Uitspraak · Strafrecht
Gerechtshof Den Haag, 8 november 2024
ECLI:NL:GHDHA:2024:2653Zaaknummer 22-000933-23 PO
- Instantie
- Gerechtshof Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 november 2024
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 22-000933-23 PO
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Mensenhandel. Het vonnis van de rechtbank, met aanvulling van gronden betreffende draagkracht, bevestigd. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter, en mr. B. Stapert en mr. B. Vogel, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2024.
Volledige tekst
Rolnummer: 22-000933-23 PO
Parketnummer: 09-827581-17
Datum uitspraak: 8 november 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2023 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedatum] 1978,
thans zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
adres in Hongarije: [adres].
Procesgang
Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 3 mei 2022 is de betrokkene, voor zover hier van belang, onder meer ter zake van het in zijn strafzaak bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:
mensenhandel, meermalen gepleegd,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
De in eerste aanleg ingediende vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 560.730,-, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de officier van justitie, in afwijking van de oorspronkelijke vordering, gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal worden vastgesteld op een bedrag van € 145.450,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
De rechtbank Den Haag heeft bij vonnis van 22 maart 2023 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 116.150,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
Vordering van het Openbaar Ministerie
De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 560.730,- en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De vordering is door de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg beperkt tot een bedrag van € 145.450,-.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel - overeenkomstig de berekening van de rechtbank - wordt geschat op € 116.150,- en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Beoordeling van het vonnis
De behandeling in hoger beroep van de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het hof niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter, met dien verstande dat het hof in aanvulling hierop het volgende overweegt.
Aanvulling betreffende draagkracht
Het hof vult de motivering van de rechtbank onder het kopje ‘Draagkracht’ als volgt aan.
Ter terechtzitting in hoger beroep is – zakelijk en verkort weergegeven - door de raadsman betoogd dat er in de toekomst bij de betrokkene geen draagkracht is om enige betalingsverplichting na te komen, nu bij hem longkanker is gediagnosticeerd en hij op dit moment terminaal zou zijn.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
In beginsel kan de draagkracht van de betrokkene in een ontnemingsprocedure pas aan de orde worden gesteld in de executiefase. In de ontnemingsprocedure bestaat alleen grond voor matiging van de betalingsverplichting, als aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.
Het hof is van oordeel dat de raadsman met de overgelegde, vertaalde medische stukken voldoende heeft onderbouwd dat bij de betrokkene longkanker is gediagnosticeerd. De raadsman heeft echter naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat de betrokkene op dit moment terminaal zou zijn. Zijn situatie lijkt op grond van de overgelegde stukken ernstig, maar hij is nog relatief jong en dat er geen enkele behandelmogelijkheid en/of overlevingskans meer zou zijn, is niet onderbouwd.
Het is daarom niet aanstonds duidelijk dat de betrokkene (ook) in de toekomst geen draagkracht meer zal hebben. Het hof ziet derhalve nu geen aanleiding om het aan de Staat te betalen bedrag lager vast te stellen.
Het verweer wordt verworpen.
Conclusie
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve – met aanvulling van gronden - te worden bevestigd.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. R. Brand, als voorzitter, en mr. B. Stapert en mr. B. Vogel, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.H.M. Peusken.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2024.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:HR:2026:1672 http://psi.rechtspraak.nl/cassatie
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.