Uitspraak · Belastingrecht

Gerechtshof Den Haag, 24 september 2026

ECLI:NL:GHDHA:2026:2920Zaaknummer BK-25/809 en BK-25/811

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
BK-25/809 en BK-25/811
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Art. 67a AWR. Par. 21, lid 2, BBBB. Par. 21, lid 6, BBBB. Maximum verzuimboete wegens stelselmatig niet doen van aangiften IB/PVV. Geen AVAS. Individuele straftoemeting. De Rechtbank heeft de maximumverzuimboetes voor de jaren 2020 en 2021 terecht gematigd tot 50% van het maximum vanwege financiële omstandigheden. Hoger beroep Inspecteur ongegrond.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

- gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, P.J.J. Vonk en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.

De griffier, de voorzitter

Y. Postema W. de Wit

De beslissing is op 24 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Uitspraak van 24 september 2026
  2. Procesverloop
  3. Feiten
  4. Oordeel van de Rechtbank
  5. Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
  6. Beoordeling van het hoger beroep
  7. Proceskosten en griffierecht
  8. Beslissing

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-25/809 en BK-25/811

Uitspraak van 24 september 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […])

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 6 oktober 2025, zaaknummers SGR 24/9721 en SGR 24/9725.

Procesverloop

1.1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een ambtshalve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.000 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 407 belastingrente in rekening gebracht en is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 5.514.

1.1.2.

Voor het jaar 2021 heeft de Inspecteur belanghebbende een ambtshalve aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.000 en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 395 belastingrente in rekening gebracht en is aan belanghebbende een verzuimboete opgelegd van € 5.514.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de aanslagen en de beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij uitspraken op bezwaar zijn de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het volgende beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond ter zake van de bij de aanslagen IB/PVV 2020 (SGR 24/9721) en IB/PVV 2021 (SGR 24/9725) genomen boetebeschikkingen en verklaart de beroepen voor het overige ongegrond (SGR 24/9724 en SGR 24/9726);

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover zij betrekking heeft op de verzuimboetes;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2020 tot een bedrag van € 2.757;

- vermindert de verzuimboete voor het jaar 2021 tot een bedrag van € 2.757;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 6,24; en

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 (SGR 24/9721) aan eiser te vergoeden.”

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Op 18 december 2025 heeft hij de hoger beroepen betreffende de aanslagen Zvw (zaaknummers BK-25/810 en BK-25/812) ingetrokken.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van 25 augustus 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

Onderneming

2.1.

Belanghebbende drijft sinds 2013 een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak]. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit het repareren en controleren van was- en stoommachines van wasserijen en stomerijen. Daarnaast houdt belanghebbende zich bezig met het reviseren en verkopen van gebruikte ketels en wasmachines.

2.2.

De omzet van de eenmanszaak volgens de aangiften omzetbelasting voor 2020 en 2021 bedroeg € 34.238 in 2020 en € 39.214 in 2021.

Aanslagregeling IB/PVV vanaf 2013

2.3.

Voor het jaar 2013 is belanghebbende niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV. Belanghebbende heeft niet om uitreiking van een aangiftebiljet verzocht en heeft geen aangifte IB/PVV voor dat jaar gedaan.

2.4.

Belanghebbende is vanaf het jaar 2014 (tot heden) uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen. Sindsdien heeft hij geen aangiften IB/PVV ingediend. Voor de omzetbelasting heeft belanghebbende steeds omzet uit de eenmanszaak aangegeven.

2.5.

Over de belastingjaren 2013 tot en met 2016 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Het rapport van dit onderzoek van 18 oktober 2018 behoort tot de gedingstukken. Daarin is vermeld over de activiteiten:

“De circa 60-70 klanten bevinden zich in de regio Rotterdam, Utrecht, Den Haag en Amsterdam. Bij deze klanten worden ook de keuringen in samenwerking met [naam] uitgevoerd. De heer [belanghebbende] verzorgt het uit elkaar halen en reviseren van de apendages waarna de keuring door [naam] wordt uitgevoerd. Daarna bouwt de heer [belanghebbende] de ketel weer op. [naam] factureert allen de keuring en de heer [belanghebbende] factureert de overige werkzaamheden. Het uurtarief bedraagt € 45 exclusief btw en wordt berekend vanaf vertrek tot en met thuiskomst. De kilometervergoeding bedraagt € 0,35. Bij bezoek aan meerdere klanten wordt deze over hen verdeeld.”

