Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 oktober 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:6542Zaaknummer 200.364.789/01

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.364.789/01
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Leeuwarden
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Familierecht. Informele rechtsingang minderjarig kind. Het hof volgt advies van de raad. Zorgregeling onder regie van de GI in belang van de minderjarige.

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 november 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat onder regie van de GI gewerkt moet worden aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij het aan de GI is om te bepalen of en wanneer met contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader kan worden gestart, en hoe dit contact er qua vorm (begeleid of onbegeleid), duur, frequentie en opbouw uit moet zien;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 13 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedure bij de rechtbank
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 De motivering van de beslissing
  6. 6 Slotsom
  7. 7 Beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.364.789/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 232989)

beschikking van 13 oktober 2026

over het contact van de vader met [de minderjarige] ( [de minderjarige])

in de zaak van

[verzoeker] (de vader),

die woont op een geheim te houden adres,

advocaat: mr. M. Wierts te Groningen,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont op een geheim te houden adres,

advocaat: mr. C. Kamp-Wiggers te Leek.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen (de GI),

die is gevestigd in Groningen.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Noord Nederland, locatie Groningen.

1 Samenvatting

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 6 november 2025 de tussen de ouders geldende zorgregeling gewijzigd. De rechtbank heeft bepaald dat de regie voor de zorgregeling bij de GI komt te liggen en dat daarbij moet worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige] in ieder geval om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.

Er is op dit moment geen contact tussen de vader en [de minderjarige]. Het hof beslist dat de regie over de zorgregeling bij de GI moet blijven en dat daarbij moet worden toegewerkt naar contactherstel, dit (anders dan de rechtbank heeft bepaald) zonder dat daarbij op dit moment al als uiteindelijk doel de weekendregeling wordt genoemd. Het hof legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van [de minderjarige]. [de minderjarige] is geboren [in] 2013. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige].

[de minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

2.2.

De ouders hebben een relatie gehad. Deze relatie is kort na de geboorte van [de minderjarige] verbroken.

2.3.

De ouders hebben meerdere gerechtelijke procedures gevoerd over het vaststellen van een omgangsregeling (en later - nadat ook de vader het gezag over [de minderjarige] is gaan uitoefenen – over een regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken) tussen [de minderjarige] en de vader.

2.4.

[de minderjarige] heeft van 23 december 2014 tot 23 december 2018 onder toezicht gestaan van [jeugdzorg]. In deze periode hebben de ouders met behulp van de hulpverlening gewerkt aan (begeleide) omgang tussen de vader en [de minderjarige]. In oktober 2017 heeft dit hof in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders een zorgregeling vastgesteld, waarbij [de minderjarige] een keer per 14 dagen vanaf vrijdagmiddag uit school tot de daaropvolgende woensdagochtend naar school en tijdens de helft van de vakanties bij de vader diende te verblijven.

2.5.

De ouders hebben voornoemde regeling in 2020 in onderling overleg uitgebreid naar een co-ouderschapsregeling. De ouders hebben in een schriftelijke, door hen beiden ondertekende verklaring van 17 oktober 2020 verklaard, voor zover hier van belang: “dat vanaf de periode 1 juli 2020 tot in ieder geval 1 januari 2023 zij, als ouders, het ouderlijk gezag over [de minderjarige] in de vorm van co-ouderschap uitoefenen. [de minderjarige] verblijft de ene week bij de ene ouder en de week erop bij de andere ouder.”

2.6.

In 2022 heeft [de minderjarige] bij haar moeder aangegeven dat zij niet meer naar haar vader wil, onder andere omdat hij haar zou slaan. De moeder heeft daarom vanaf augustus 2022 de uitvoering van het co-ouderschap tussen [de minderjarige] en de vader (tijdelijk) stopgezet. Bij vonnis in kort geding van 28 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter onder andere bepaald dat de co-ouderschapsregeling hervat moet worden, met inachtneming van een periode van opbouw van het contact tussen [de minderjarige] en de vader. Daarna is de co-ouderschapsregeling hervat.

2.7.

Van september 2022 tot maart 2023 is Veilig Thuis Groningen betrokken geweest bij [de minderjarige]. Aanleiding hiervoor waren een melding van de moeder, een melding van de huisarts, een melding van school en een melding van de politie.

2.8.

[de minderjarige] is sinds april 2025 niet meer bij haar vader geweest. Tot 18 april 2025 werd nog uitvoering gegeven aan de zorgregeling, maar op 18 april 2025 was de weerstand van [de minderjarige] tegen contact met haar vader zo groot, dat het - ondanks bemiddeling door de politie - niet is gelukt [de minderjarige] die dag naar de vader te laten gaan. De vader heeft vervolgens aangifte wegens onttrekking aan het gezag gedaan, waardoor Veilig Thuis opnieuw betrokken is geweest.

