Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 oktober 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:6544Zaaknummer 200.366.978/01

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.366.978/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 1:377a lid 3 onder d. BW. Het hof ontzegt de vader de omgang met zijn kind, omdat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

7 januari 2026, en, met wijziging in zoverre van de beschikking van 16 juni 2021, opnieuw beschikkende:

ontzegt aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, F. van der Meulen en F. Menso, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het geding in eerste aanleg
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 4 De omvang van het geschil
  4. 5 De motivering van de beslissing
  5. 6 De slotsom
  6. 7 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.978/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190236)

beschikking van 13 oktober 2026

inzake

[verzoekster] (de moeder),

wonende te [woonplaats] ,verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. S.A. Wilman te Leeuwarden,

en

[verweerdeer] (de vader),

van wie de woonplaats onbekend is,

verweerder in hoger beroep.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend: de raad voor de kinderbescherming (de raad), regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 augustus 2023, 15 november 2023,

4 december 2024 en 7 januari 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 24 maart 2026;

- een brief namens de moeder van 16 april 2026 met bijlage(n);

- een brief van de raad van 6 mei 2026;

- een journaalbericht namens de moeder van 22 mei 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de moeder van 14 september 2026 met bijlage(n).

2.2

Op 14 september 2026 is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van de overige belanghebbenden door het hof is gehoord.

2.3

De mondelinge behandeling heeft op 16 september 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de moeder, bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Spaanse taal, en een vertegenwoordiger namens de raad.

3. De feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige], geboren [in] 2026 in Mexico. De moeder oefent alleen het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] woont bij de moeder.

3.2

De vader en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit. De moeder heeft de Mexicaanse nationaliteit.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 16 juni 2021 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [de minderjarige] te belasten afgewezen. In diezelfde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat [de minderjarige] elke week één dag in het weekend omgang heeft met de vader.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil (de invulling van) het recht op omgang van de vader met [de minderjarige]. Bij de -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- bestreden beschikking van 7 januari 2026 is, met wijziging van de beschikking van 16 juni 2021, bepaald dat de vader omgang zal hebben met [de minderjarige]:

- op zondag 28 december 2025 om 12.00 uur tot 17.00 uur en daarna:

- eenmaal per veertien dagen op zaterdag, ingaande op zaterdag 10 januari 2026,

vanaf 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] om 12.00 uur haalt bij de

moeder en de moeder [de minderjarige] weer ophaalt op het station [plaats] om 17.00

uur. Het meer of anders verzochte is afgewezen. Behalve ten aanzien van het halen en brengen van [de minderjarige] betrof dit de vastlegging van de door partijen ter zitting bij de rechtbank samen gemaakte afspraken over de omgang tussen de vader en [de minderjarige].

4.2

De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

De moeder verzoekt het hof om bij beschikking in hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog het navolgende te bepalen:

- de beschikking van 16 juni 2021 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, te wijzigen in die zin dat de vader de omgang met [de minderjarige] wordt ontzegd, althans dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [de minderjarige] wordt afgewezen,

- dan wel te bepalen dat er een begeleide omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] met een frequentie en duur zoals dit door het hof juist wordt geacht,

- althans een zodanige beslissing te nemen zoals het hof juist acht.

5 De motivering van de beslissing

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1

Deze zaak heeft een internationaal karakter, zodat eerst de vraag moet worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

5.2

Omgang is een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid en valt daarmee, nu het inleidend verzoek is ingediend ná 1 augustus 2022, onder het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 (Brussel II-ter). Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [de minderjarige] ten tijde van het inleiden van de procedure in eerste aanleg zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, waar hij overigens ook nu nog woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over de omgang te oordelen.

5.3

Omdat er geen grieven zijn gericht tegen de toepassing van Nederlands recht door de rechtbank, zal ook het hof uitgaan van de toepasselijkheid van het Nederlandse recht.

Omgang

5.4

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De rechter kijkt naar alle omstandigheden en neemt een beslissing die hij of zij in het belang van het kind wenselijk vindt.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.[_9ff055f9-efdd-4f5f-810b-0d863966450c]

5.5

Uit het dossier komt naar voren dat [de minderjarige] in zijn jonge leven veel instabiliteit en onrust heeft meegemaakt als gevolg van wisselende verblijfplaatsen, spanningen en ruzies tussen zijn ouders, wisselende omgang en contactverlies met de vader. Het is voor [de minderjarige] al heel wat jaren erg verwarrend en onduidelijk of en wanneer hij omgang met de vader heeft. Hierdoor is het voor [de minderjarige] lastig om een band met de vader op te bouwen en om hem te zien als iemand die er voor hem is. Dit kan onzekerheid, verdriet en angst veroorzaken.