Naar aanleiding van de uitkomsten zijn aan belanghebbende (navorderings)aanslagen IB/PVV 2013 tot en met IB/PVV 2016 (en (navorderings)aanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zvw) opgelegd naar belastbare winsten van € 19.265, € 33.652, € 28.423 en € 40.721 en vergrijpboetes bij de aanslagen IB/PVV 2013 tot en met IB/PVV 2016 van € 500 per aanslag. Verder zijn hem ook verzuimboetes bij de aanslagen IB/PVV 2015 en IB/PVV 2016 opgelegd op grond van artikel 67a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) van € 369 omdat hij geen aangiften IB/PVV heeft gedaan, terwijl hij daartoe wel was uitgenodigd. De Rechtbank heeft op 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7953 de bij de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met IB/PVV 2016 opgelegde vergrijpboetes vernietigd en de vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV 2013 en de verzuimboetes bij de aanslagen IB/PVV 2015 en 2016 gehandhaafd. De aanslag IB/PVV 2013 is gehandhaafd en de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2016 zijn verminderd tot belastbare inkomens uit werk en woning van € 28.658, € 26.617 en € 34.976.

Aanslagregeling IB/PVV vanaf 2017

2.6.

Over de jaren 2017 tot en met 2019 heeft de Inspecteur ambtshalve aanslagen IB/PVV met verzuimboetes van respectievelijk € 5.278, € 5.278 en € 5.514 (wettelijk maximum) opgelegd. De Rechtbank heeft bij uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:2024:21974 de aanslagen verminderd tot belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 25.000, € 27.500 en € 29.000.

De Rechtbank heeft - onder meer - over de verzuimboetes geoordeeld:

“17. (…) De rechtbank neemt in aanmerking dat eiser onweersproken heeft verklaard dat hij in grote financiële problemen komt als hij de aanslagen inclusief boetes daadwerkelijk moet betalen, nu hij ook nog bezig is met het aflossen van corona-schulden. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank voor de voorliggende jaren een boete van 50% van het wettelijk maximum (dus voor 2017: € 2.639, voor 2018: € 2.639 en voor 2019: € 2.757) passend en geboden.”

De verzuimboetes heeft de Rechtbank vervolgens verder verminderd vanwege oveschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM:

- 2017: € 2.639, verminderd met 20% tot € 2.111;

- 2018: € 2.639, verminderd met 15% tot € 2.243;

- 2019: € 2.757, verminderd met 5% tot € 2.619.

2.7.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2020 verzocht om uitstel voor het doen van de aangifte IB/PVV. De Inspecteur heeft uitstel verleend tot 1 september 2021. Belanghebbende heeft geen aangifte IB/PVV 2020 ingediend.

2.7.2.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2021 in november 2022 om uitstel voor de aangifte IB/PVV 2021 verzocht. De Inspecteur heeft dat verzoek op 8 december 2022 afgewezen omdat belanghebbende al een aanmaning had ontvangen. Belanghebbende heeft voor 2021 geen aangifte IB/PVV gedaan.

2.7.3.

De Inspecteur heeft vervolgens ambtshalve aanslagen IB/PVV opgelegd ten bedrage van € 3.214 (2020) en € 3.560 (2021) en heeft omdat belanghebbende stelselmatig niet voldoet aan de aangifteplicht de maximale verzuimboete opgelegd van € 5.514 per jaar.

2.8.

Belanghebbende heeft op 5 mei 2022 brand in zijn bedrijfspand gehad.

2.9.

Ook voor de jaren 2022, 2023 en 2024 heeft belanghebbende geen aangifte IB/PVV gedaan. Voor het jaar 2022 is hem een ambtshalve aanslag opgelegd naar een geschat verzamelinkomen van € 36.000 en een verzuimboete van € 5.514 vanwege stelselmatig verzuim om aangifte te doen. Bij uitspraak van 16 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24303, heeft de Rechtbank de verzuimboete voor 2022 gehandhaafd. Voor de jaren 2023 en 2024 zijn nog geen (ambtshalve) aanslagen opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“8. Op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelasting kan aan de belastingplichtige die ook na daartoe te zijn aangemaand nalaat binnen de gestelde termijn aangifte te doen een verzuimboete worden opgelegd van ten hoogste € 5.514. In § 21, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) dat de boete in beginsel wordt gesteld op zeven procent van het maximum, ofwel € 386. Op grond van het zesde lid van § 21 kan de boete in uitzonderlijke gevallen worden verhoogd, tot het wettelijk boetemaximum. De bepaling noemt het stelselmatig verzuim aangifte te doen als voorbeeld van een uitzonderlijk geval.