2.9.

[de minderjarige] staat sinds 5 november 2025 opnieuw onder toezicht van de GI. De maatregel geldt tot 5 november 2026.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

Op 13 maart 2024 heeft de rechtbank een brief ontvangen van [de minderjarige]. Hierin

heeft zij - kort samengevat – geschreven dat zij niet meer naar haar vader wil.

[de minderjarige] heeft op 2 april 2024 met een kinderrechter gesproken. Op 1 mei 2024 heeft een zitting plaatsgevonden met de ouders en een vertegenwoordiger van de raad.

3.2.

De rechtbank heeft op 14 juni 2024 de raad verzocht onderzoek te doen naar de meest gewenste contactregeling tussen [de minderjarige] en haar vader en dit onderzoek uit te breiden naar een beschermingsonderzoek indien de raad daartoe aanleiding ziet. In afwachting van dat onderzoek is de definitieve beslissing over de zorgregeling aangehouden.

3.3.

De raad heeft gerapporteerd op 7 februari 2025. In dit rapport adviseert de raad de zorg- en opvoedtaken tussen ouders voorlopig zodanig te verdelen dat [de minderjarige] de ene week bij de vader is en de andere week bij de moeder. Ook adviseert de raad de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden voor een periode van vier maanden om de ouders van [de minderjarige] de gelegenheid te geven in de tussenliggende periode hulpverlening in te roepen.

3.4.

Op 1 mei 2025 heeft [de minderjarige] de rechter opnieuw een brief geschreven om nogmaals duidelijk te maken dat zij niet meer naar haar vader toe wil. Naar aanleiding van die brief heeft de rechter op 5 juni 2025 opnieuw met [de minderjarige] gesproken. Op 5 juni 2025 heeft ook een zitting plaatsgevonden met de ouders en een vertegenwoordiger van de raad.

3.5.

Op 27 juni 2025 heeft de rechtbank een beschikking gegeven. Op dat moment was

onder andere de hulpverleningsorganisatie [naam1] bij [de minderjarige] betrokken. De rechtbank heeft

in die beschikking - samengevat weergegeven - bepaald dat voorlopig de volgende

zorgregeling geldt tussen [de minderjarige] en haar vader:

- [de minderjarige] verblijft om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader;

- tijdens de contactmomenten tussen [de minderjarige] en haar vader komt er regelmatig iemand langs

van [naam1] bij de vader thuis om het contact tussen [de minderjarige] en haar vader te observeren;

- gedurende de zomervakantie zal [de minderjarige] de eerste drie weken bij haar moeder verblijven;

- in de laatste drie weken van de zomervakantie zal, in overleg met de hulpverlening van

[naam1], worden bezien of [de minderjarige] een aaneengesloten week bij haar vader kan verblijven,

waarin eveneens observaties kunnen plaatsvinden.

Die beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank iedere

verdere beslissing aangehouden en bepaald dat de zaak mondeling (verder) zal worden

behandeld op 12 november 2025. Die behandeling is vervroegd naar 14 oktober 2025.

3.6.

De door de rechtbank vastgestelde weekendregeling en de geplande observaties in

juli en augustus 2025 zijn, ondanks het feit dat de begeleidster van [naam1] bij [de minderjarige] de

bereidheid tot medewerking aan deze observatieweekenden had gecreëerd, niet doorgegaan.

Er bleek sprake van een gebrek aan vertrouwen van de vader in [naam1] en nadat de vader

klachten tegen [naam1] had ingediend, heeft [naam1] laten weten de observaties niet te zullen

uitvoeren.

3.7.

In de beschikking van 6 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank de tussen de ouders geldende zorgregeling gewijzigd. De rechtbank heeft bepaald dat de regie voor de zorgregeling bij de GI komt te liggen, waarbij moet worden toegewerkt naar een zorgregeling waarbij [de minderjarige] in ieder geval om het weekend van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft. Het meer of anders verzochte heeft de rechtbank afgewezen.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank van 6 november 2025. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en bepaalt dat het co-ouderschap, zoals dat gold tussen de vader en [de minderjarige], hervat moet worden, althans dat het co-ouderschap wordt vastgelegd, en dat daarbij een opbouwend schema wordt vastgelegd, zoals dat door de vader in zijn beroepschrift is omschreven.

Daarnaast wil de vader dat het hof een nader onderzoek instelt naar de problematiek die speelt (ouderverstoting) en de behandelwijze daarvan.

4.2.

