Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6607Zaaknummer 200.364.937/01
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.364.937/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling partneralimentatie; behoefte en inkomensvergelijking
Het hof, beschikkende hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 november 2025, voor zover daarin een door de man te betalen partneralimentatie is bepaald (rechtsoverwegingen 4.3. en 4.4.) en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 11 maart 2026 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 438 bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw, voor zover zij meer partneralimentatie heeft ontvangen dan waarop zij op grond van deze beschikking recht heeft, dit meerdere aan de man dient terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. F. van der Meulen en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 15 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.364.937/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 576912)
beschikking van 15 oktober 2026
in de zaak van
[verzoeker] (de man),
die woont in [woonplaats1],
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. J.W. Kempenaar-van Ittersum te Dronten,
en
[verweerster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats1],
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. J.M.M. Pater te Emmeloord.
1 De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (hierna: de bestreden beschikking).
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 11 februari 2026;
- een journaalbericht namens de man van 31 maart 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vrouw van 10 augustus 2026 met bijlage(n);
- een e-mail namens de man van 17 augustus 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 20 augustus 2026 plaatsgevonden. De vrouw en de man zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De advocaat van de man heeft mede het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen.
3 De feiten
Partijen zijn [in] 2018 met elkaar gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden. Uit dit huwelijk zijn geen kinderen geboren.
De man heeft op 4 juni 2024 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De rechtbank heeft op 13 november 2025 de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 11 maart 2026 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
4 De omvang van het geschil
In de onderhavige procedure ligt aan het hof voor de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van € 1.722 bruto per maand als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aan de vrouw moet betalen. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie. Hij is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid en de inkomensvergelijking. De man verzoekt de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie te vernietigen en het verzoek van de vrouw om partneralimentatie alsnog af te wijzen of lager vast te stellen.
De vrouw voert verweer en zij verzoekt het hoger beroep van de man af te wijzen en de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen.
5 De motivering van de beslissing
De rechter kan aan een voormalig echtgenoot die niet genoeg inkomen heeft om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien en ook niet in staat is meer inkomen te verdienen, op diens verzoek bepalen dat de andere voormalig echtgenoot partneralimentatie moet voldoen. Daarbij wordt voor de vaststelling van die bijdrage rekening gehouden met de behoefte bij de ene echtgenoot en de draagkracht van de andere.
Ingangsdatum
De ingangsdatum van de verzochte partneralimentatie is niet in geschil. Dat is de datum van inschrijving van de echtscheiding, te weten 11 maart 2026.
Hoogte van de behoefte vrouw
De vrouw heeft om vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud verzocht. De rechtbank heeft daartoe de netto behoefte van de vrouw berekend op € 4.555 per maand. Daar is de man het niet mee eens. Volgens hem is de behoefte van de vrouw te hoog vastgesteld. Hij stelt, kort gezegd, dat de rechtbank bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte ten onrechte heeft overwogen dat voor het inkomen van de man enkel wordt uitgegaan van het inkomen in loondienst in 2023 en dat er geen rekening wordt gehouden met de resultaten van het bedrijf van de man en de privé stortingen in het bedrijf. De vrouw is het met de berekening van de rechtbank eens; volgens haar is de behoefte juist vastgesteld.
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de behoefte van de vrouw moet worden berekend op basis van de zogenoemde hofnorm. Dat is een norm waarbij de behoefte wordt vastgesteld op basis van 60% van het besteedbaar inkomen tijdens het huwelijk. De man en de vrouw zijn in 2023 uit elkaar gegaan.
Niet in geschil is dat partijen gedurende de periode dat zij samenleefden beiden een eigen onderneming hadden. De man was eigenaar van een eenmanszaak, [naam1], en de vrouw van een eenmanszaak, [naam2]. De man heeft zijn onderneming [naam1] medio 2023 verkocht aan de zoon van de vrouw. Verder geldt dat de man gedurende het huwelijk inkomsten genereerde uit een dienstverband bij Rollecate Group B.V.
Bij de bepaling van de behoefte in verband met het inkomen van een zelfstandig ondernemer is gebruikelijk dat de winst uit onderneming wordt vastgesteld door middeling van de bedrijfsresultaten over de laatste drie jaren voorafgaand aan het uiteengaan van partijen. Door de resultaten over de laatste drie jaren van de onderneming te middelen, worden zowel de positieve als de negatieve uitschieters in het bedrijfsresultaat ondervangen. Van het hiervoor genoemde uitgangspunt kan onder meer worden afgeweken wanneer een van deze jaren niet representatief is ten gevolge van oorzaken die buiten de normale bedrijfslijn liggen.