9. Eiser heeft vanaf 2014 steeds nagelaten om, ook na aanmaning, aangifte te doen. In de onderhavige jaren is derhalve sprake van een zevende en achtste verzuim.

10. Eiser heeft aangevoerd dat zijn administratie bij een brand op 5 mei 2022 verloren is gegaan, waardoor hij geen aangiften kon indienen. Dit verweer gaat al niet op om de reden dat deze brand plaatsvond nadat de onderhavige aangiften hadden moeten zijn ingediend. Voorts is ter zitting aandacht gegeven aan de vraag wat zou kunnen verklaren dat eiser steeds geen aangifte doet, waarbij tevens is betrokken dat hij voor de jaren 2022 en 2023 weer niet binnen de in de respectieve aanmaningen gestelde termijn – en ook ten tijde van de zitting nog niet – aangifte heeft gedaan. Daarbij zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die vragen om begrip voor het aangiftegedrag van eiser.

11. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser stelselmatig in verzuim is, als bedoeld in § 21, zesde lid, van het BBBB en is een zwaardere beboeting dan naar het in het tweede lid van die § 21 genoemde bedrag geboden.

Mede in aanmerking genomen dat de ter zake van de jaren vanaf 2017 aan eiser opgelegde verhoogde boetes geen wijziging in zijn gedrag hebben bewerkstelligd, is beboeting naar het wettelijke maximum op zichzelf geïndiceerd. In het licht van wat eiser onbetwist naar voren heeft gebracht over zijn financiële positie en met het oog op zijn verdiensten in de onderhavige jaren acht de rechtbank boetes naar het wettelijke maximum echter niet passend. Zij verlaagt de boetes daarom tot 50% van het wettelijke boetemaximum.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen, moeten de beroepen gegrond worden verklaard voor zover zij tegen de boetebeschikkingen zijn gericht en zijn zij voor het overige ongegrond.

Proceskosten

13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep. Voor vergoeding van reiskosten voor het bijwonen van de zitting wordt een bedrag vastgesteld van € 6,24 (twee keer een enkele reis à € 3,12 openbaar vervoer tweede klasse). Voor een hogere vergoeding bestaat geen grond.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de Rechtbank de opgelegde verzuimboetes terecht heeft verminderd tot 50%. Het standpunt van de Inspecteur is dat de verzuimboetes moeten worden geteld op het in artikel 67a AWR in de belastingjaren 2020 en 2021 geldende maximumbedrag van € 5.514.

4.2.

Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4.3.

Belanghebbende concludeert - naar het Hof begrijpt - tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.1.

Belanghebbende heeft vanaf de start van zijn eenmanszaak in 2013 geen aangiften IB/PVV gedaan, ook niet nadat hij daartoe vanaf het jaar 2014 elk jaar is uitgenodigd en ook niet nadat aan hem na het boekenonderzoek in 2018 daarvoor elk jaar vanaf 2013 een verzuimboete is opgelegd, die vanaf 2017 is verhoogd.

5.1.2.

Voor de heffing van de belasting die bij wege van aanslag wordt geheven is het van groot belang dat de aangifteplicht tijdig wordt nageleefd. Voor de aanslagbelastingen is de aangifte nog steeds de belangrijkste bron van de gegevens voor de vaststelling van de «gewone» belastingaanslag. Een ordelijk aangiftegedrag van belastingplichtigen is bovendien onontbeerlijk voor een redelijk doelmatige werkwijze bij de Belastingdienst (vgl. Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de herziening van het stelsel van administratieve boeten en van het fiscale strafrecht, MvT Kamerstukken II 1993-1994, 23 470, nr. 3, p. 40), waarbij de verhogingsbepaling van artikel 9, derde lid, derde volzin, AWR vervalt en terugkeert als verzuimboete in artikel 67a AWR).

5.1.3.

Ingevolge paragraaf 21, lid 2, BBBB bedraagt de boete voor een aangifteverzuim bij aanslagbelastingen 7% van het wettelijk maximum van artikel 67a AWR, In paragraaf 21, lid 6, BBBB is opgenomen dat in uitzonderlijke gevallen een boete tot het wettelijk maximum kan worden opgelegd met als voorbeeld de situatie dat een belanghebbende stelselmatig in verzuim is. Het BBBB bevat geen voorbeeld van een geval dat als ‘stelselmatig’ moet worden aangemerkt maar in het onderhavige geval is het gelet op het feit dat gedurende acht respectievelijk negen jaren geen aangifte is gedaan, wel duidelijk dat hier sprake is van stelselmatig geen aangifte doen voor de IB/PVV.

