Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6283Zaaknummer 200.373.017/02
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.373.017/02
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep, Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
.Art. 360 lid 2 Rv: afwijzing schorsingsverzoek.
Het hof:
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.373.017/02
(zaaknummers rechtbank Gelderland 462763 en 462763)
beschikking van 1 oktober 2026 op het verzoek tot schorsing
inzake
[man] (de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. G.M. Koert
en
[vrouw] (de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. S.J. Mol
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 juli 2026, uitgesproken onder zaaknummers 462670 en 462763. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2016 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige1] en [minderjarige2] € 383 per maand aan de vrouw zal betalen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2 Het geding in hoger beroep met betrekking tot het verzoek tot schorsing
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoek tot schorsing met producties, ingekomen op 31 juli 2026;
- het verweerschrift;
- het stuk van de man ingediend op 9 september 2026.
De mondelinge behandeling heeft op 15 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man met zijn advocaat
- de vrouw met mr. S. van Oers (als waarnemer van mr. S.J. Mol)
3 De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van [minderjarige1], geboren op 10 maart 2012, en [minderjarige2], geboren op 24 juni 2015.
De man heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] erkend.
De man en de vrouw zijn samen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De ouders hebben met elkaar afspraken gemaakt over de verzorging en opvoeding
van [minderjarige1] en [minderjarige2]. Deze afspraken zijn neergelegd in een ouderschapsplan, dat door de
ouders op 1 augustus 2016 is ondertekend. De ouders zijn in het ouderschapsplan - onder
meer - overeengekomen dat de man € 383 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. Over de indexering is in het ouderschapsplan opgenomen dat de kinderalimentatie jaarlijks wordt verhoogd met de zogenaamde wettelijke indexering, voor het eerst per 1 januari 2017.
4 De motivering van de beslissing
Het schorsingsverzoek
Aan de orde is het verzoek van de man schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking, voor zover het de beslissing betreft dat de man gehouden is de wettelijke indexering over de afgelopen vijf jaren aan de vrouw te voldoen. De vrouw voert hiertegen gemotiveerd verweer.
Wat staat in de wet?
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan de hogere rechter, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen.
De rechtbank heeft de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard en deze niet toegelicht. Het hof kan de uitvoerbaarheid schorsen als het belang van de verzoeker om de situatie te houden zoals die was voordat de uitspraak werd gedaan, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak meteen te kunnen uitvoeren. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een duidelijke fout of vergissing (een ‘kennelijke misslag’) berust, kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen. Ook kan het hof de uitvoerbaarheid schorsen als zich na de bestreden uitspraak nieuwe feiten hebben voorgedaan waarmee in de bestreden uitspraak geen rekening gehouden kon worden. Die feiten moeten wel kunnen rechtvaardigen dat van de bestreden uitspraak wordt afgeweken.[_df8cf9ba-7d2f-4333-a708-5d01fee4a222]
Hoe oordeelt het hof?
Tijdens de mondelinge behandeling is de vraag aan de orde gekomen of de verplichting van de man om wettelijke indexering over de afgelopen jaren aan de vrouw te voldoen in de beslissing (het ‘dictum’) van de bestreden beschikking is inbegrepen en of de werking daarvan dan kan worden geschorst. Naar het oordeel van het hof is dat zo. Daarbij vindt het hof van belang dat in het door beide ouders in 2016 ondertekende ouderschapsplan uitdrukkelijk is opgenomen dat de kinderalimentatie vanaf 1 januari 2017 jaarlijks zal worden verhoogd met de wettelijke indexering en dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft benadrukt dat haar beslissing de vastlegging van de eerder tussen de ouders overeengekomen kinderalimentatie betreft. Daar komt bij dat uit rov 4.19 en 4.20 van de bestreden beschikking duidelijk volgt dat de rechtbank van oordeel is dat de man gehouden is de overeengekomen wettelijke indexering te voldoen, met dien verstande dat een deel van de vordering van de vrouw door verjaring niet meer kan worden geëxecuteerd.
Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van het hof voldoende duidelijk dat de verplichting van de man om wettelijke indexering over de afgelopen jaren aan de vrouw te voldoen in de beslissing van de bestreden beschikking impliciet is inbegrepen. De stelling van de man dat de ouders sinds ondertekening van het ouderschapsplan andere afspraken hebben gemaakt over de indexering, maakt dat niet anders. Niet alleen heeft de vrouw dit gemotiveerd betwist, ook geldt dat er voor het beantwoorden van de vraag of er inmiddels andere afspraken gelden geen plaats is in het kader van dit incident. Het hof gaat bij de beoordeling van het incident immers uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank. Daarin is uitdrukkelijk overwogen dat niet is gebleken dat de ouders onderling hebben afgesproken om af te wijken van de wettelijke indexering.
Ten aanzien van de stelling van de man dat de rechtbank zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de gevolgen die de (jaarlijkse of overeengekomen) indexering hebben voor de hoogte van het door de man te betalen bedrag, geldt dat de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat de rechtbank daartoe verplicht was. Dit punt ziet op de inhoudelijke beoordeling van het geschil, waar het hof in het kader van de beoordeling van dit incident niet op vooruit kan lopen.
Het voorgaande brengt met zich dat de man op grond van de bestreden beschikking gehouden is om wettelijke indexering over de afgelopen jaren aan de vrouw voldoen. Nu de rechtbank de beslissing over de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard, schorst het hoger beroep de werking van de bestreden beschikking niet. Het hof dient te beoordelen of het belang van de man bij schorsing van de tenuitvoerlegging totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij tenuitvoerlegging. Het hof is van oordeel dat die belangenafweging in het nadeel van de man uitvalt en zal dat hieronder uitleggen.
Nu het gaat om een betaling van een geldbedrag is het belang de vrouw om daarover te kunnen beschikken in beginsel is gegeven.[_b008d9cc-a205-4c6a-abce-992f7365aea4] Het is aan de man om te onderbouwen dat zijn belang bij schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder weegt dan het belang van de vrouw bij handhaving daarvan. Naar het oordeel van het hof is de man daar niet in geslaagd. Zo heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat hij door de (na)betaling van de wettelijke indexering aan de vrouw in een financiële noodsituatie zal komen. De enkele verwijzing naar de overgelegde aangiftes inkomensbelasting over de jaren 2023 en 2024 is in dat kader onvoldoende. Daar komt bij dat het voor de man inmiddels langere tijd duidelijk is dat hij gehouden is om de wettelijke indexering te voldoen. Zo is de man bij bericht van (de advocaat van) de vrouw van 6 februari 2025 al gewezen op zijn verplichting om de in het ouderschapsplan overeengekomen afspraken over de indexering na te komen en de in dat kader ontstane betalingsachterstand alsnog te voldoen.
In het licht van het voorgaande weegt het belang van de vrouw bij uitvoerbaarheid bij voorraad van de beschikking zwaarder dan het belang van de man om de wettelijke indexering niet te hoeven voldoen totdat op het hoger beroep is beslist. Verder is niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag of van nieuwe feiten en omstandigheden die een schorsing rechtvaardigen. Het verzoek van de man tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking zal dan ook worden afgewezen.
De proceskosten
Het hof ziet geen aanleiding om de man in de proceskosten van dit incident te veroordelen, zoals door de vrouw is verzocht.
Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in dit incident compenseren. Dat betekent dat iedere ouder de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
Het hof:
wijst het verzoek van de man af;
compenseert de proceskosten.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, J.H. Lieber en A.T. Bol, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.
Voetnoten
- HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 (https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2019:2026)
- HR 27 februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2602, NJ 1998/512 (https://www.inview.nl/document/id15761998022716758nj1998512dosred)
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.