Ook de moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen en de vader het recht op omgang met [de minderjarige] alsnog te ontzeggen, althans de zorgregeling te schorsen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

- het beroepschrift, ontvangen op 5 februari 2026;

- de stukken namens de vader, ontvangen op 17 februari 2026;

- de stukken namens de vader van 6 maart 2026;

- de stukken namens de vader van 9 maart 2026;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;

- het verweerschrift tegen het incidenteel hoger beroep;

- een brief van de GI van 4 juni 2026;

- de stukken namens de moeder van 10 september 2026;

- de stukken namens de vader van 21 september 2026, mede inhoudende het verzoek tot een contra expertise;

- een brief van de GI van 24 september 2026.

4.4.

[de minderjarige] heeft op 28 september 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van het contact met de vader.

4.5.

De zitting bij het hof was op 1 oktober 2026. Aanwezig waren:

- de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI;

- twee vertegenwoordigers van de raad.

Mr. Wierts heeft het woord gevoerd mede aan de hand van pleitaantekeningen.

5 De motivering van de beslissing

Informele rechtsingang

5.1.

Als ouders een eerdere afspraak over de zorgregeling met hun kind(eren) willen wijzigen en ze komen er samen niet uit, dan kunnen zij de rechtbank vragen hier een beslissing over te nemen.[_63040708-f69e-411b-829e-124c514ae245] In de wet is geregeld dat een minderjarige ook zelf aan de rechter kan vragen om zo’n beslissing te nemen, via een informele rechtsingang.[_e5b7624e-ef4b-47af-be7d-19fe7f235062] In deze zaak heeft [de minderjarige] gebruik gemaakt van deze informele rechtsingang. Dat heeft zij gedaan door een brief te schrijven aan de rechter.

5.2.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien[_bc7d433f-f172-4eae-b4f0-e411004bf15e]:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Gewijzigde omstandigheden

5.3.

Om te kunnen beslissen dat een afspraak over de zorgregeling wordt gewijzigd, moeten de omstandigheden na het maken van die afspraak zijn gewijzigd. In dit geval is dat zo, omdat [de minderjarige] vanwege de situatie bij de vader niet gelukkig is met de huidige regeling. [de minderjarige] weigert op dit moment ook uitvoering te geven aan enige vorm van een zorgregeling. Haar weerstand tegen contact met haar vader is ondanks de inzet van de GI onveranderd groot gebleven. De vader spreekt zelfs van ouderverstoting.

Zorgregeling/ontzegging van het recht op omgang

5.4.

[de minderjarige] heeft het initiatief genomen om de rechter zelf een brief te schrijven, waarin zij een duidelijke mening heeft gegeven over de voor haar geldende zorgregeling. Zij was toen nog maar elf jaar oud. Inmiddels is zij een meisje van dertien jaar oud. Het hof heeft met [de minderjarige] gesproken over het contact met haar vader. In dat gesprek heeft zij duidelijk verteld waarom ze haar verzoek aan de kinderrechter heeft gedaan en dat ze daar nog steeds achter staat.

5.5.

De contactbreuk tussen de vader en [de minderjarige] is tijdens de zitting uitgebreid met alle betrokkenen besproken.

De vader maakt zich zorgen om [de minderjarige] en vindt dat er onvoldoende en/of niet passende hulpverlening is ingezet om de ouderverstotingsproblematiek aan te pakken. De vader is bang dat de afstand tussen enerzijds hem en zijn familie en anderzijds [de minderjarige] alleen maar groter wordt als er niet op korte termijn contact tussen hem en [de minderjarige] wordt gefaciliteerd. De vader is van mening dat hij ook door gebrekkige hulpverlening niet de kans krijgt om te laten zien hoe het contact tussen hem en [de minderjarige] daadwerkelijk is. De vader benadrukt dat de omgang tussen hem en [de minderjarige] altijd goed was, hetgeen volgens hem blijkt uit de overgelegde foto’s en het filmmateriaal en de observaties die in het verleden zijn uitgevoerd. Er waren geen signalen of zorgen over de situatie bij de vader en zijn contact met [de minderjarige]. Hij begrijpt de houding van [de minderjarige] dan ook niet. Hij verzoekt het hof te laten onderzoeken wat er aan de hand is en waar de daadwerkelijke oorzaak ligt voor de contactbreuk.

5.6.

De moeder zou wel willen dat er contact is tussen de vader en [de minderjarige]. Zij zegt dat ze het ook stimuleert, maar toch verzoekt de moeder in hoger beroep om de vader de omgang met [de minderjarige] op dit moment te ontzeggen. Dit is enkel, zoals de moeder ter zitting heeft toegelicht, om [de minderjarige] te beschermen, om [de minderjarige] tot rust te laten komen en om de druk te verlichten die op [de minderjarige] wordt uitgeoefend met betrekking tot het contact. Volgens de moeder is de weerstand van [de minderjarige] tegen contact met de vader nog onverminderd groot en haar dwingen tot omgang maakt die weerstand alleen maar groter. Dat is de reden waarom de moeder om de ontzegging van de omgang heeft verzocht.

5.7.