5.1.4.

De Rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat voor de onderhavige jaren 2020 en 2021 sprake is van een uitzonderlijk geval op grond waarvan de maximumboete van artikel 67a AWR kan worden opgelegd.

Verwijt?

5.2.

De Rechtbank heeft vervolgens de door belanghebbende gestelde omstandigheid dat hij door een brand in zijn bedrijfsruimte in mei 2022 is getroffen en daardoor geen aangifte kon doen, niet van invloed geacht omdat de datum van de brand is gelegen nadat de aangiftetermijnen voor 2020 en 2021 waren verstreken en de aangiften over die jaren op het moment van de brand hadden moeten zijn ingediend. De Rechtbank heeft verder geen omstandigheden aannemelijk geacht op grond waarvan belanghebbende in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt van het niet doen van de aangiften voor de onderhavige jaren waardoor hem geen boete zou mogen worden opgelegd op grond van artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Individuele straftoemeting

5.3.

De Rechtbank heeft wat de individuele straftoemeting betreft de wettelijke maximumboete van € 5.514 niet passend geacht in het licht van de niet door de Inspecteur bestreden financiële positie en verdiensten van belanghebbende in de onderhavige jaren, De Rechtbank heeft vervolgens het bedrag van de boete op de helft van het maximumbedrag, te weten € 2.757, vastgesteld. De Inspecteur heeft in hoger beroep dat oordeel bestreden en gesteld dat belanghebbende in het geheel niets aannemelijk heeft gemaakt over zijn financiële positie.

5.4.1.

Belanghebbende heeft gesteld dat hij coronaschulden heeft die hij nog zou moeten aflossen. De Rechtbank heeft dit aannemelijk geacht gelet op het eerder door de Rechtbank in de uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:2024:21974 gegeven oordeel hierover. Die uitspraak staat onherroepelijk vast. Het is aan de inspecteur die stelt dat dit oordeel onjuist is om andersluidende feiten te stellen. Die concrete feiten heeft hij niet gesteld.

Ter zitting heeft de Inspecteur over de belastingschulden van belanghebbende verklaard dat belanghebbende in de coronajaren een betalingspauze heeft gehad en daarna voor zijn belastingschulden een betalingsregeling met de Belastingdienst heeft getroffen op basis waarvan hij steeds € 1.500 betaalt en ongeveer € 20.000 moet aflossen.

5.4.2.

Verder staan de inkomsten van belanghebbende (respectievelijk € 25.000 en € 27.000) in hoger beroep in de onderhavige jaren vast (belanghebbende is niet in hoger beroep gegaan).

5.4.3.

Enerzijds is het zo dat de boetebepaling van artikel 67a AWR beoogt te stimuleren dat de aangifteplicht wordt nageleefd om een ordelijk verloop van het heffingsproces te waarborgen en het daarom juist is dat de omvang van de boete niet afhankelijk is van het bedrag van de aanslag, maar anderzijds blijft de verstoring van de heffing bezien vanuit de bedrijfsvoering van de Belastingdienst hetzelfde of het nu gaat om een lage dan wel een hoge aanslag. Het gaat in artikel 67a AWR om een discretionaire bevoegdheid van de inspecteur. De inspecteur moet deze bevoegdheid uitoefenen met inachtneming van geschreven en ongeschreven rechtsbeginselen, waarvan hier van belang is het in artikel 3:4, lid 2, Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel. Dat beginsel brengt mee dat de hoogte van de boete niet onevenredig mag zijn in verhouding tot de ernst van de gedraging op grond waarvan zij is opgelegd (HR 13 augustus 2004, ECLI:NL:HR:2004: AL7045, r.o. 3.4.), dat wil zeggen daarmee niet in een wanverhouding staat. Daarvan zou in het onderhavige geval sprake zijn als een boete van 200 percent van de verschuldigde belasting zou worden toegemeten, ook al is het verzuim gedurende een reeks van jaren begaan.

Bovendien geldt het volgende. Het opleggen van een verzuimboete die bijna het tweevoudige van de verschuldigde belasting bedraagt is in het onderhavige geval passend noch geboden..

5.5.

De conclusie is dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de verzuimboetes met 50 percent dienen te worden verminderd tot € 2.757 voor elk jaar.

Slotsom

5.6.

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6.2.

Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 579.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

- gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 579.

Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, P.J.J. Vonk en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema.

De griffier, de voorzitter

Y. Postema W. de Wit

De beslissing is op 24 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.