 lid 1 BW. Er is vroegtijdig en onterecht aangenomen dat een gezagsbeëindiging van de moeder in het belang is van [kind]. Het ontbreken van voldoende pedagogische vaardigheden betekent niet dat de moeder geen gezag meer kan uitoefenen over [kind]. Daarbij komt dat de moeder het niet eens is met de uitkomst van het onderzoek door [zorgaanbieder 1]. Deze organisatie is slechts drie dagen bij de moeder geweest, terwijl de moeder vier jaar begeleiding heeft gehad van [zorgaanbieder 2] en zij volgens hen prima voor [kind] kan zorgen. De moeder heeft alles over voor een terugkeer van [kind] naar huis. De ontwikkelingsbedreiging bij [kind] is veroorzaakt door het weghouden van [kind] bij de moeder en door het bemoeilijken van het contact tussen beiden. [kind] heeft recht op family life. Het is bij hechtingsproblematiek belangrijk om de moeder centraal te stellen. Een gezagsbeëindiging is daarbij niet helpend. De moeder heeft geen vertrouwen in de GI en een samenwerking tussen de moeder en de GI is niet mogelijk. De GI stelt zich star op en er worden leugens verteld door de jeugdbeschermer. De GI regelt overbodige zaken zoals het zoeken naar een organisatie om de omgang tussen de moeder en [kind] te begeleiden, terwijl het [omgangshuis] in [locatie 2] dit op zich kan nemen. De moeder heeft in verscheidene telefoongesprekken geprobeerd vrede te sluiten met de jeugdbeschermer. De moeder heeft nog niet kennisgemaakt met het gezinshuis waar [kind] inmiddels verblijft omdat zij vreest dat haar acties verkeerd worden uitgelegd. Ook heeft zij geen kennis kunnen maken met de school van [kind]. De moeder heeft [kind] sinds 30 augustus 2024 niet meer gezien. De moeder heeft opnames gemaakt van het laatste contactmoment met [kind]. Hiermee wil zij aantonen dat [kind] niet door de moeder wordt ondervraagd, zoals de GI beweert. De moeder kan niet instemmen met de veiligheidsafspraken, omdat dit betekent dat zij niets mag opnemen en geen foto’s mag maken. De moeder wil kunnen aantonen dat er leugens worden verteld door de GI. Zij belast [kind] hier niet mee. Door de gezagsbeëindiging is de situatie van [kind] verslechterd.

3.9.

De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. Er is voldaan aan de gronden voor een gezagsbeëindiging. De zorgen en problematiek zoals opgenomen in het raadsrapport van 29 juli 2024 zijn ongewijzigd aanwezig en er is geen zicht op verbeteringen. De moeder houdt vast aan haar eigen visie, stelt de belangen van [kind] onvoldoende centraal en beschikt over beperkte inzichten. Ook sluit de moeder pedagogisch onvoldoende aan bij [kind]. De keuzes die de moeder maakt zijn ingegeven door de wens van de moeder dat [kind] weer terug naar huis keert. De moeder is onvoldoende leerbaar en blijft de oorzaak van de problematiek buiten zichzelf leggen. Zij kan daarom geen stabiele en verantwoorde opvoeding aan [kind] bieden. Het opbouwen van een constructieve samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI is niet mogelijk gebleken. De moeder is voor de GI onbereikbaar en staat niet open voor feedback, wat leidt tot een verstoorde werkrelatie met de betrokken hulpverleners. Ook vertrouwt de moeder de GI niet en weigert zij de veiligheidsvoorwaarden te ondertekenen voor de omgang met [kind]. Het laatste contactmoment tussen [kind] en de moeder is niet goed verlopen en er is sinds augustus 2024 geen omgang meer geweest tussen hen.

Een beëindiging van het gezag is in het belang van [kind]. Hij heeft consequente en betrokken opvoeders nodig en om vertraging te voorkomen moet de voogd zaken kunnen regelen en beslissingen nemen. Het is in het belang van [kind] dat er duidelijkheid is over zijn perspectief en dat hij erop kan vertrouwen dat hij niet meer geconfronteerd wordt met ingrijpende wisselingen in zijn leven. Deze duidelijkheid zorgt voor rust en vanuit die rust kan vorm worden gegeven aan het contact met de moeder. [kind] vertoont momenteel zorgelijk gedrag en begint zich af te zetten tegen de gezinshuishoudens. Hiermee test [kind] of hij in het gezinshuis mag blijven wonen, het gedrag past bij zijn problematiek. In het gezinshuis ervaart [kind] rust en duidelijkheid en krijgt hij een bij hem aansluitende pedagogische benadering.

3.10.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – samengevat – het volgende aan. De gronden voor de gezagsbeëindigende maatregel zijn aanwezig. Niet gebleken is dat de uitkomsten van het onderzoek door [zorgaanbieder 1] niet kloppend zijn. Het onderzoek laat zien dat de strijd tegen de GI voor de moeder voorop staat. De GI heeft veel pogingen ondernomen om tot een samenwerking te komen met de moeder en heeft zich herhaaldelijk ingespannen om een veilig en positief contact tussen de moeder en [kind] tot stand te brengen. Ook het aanstellen van een andere jeugdbeschermer heeft niet geholpen. De moeder houdt zich niet aan de afspraken en weigert de veiligheidsafspraken te ondertekenen. Tijdens de bezoekmomenten belast de moeder [kind] en zij sluit niet aan bij zijn behoeftes. De moeder stopt niet met het bevragen van [kind] en toont geen inzicht in de schadelijke gevolgen hiervan voor hem. Het contact tussen [kind] en de moeder moet op een veilige en positieve manier verlopen, waarbij het belang van [kind] centraal staat. De veiligheidsafspraken dienen ter bescherming van de ontwikkeling van [kind]. De omgangsmomenten moeten niet door de moeder worden opgenomen. Ook is het niet in het belang van [kind] dat de moeder ineens bij zijn school verschijnt. Het gezinshuis waar [kind] verblijft, is gespecialiseerd in hechtingsproblematiek. [kind] begint zich af te zetten tegen het gezinshuis en krijgt één op één aandacht om aan hem te laten zien dat hij daar mag blijven.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.11.1.