De rechtbank is voor het inkomen van de vrouw uitgegaan van de aangiften inkomstenbelasting over 2022 en 2023. Omdat het inkomen van de vrouw in 2021 vanwege de coronaperiode geen reëel beeld geeft, is dat jaar door de rechtbank niet in de berekening betrokken. Tegen deze vaststelling van het inkomen van de vrouw ten tijde van het huwelijk zijn geen grieven gericht, zodat het hof dit als uitgangspunt neemt. Het hof gaat net als de rechtbank voor het inkomen van de vrouw uit van een gemiddelde winst uit de onderneming gebaseerd op de jaren 2022 (€ 25.978) en 2023 (€ 43.985). Dit levert een gemiddelde winst op van € 34.982 per jaar.
Het hof berekent het daarbij behorende netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 2.660 per maand. Het hof heeft daarbij volgens de fiscale wetgeving rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het hof heeft geen rekening gehouden met de investeringsaftrek omdat de vrouw blijkens de fiscaal rapporten aangifte inkomstenbelasting 2022 en 2023 dit zelf in de jaren 2021 en 2022 ook niet heeft gedaan. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.
Voor het inkomen van de man is de rechtbank uitgegaan van zijn inkomen uit loondienst in 2023, zoals dit blijkt uit de jaaropgaaf over 2023, waarop een belastbaar loon van € 77.333 is vermeld. Dit inkomen is niet in geschil.
De vraag is vervolgens of naast voornoemd inkomen uit dienstverband tevens rekening dient te worden gehouden met de onderneming van de man; de negatieve bedrijfsresultaten en de privéstortingen die de man heeft gedaan in het bedrijf en de eventuele effecten hiervan op de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd.
Uit de door de man overgelegde aangiften inkomstenbelasting en de daarin opgenomen winstaangifte van zijn onderneming blijken de volgende cijfers:
2021 verlies € 32.051 (investeringsaftrek € 2.546)
2022 verlies € 32.433 (investeringsaftrek € 5.444)
2023 verlies € 38.868 (investeringsaftrek € 9.207).
De man stelt dat deze negatieve resultaten van invloed zijn geweest op het besteedbaar inkomen van de man. Dit geldt ook voor de privéstortingen die hij in 2021, 2022 en 2023 heeft gedaan in het bedrijf. Deze stortingen waren noodzakelijk in verband met de negatieve liquiditeitspositie van het bedrijf. De man heeft een overzicht in het geding gebracht en bankafschriften waaruit blijkt dat hij ook in 2023 gedurende de periode van samenwoning (tot september 2023) nog stortingen vanuit privé heeft gedaan in het bedrijf. De man stelt dat de privéstortingen in 2023 (tot september) € 25.900 bedroegen.
Het hof vindt het redelijk om naast het inkomen uit dienstverband van de man van € 77.333 per jaar ook rekening te houden met het gemiddelde van de negatieve resultaten van de onderneming van de man van de drie jaren voorafgaand aan de scheiding omdat dit in negatieve zin invloed heeft gehad op de welstand tijdens het huwelijk. Dit gemiddelde bedraagt van € 34.451.
Het hof berekent het daarbij behorend netto besteedbaar inkomen van de man op € 2.987 per maand. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de gemiddelde investeringsaftrek (€ 5.732), de MKB winstvrijstelling, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.
Het hof ziet geen grond om naast het gemiddelde negatieve resultaat nog rekening te houden met de door de man opgevoerde privéstortingen, nu de noodzaak van het doen van die stortingen verband houdt met het bestaan van de negatieve bedrijfsresultaten. Het in aanmerking nemen van bedoelde stortingen zou daardoor leiden tot een dubbeltelling.
De vrouw heeft nog gesteld dat veel gezinsuitgaven zijn geboekt via de onderneming van de man, maar zij heeft daarbij ter zitting als enig voorbeeld slechts de zakelijke afboeking van de kosten van de keuken genoemd. De man heeft daartegen ingebracht dat de keuken terecht deels zakelijk en voor het overige privé is geboekt. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken, dat het niet ging om reële zakelijke kosten. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw.
Het hof stelt het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen vast op € 5.647 per maand. Van dat inkomen heeft de vrouw volgens de hofnorm 60% nodig. Dat was € 3.388 netto per maand in 2023. Dat is geïndexeerd naar 2026 € 4.008,20 netto per maand.
Behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de vrouw onvoldoende inkomsten heeft om te voorzien in haar levensonderhoud, en zich deze in redelijkheid niet kan verwerven.
Het hof stelt voorop dat het inkomen van de vrouw waarmee rekening dient te worden gehouden niet in geschil is. Dit is het bedrag dat de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen, namelijk € 60.000 winst uit onderneming per jaar. Zowel de man als vrouw gaan daarvan uit. Uitgaande van dit inkomen berekent het hof het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2026 op € 3.785 per maand. Anders dan de rechtbank heeft het hof de zelfstandigenaftrek in de berekening meegenomen, nu de vrouw voldoet aan het daartoe vereiste urencriterium. Dit sluit op dit punt aan bij de IB-aangifte van de vrouw. Het hof verwijst naar de aangehechte berekening.