De raad adviseert het hof om het contactherstel niet te forceren en de regie van het contactherstel bij de GI te laten. De raad benadrukt dat het voor [de minderjarige] op dit moment het allerbelangrijkste is dat er een ontspannen situatie gaat komen, waarin zij weer nieuwsgierigheid mag gaan voelen naar hoe het gaat met haar vader, diens partner en andere voor haar belangrijke personen uit het netwerk van de vader.

Als voorbeeld noemt de raad het plannen van haar verjaardag, waarbij [de minderjarige] - zoals ter zitting ter sprake is gekomen - erover nadenkt om contact te leggen met de partner van de vader. De raad ziet zoiets als een mogelijke opening. Hoewel dit wellicht niet meteen tot contactherstel met de vader zal leiden, kan dit wel het begin zijn van het stapje voor stapje normaliseren van het contact met alle belangrijke mensen in het leven van [de minderjarige]. Het herstellen van de banden met de mensen in het netwerk van de vader kan leiden tot een nieuwe waardering van deze mensen en uiteindelijk ook tot contactherstel met de vader, aldus de raad. De raad hoopt dat [de minderjarige] bijvoorbeeld af en toe iets kan gaan drinken met de partner van de vader. Dit zou op de lange termijn kunnen leiden tot normalisering en dat is voor [de minderjarige] heel belangrijk.

5.8.

De GI heeft op 25 augustus 2026 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot benoeming van een bijzondere curator voor [de minderjarige]. Dit verzoek wordt op 14 oktober door de rechtbank behandeld. Ook de inzet van een bijzondere curator is zowel met [de minderjarige] als met alle betrokkenen ter zitting besproken. [de minderjarige] staat ervoor open. Zij vindt het een goed idee dat er iemand is die met haar meekijkt naar wat goed voor haar is.

5.9.

Het hof ziet aanleiding het advies van de raad, om het contactherstel niet te forceren en de regie van het contactherstel bij de GI te laten, te volgen. Ook het hof is van oordeel dat het op dit moment nodig is dat [de minderjarige] ten aanzien van het contactherstel geen druk voelt. Een sterke regie vanuit de GI is daarbij op zijn plaats, waar nodig in combinatie met het inschakelen van passende hulpverlening. Hierbij overweegt het hof dat weliswaar gebleken is dat [de minderjarige] weerstand toont tegen contact met haar vader en dat dit een omstandigheid is waarmee rekening gehouden moet worden, maar dat het gelet op de leeftijd van [de minderjarige] en de wens van beide ouders om deze situatie te doorbreken, belangrijk is dat met inzet van passende hulpverlening wordt onderzocht op welke manier de weerstand van [de minderjarige] tegen contact met haar vader kan worden verminderd en hoe het contact tussen de vader en [de minderjarige] kan worden vormgegeven op een manier die tegemoetkomt aan de behoeften van [de minderjarige] en de ontwikkelingsfase die zij doormaakt. De eerder ingezette hulp van [naam1] en [naam2] zijn daartoe onvoldoende toereikend gebleken.

5.10.

Uit wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken en door de ouders is verklaard, is duidelijk geworden dat het de insteek van beide ouders is om te werken aan contactherstel tussen de vader en [de minderjarige], terwijl [de minderjarige] bereid is samen met een bijzondere curator te onderzoeken wat op dit punt mogelijk is en in haar belang is.

Het hof is daarom van oordeel dat een ontzegging van het recht van de vader op omgang niet aangewezen en passend is.

5.11.

Het hof begrijpt dat de vader graag vastlegging van een zorgregeling met een opbouwend schema zou zien, maar daarvoor ziet het hof op dit moment geen ruimte. Het meest haalbare is dat er wordt gekeken naar de bij [de minderjarige] levende weerstand tegen contact met haar vader en de belemmeringen die er zijn om die weerstand weg te nemen.

5.12.

Zoals hiervoor al is overwogen, heeft de GI inmiddels bij de rechtbank een verzoek tot het benoemen van een bijzondere curator met expertise op dit gebied ingediend. Daarom acht het hof het niet nodig om daarnaast nog een nader onderzoek in te stellen naar de problematiek die speelt en de behandelwijze daarvan, zoals de vader heeft verzocht.

6 Slotsom

Het hof zal om praktische redenen de beschikking waarvan beroep vernietigen en beslissen als hierna bij de beslissing vermeld.

7 Beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 6 november 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat onder regie van de GI gewerkt moet worden aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij het aan de GI is om te bepalen of en wanneer met contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader kan worden gestart, en hoe dit contact er qua vorm (begeleid of onbegeleid), duur, frequentie en opbouw uit moet zien;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. L. van Dijk en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 13 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Voetnoten

  1. Artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW).
  2. Artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377g BW.
  3. Artikel 1:253a lid 2 onder a jo. 1:377a lid 3 BW.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.