De zaak heeft een internationaal karakter aangezien zowel [kind] als de moeder beiden de Sierra Leoonse nationaliteit hebben. Gelet hierop moet het hof ambtshalve de internationale bevoegdheid toetsen.

3.11.2.

Het hof zal de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter beoordelen op grond van artikel 7 lid 1 van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Het hof zal daarom moeten beoordelen in welke lidstaat [kind] zijn gewone verblijfplaats had op het moment van de procesinleiding, te weten 29 juli 2024. Aangezien de gewone verblijfplaats van de minderjarige toen in Nederland was en steeds is geweest, is de Nederlandse rechter bevoegd.

3.11.3.

Geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Nederlands recht van toepassing is. Ook het hof zal daarom uitgaan van toepasselijkheid van Nederlands recht (vgl. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:200).

Inhoudelijke beoordeling

3.11.4.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.11.5.

Bij artikel 1:266 lid 1 aanhef en sub a BW is blijkens de memorie van toelichting het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind de periode van onzekerheid over in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. De rechter dient na te gaan of de gezagsbeëindiging in het concrete geval in redelijke verhouding staat tot het na te streven doel (proportionaliteitsbeginsel) en of het te beogen resultaat niet met een minder ingrijpend alternatief bereikt kan worden (subsidiariteitsbeginsel).

3.11.6.

Uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) vloeit voort dat de beëindiging van het gezag van de ouder(s) in het belang van de minderjarige noodzakelijk dient te zijn. Iedere kinderbeschermingsmaatregel is in principe tijdelijk en moet als doel hebben om het kind weer terug naar thuis te laten keren. De overheid moet hulpverlening of andere ondersteuning inzetten die ervoor kan zorgen dat een kind weer terug naar huis kan en met het gezin wordt herenigd. De mogelijkheid van terugplaatsing moet serieus zijn overwogen en de ouders moeten in voldoende mate in het besluitvormingsproces zijn betrokken. Voor het beëindigen van het gezag is vereist dat de rechter een afweging maakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Die belangenafweging kan in het nadeel van de ouder(s) uitvallen als het belang van het kind om na het verstrijken van een (aanzienlijke) periode bij het pleeggezin te kunnen blijven opgroeien zwaarder weegt dan het belang van de ouders bij gezinshereniging.

Er kan echter slechts sprake zijn van beëindiging van het ouderlijk gezag wanneer de instandhouding van het gezag van het kind schadelijk is voor de gezondheid en ontwikkeling van het kind.

3.11.7.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat aan de voorwaarden voor een gezagsbeëindigende maatregel is voldaan.

Het hof voegt daar op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is verklaard nog het volgende aan toe.

3.11.8.

De moeder heeft geen enkel vertrouwen in de GI en zij kan of wil niet de samenwerking met de betrokken hulpverlening aangaan in het belang van [kind]. Uit het Plan van Aanpak van de GI van 19 juni 2025 volgt dat de moeder weigert om in contact te treden met de jeugdbeschermer. Om de omgang tussen de moeder en [kind] veilig te laten plaatsvinden, zijn er door de GI veiligheidsafspraken opgesteld. Deze zijn door de moeder nog steeds niet ondertekend, waardoor al ruim een jaar geen omgang heeft kunnen plaatsvinden tussen de moeder en [kind]. De moeder kan er niet mee instemmen om tijdens de omgangsmomenten geen opnames te maken. [kind] heeft al het nodige meegemaakt in zijn leven en heeft behoefte aan een stabiele, voorspelbare, veilige en perspectief biedende plek. De moeder kan hem dit niet bieden. [kind] laat momenteel zorgelijk gedrag zien bij het gezinshuis en het is voor zijn ontwikkeling van groot belang dat er duidelijkheid is over zijn opgroeiperspectief. De instandhouding van het gezag is in de gegeven omstandigheden schadelijk voor de gezondheid en ontwikkeling van [kind].

3.11.9.

Voor zover de moeder tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep het hof heeft verzocht om de opnames van de telefoongesprekken tussen haar en de GI te beluisteren, evenals de opnames van het omgangsmoment met [kind] te bekijken, overweegt het hof dat het door de moeder mondelinge gedane verzoek in strijd is met de goede procesorde. Niet gebleken is dat de moeder de opnames niet eerder had kunnen indienen dan wel het verzoek om de opnames te luisteren/bekijken niet eerder had kunnen doen dan eerst tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Daarbij komt dat het hof zich op grond van de beschikbare informatie voldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen op het voorliggende hoger beroep. Het hof zal de moeder dus niet alsnog in de gelegenheid stellen om voornoemde opnames in het geding te brengen.

3.11.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 20 mei 2025;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, E.M.D.M. van der Linden en M.J.C. van Leeuwen en is op 30 oktober 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid de griffier.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.