Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Den Haag, 17 december 2024

ECLI:NL:GHDHA:2024:2377Zaaknummer 22-002648-23

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17 december 2024
Publicatiedatum
29 oktober 2026
Zaaknummer
22-002648-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplichtigheid aan witwassen. Overschrijding redelijke termijn, voorwaardelijke taakstraf, toewijzing schadevergoeding benadeelde partij. Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van

1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam aangever] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam aangever], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste

37 ( zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, als voorzitter, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en

mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier

mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2024.

Volledige tekst

Rolnummer: 22-002648-23

Parketnummer: 10-276574-21

Datum uitspraak: 17 december 2024

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 24 augustus 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

adres: [woonadres], [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 20 uren subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 1 jaar. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij op of omstreeks 6 augustus 2020, te Rotterdam en/of [plaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen meermalen, althans eenmaal, telkens (van) een voorwerp, te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 2744 EURO, althans enig geldbedrag

- de werkelijke aard en/of herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

- gebruik heeft gemaakt, terwijl hij/zij wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meerdere onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 augustus 2020, te Rotterdam en/of [plaats], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 2744 EURO, althans enig geldbedrag

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

- heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

- heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

- gebruik heeft gemaakt,

terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 6 augustus 2020 te Rotterdam en/of [plaats], althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen/persoon (telkens) zijn verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekeningnummer (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Vrijspraak

Met de rechtbank is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan – overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging

Namens de verdachte is bepleit – op gronden zoals nader vermeld in de pleitaantekeningen van de raadsvrouw – dat de verdachte ook van het subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof is het hiermee niet eens. Het overweegt daarover als volgt en stelt het volgende vast aan de hand van de inhoud van wettige bewijsmiddelen.

Op de [naam bank 1] bankrekeningnummer op naam van de verdachte is drie keer een bedrag gestort door aangever [naam aangever]. Bij het openen van deze [naam bank 1] bankrekening is een kopie van het identiteitsbewijs van de verdachte verstrekt, en is vanaf een [naam bank 2] bankrekening op naam van de verdachte een bedrag van € 0,01 op de nieuw geopende [naam bank 1] bankrekening gestort. Verder zijn de door [naam aangever] overgemaakte geldbedragen direct na storting contant opgenomen bij verschillende geldautomaten.

De inhoud van wettige bewijsmiddelen en het voorgaande leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat sprake was van een witwasconstructie, waarbij van misdrijf (Whatsapp-fraude/oplichting) afkomstig geld is verworven, voorhanden gehad en omgezet van giraal naar contant geld.

Relevant is vervolgens de vraag of ook verdachte op enigerlei wijze bij voornoemde constructie betrokken is geweest. De verdachte heeft tijdens haar verhoor bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep ontkend dat zij de betreffende [naam bank 1] bankrekening heeft geopend. Zij heeft wel verklaard dat zij in staat was tot internetbankieren vanaf haar [naam bank 2] rekening. En ook dat zij op enig moment door de [naam bank 1] bank werd gebeld in verband met de stortingen en de opnames. Dit betekent dat ook haar telefoonnummer moet zijn opgegeven bij het openen van de bankrekening.

Volgens verdachte is het toch een ander geweest die haar rekening bij de [naam bank 1] bank heeft geopend. Als een mogelijke verklaring heeft zij tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij ooit een tasje is verloren, met daarin haar telefoon waarop een foto van haar identiteitsbewijs stond opgeslagen. Ter terechtzitting in hoger beroep geeft de verdachte als mogelijke verklaring dat er sprake kan zijn geweest van een datalek bij haar beschermingsbewindvoerder.

Los van de omstandigheid dat deze verklaringen pas in een laat stadium zijn afgelegd, zijn deze verklaringen onvoldoende concreet en daardoor op geen enkele wijze te verifiëren, bijvoorbeeld door het overleggen van een aangifte van verlies/diefstal van het tasje, of een verklaring van de (toenmalige) beschermingsbewindvoerder van de verdachte. Bovendien valt niet in te zien hoe het door de verdachte gestelde verlies van haar telefoon met daarop een foto van haar identiteitsbewijs en/of het gestelde datalek er toe kunnen hebben geleid dat - buiten haar om - de [naam bank 1] bankrekening op haar naam is geopend en vanaf haar [naam bank 2] bankrekening op die [naam bank 1] bankrekening € 0,01 is gestort.

Dit alles leidt naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat de verdachte het bedrag van € 0,01 van haar [naam bank 2] rekening op de [naam bank 1] rekening heeft gestort, dat zijzelf door onder meer deze handeling de [naam bank 1] rekening op haar naam heeft geopend/geactiveerd, en dat zij deze vervolgens aan onbekend gebleven personen ter beschikking heeft gesteld. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij behulpzaam zou zijn bij het plegen van witwassen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

een of meerdere onbekend gebleven personen op of omstreeks 6 augustus 2020, te Rotterdam en/of [plaats], althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen

(telkens) van (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) van in totaal 2744 EURO, althans enig geldbedrag

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft/hebben verhuld en/of

- heeft/hebben verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of

- heeft/hebben verworven en/of voorhanden heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen en/of heeft/hebben omgezet en/of

- gebruik heeft/hebben gemaakt,

terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 6 augustus 2020 te Rotterdam en/of [plaats], althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door aan die onbekend gebleven personen/persoon (telkens) zijn haar verdachtes, bankpas en/of pincode en/of bankrekeningnummer (mee) te geven en/of ter beschikking te stellen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan witwassen van een geldbedrag, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. onder meer oplichting.

Het hof heeft in het voordeel van verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof stelt voorts vast dat sinds het plegen van het feit sprake is van aanzienlijk tijdsverloop, en dat bij de verdachte als alleenstaande moeder sprake is van kwetsbare persoonlijke omstandigheden.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding [naam aangever]

In het onderhavige strafproces heeft [naam aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.700,00. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist, door integrale vrijspraak van het tenlastegelegde te bepleiten.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij evenwel aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het subsidiair bewezenverklaarde. Het was weliswaar de door onbekenden gepleegde oplichting waardoor de benadeelde partij werd bewogen tot het overmaken van geldbedragen maar doordat die bedragen vervolgens direct contant zijn opgenomen waren deze niet meer te achterhalen. Het openen van de bankrekening bij de [naam bank 1] bank was dus een onmisbare schakel tussen de gepleegde oplichting – en het daaruit voortvloeiende witwassen – en de door de benadeelde partij geleden schade. Daarmee staat ook de medeplichtigheid aan het witwassen naar het oordeel van het hof in voldoende rechtstreeks verband tot de schade om de vordering te kunnen toewijzen.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf tot aan de dag der algehele voldoening.

Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam aangever]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 2.700,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam aangever].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 48 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van

1 (één) jaaraan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam aangever] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) ter zake van materiële schade.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam aangever], ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.700,00 (tweeduizend zevenhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste

37 ( zevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door mr. A.E. Mos-Verstraten, als voorzitter, mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers en

mr. A. de Lange, leden, in bijzijn van de griffier

mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 17 december 2024.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.