5.6

Er heeft vanaf oktober/november 2023 langdurig geen omgang plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige], terwijl [de minderjarige] dat wel graag wilde. De raad heeft in zijn rapport van 26 juli 2024 geconcludeerd dat omgang met de vader in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] is. Dit had te maken met de bedreigende uitspraken die de vader richting de moeder en de raad heeft gedaan en het feit dat hij weigerde inzicht te geven in zijn psychisch functioneren. De bedreigende uitingen van de vader hebben bij de moeder veel stress en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt en uiteindelijk geleid tot een contact- en locatieverbod.

5.7

Hoewel er zorgen bestonden over het gedrag van de vader, heeft de rechtbank bij beschikking van 4 december 2024 geoordeeld dat de veiligheid van [de minderjarige] voldoende kan worden gewaarborgd door het opstarten van begeleide omgang middels BOCS (Beschermde Omgang en Coaching na Scheiding) van het Kenniscentrum Kind & Echtscheiding (KKE).

Ondanks de toezegging die de vader toen heeft gedaan om hieraan te zullen deelnemen, is het traject vanwege de latere weigering van de vader om hieraan mee te werken niet van de grond gekomen en hebben de ouders geen afspraken kunnen maken over de omgang.

Tijdens de zitting bij de rechtbank op 16 december 2025 is het de ouders wel gelukt om afspraken te maken over de omgang. Zij zijn toen overeengekomen dat [de minderjarige] voor het eerst op 28 december 2025 een aantal uren omgang zou hebben met de vader en daarna eenmaal per veertien dagen op zaterdag. Tijdens de zitting bij het hof is gebleken dat de omgang tot februari 2026 heeft plaatsgevonden en daarna niet meer. De moeder heeft een aantal keren met [de minderjarige] op het station gestaan voor een omgangafspraak met de vader, terwijl hij niet op kwam dagen. Dit heeft een grote impact gehad op [de minderjarige].

Zoals [de minderjarige] in het kindgesprek bij het hof heeft verklaard, gaf hem dit het gevoel dat zijn vader niet van hem houdt.

5.8

Tijdens de zitting bij het hof heeft de raad zijn advies uit het raadsrapport van 26 juli 2024 gehandhaafd om geen omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] vast te stellen omdat dit (momenteel) in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige].

Volgens de raad heeft de vader destijds de kans gekregen om een begeleid omgangstraject

op te starten, maar geweigerd om hieraan mee te werken. [de minderjarige] is vanaf 2024 meerdere keren blootgesteld aan teleurstellingen, omdat de omgang vaak niet doorging. De moeder heeft wel steeds opengestaan voor hulp en er is langdurig een beroep gedaan op haar flexibiliteit wat betreft het tot stand brengen van het contact tussen de vader en [de minderjarige].

In de afgelopen jaren is de wens van [de minderjarige] om contact te hebben met de vader steeds vooropgesteld. Geen omgang met de vader brengt volgens de raad rust en duidelijkheid, wat op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige] is.

5.9

Evenals de raad, is het hof van oordeel dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] onder de hiervoor genoemde omstandigheden op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige]. De vader is langdurig niet in staat gebleken om [de minderjarige] continuïteit in de omgang te bieden. De vader heeft in de afgelopen jaren veel kansen gehad om structureel omgang met [de minderjarige] te hebben. Die kansen heeft hij laten schieten met als gevolg dat [de minderjarige] vaak is teleurgesteld. Om [de minderjarige] te beschermen tegen verdere teleurstellingen en voor hem duidelijkheid en rust te creëren, zal het hof de vader het recht op omgang met [de minderjarige] ontzeggen. Deze beslissing zal ook bij de moeder voor rust en duidelijkheid zorgen. Het hof acht dit in het belang van [de minderjarige], omdat de moeder zijn enige opvoeder is. Het wegvallen van de spanning en onrust rondom de omgang en het onvoorspelbare gedrag van de vader zullen bijdragen aan het welzijn en de gezonde ontwikkeling van [de minderjarige].

5.10

De ontzegging van het recht op omgang is per definitie tijdelijk. De vader kan na een jaar (of eerder als de omstandigheden zijn gewijzigd) opnieuw aan de rechter vragen om een omgangsregeling vast te stellen. De rechter zal de situatie dan opnieuw beoordelen.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

7 januari 2026, en, met wijziging in zoverre van de beschikking van 16 juni 2021, opnieuw beschikkende:

ontzegt aan de vader het recht op omgang met [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, F. van der Meulen en F. Menso, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.

Voetnoten

  1. Artikel 1:377a lid 1 en lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.