De aanvullende behoefte van de vrouw in 2026 bedraagt dan (behoefte (€ 4.008,20) minus haar netto besteedbaar inkomen (€ 3.785)) € 223,20 netto per maand. Dit komt neer op een bruto behoefte van € 438 per maand.
Draagkracht van de man
Het hof gaat net als de rechtbank voor het inkomen van de man uit van de jaaropgaaf over 2024, waarop een belastbaar loon van € 88.859 is vermeld en een bedrag van € 9.394 voor privégebruik auto van de zaak. Hierbij overweegt het hof dat geen grief is gericht tegen de berekening van de rechtbank op dit punt. Het hof neemt in aanmerking dat de man ter zitting heeft verklaard dat hij inmiddels een hoger inkomen heeft gekregen (1,35%) in verband met inflatie. Gelet op de ingangsdatum, 11 maart 2026, is het hof van oordeel dat de indexering mee dient te worden genomen in de berekening van de partneralimentatie. Het hof stelt daarmee het inkomen van de man voor 2026 op € 90.059 te verminderen met de fiscale bijtelling privégebruik auto van de zaak.
Namens de vrouw is gewezen op de wijze waarop de man na verkoop van de onderneming nog een vergoeding voor zijn onderneming ontvangt. Een deel daarvan zou inkomen zijn voor advieswerkzaamheden. De vrouw heeft echter aan deze stelling verder geen consequentie verbonden, zodat het hof daaraan voorbijgaat.
Uit de aangehechte en gewaarmerkte draagkrachtberekening die deel uitmaakt van deze beschikking, blijkt dat de man voldoende draagkracht heeft om in de aanvullende behoefte van de vrouw – in r.o. 5.18. vastgesteld op € 438 bruto per maand – te voorzien. Het hof zal dan ook bepalen dat de man vanaf 11 maart 2026 gehouden is € 438 bruto per maand aan partneralimentatie te betalen.
Inkomensvergelijking
Omdat de man heeft gesteld dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie (in ieder geval bij een bijdrage hoger dan € 600 per maand) in een betere financiële positie komt en dan meer vrij te besteden heeft dan de man, ziet het hof aanleiding een inkomensvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de hiervoor in rechtsoverweging 5.17. vermelde financiële gegevens.
Uit de aangehechte inkomensvergelijking blijkt dat de vrouw bij een partneralimentatie van € 438 per maand niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man, zodat er geen reden is dit bedrag te matigen. Pas als de man € 671 per maand aan partneralimentatie zou betalen, hebben partijen een gelijk besteedbaar inkomen.
Terugbetalingsverplichting
Zoals hiervoor overwogen hanteert het hof dezelfde ingangsdatum van de partneralimentatie als de rechtbank, te weten 11 maart 2026. De man heeft de partneralimentatie die de rechtbank heeft vastgesteld inmiddels volledig betaald.
Omdat de door het hof vastgestelde alimentatieverplichting lager is dan de verplichting die de rechtbank heeft opgelegd moet het hof beoordelen of en in hoeverre van de vrouw in redelijkheid kan worden gevraagd dat zij het te veel ontvangen bedrag aan de man terugbetaalt. Daarbij is onder meer relevant in hoeverre de ontvangen alimentatie is verbruikt, of de vrouw de alimentatie nodig had (aanvullende behoefte), of de vrouw over de financiële middelen beschikt om terug te betalen en het belang van de man bij terugbetaling van de alimentatie.
In dit geval is het naar het oordeel van het hof redelijk dat van de vrouw verlangd wordt het te veel ontvangen bedrag aan de man terug te betalen. De financiële situatie van partijen is ter zitting van het hof uitgebreid besproken. Het gaat om een korte periode waarover de partneralimentatie is voldaan en de vrouw kon en moest bovendien rekening houden met wijziging van de vastgestelde partneralimentatie en de daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting. Alleen al op grond van de door de man verzochte inkomensvergelijking had de vrouw rekening moeten houden met het feit dat de partneralimentatie door de rechtbank te hoog was bepaald. Daar komt bij dat niet uit de stukken of wat in de procedure is aangevoerd is gebleken dat de vrouw niet in staat zou zijn om de te veel ontvangen partneralimentatie terug te betalen.
Aanhechting draagkrachtberekeningen
Het hof heeft berekeningen van de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en een inkomensvergelijking gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
6 De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking, voor zover daarbij de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie is vastgesteld, vernietigen en beslissen als volgt.
Het hof zal de kosten van de procedure compenseren, omdat partijen met elkaar gehuwd zijn geweest. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
7 De beslissing
Het hof, beschikkende hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 november 2025, voor zover daarin een door de man te betalen partneralimentatie is bepaald (rechtsoverwegingen 4.3. en 4.4.) en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 11 maart 2026 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 438 bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw, voor zover zij meer partneralimentatie heeft ontvangen dan waarop zij op grond van deze beschikking recht heeft, dit meerdere aan de man dient terug te betalen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. F. van der Meulen en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 15 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.