Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6281Zaaknummer 200.371.236
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.371.236
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep, Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
hof laat beslissing rechtbank om de moeder alleen met het gezag over zoon te belasten staan: beëindiging gezamenlijk gezag ouders
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2026
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, E. de Boer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 1 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.371.236
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 605804)
beschikking van 1 oktober 2026
over het gezag over [minderjarige]
in de zaak van
[vader]
die woont in [woonplaats1]
verder te noemen: de vader
advocaat: mr. M.M. Hoogerdijk
en
[moeder]
die woont in [woonplaats2]
verder te noemen: de moeder
advocaat: mr. J.K. Kemper
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
die is gevestigd in Utrecht
als adviseur van het hof.
1 Samenvatting
De rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft op 1 april 2026 de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige] en een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige]. [minderjarige] is [in] 2020 in [geboorteplaats] geboren. De ouders hadden tot 1 april 2026 samen het gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
[minderjarige] was van 30 april 2024 tot 30 april 2026 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna ook: de GI).
3 De procedure bij de rechtbank
De moeder heeft de rechtbank verzocht haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] en een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen.
De rechtbank heeft de moeder alleen belast met het gezag over [minderjarige] en een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] vastgesteld.
4 De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de rechtbank voorzover daarbij is bepaald dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank op dat punt ongedaan maakt zodat hij weer samen met de moeder het gezag over [minderjarige] uitoefent.
De moeder is het eens met de beslissing van de rechtbank. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift met bijlagen ontvangen op 30 juni 2026
- het verweerschrift met bijlagen
- de stukken van de moeder ingediend op 31 augustus 2026
- de stukken van de vader ingediend op 2 september 2026
- de spreekaantekeningen van mr. Hoogerdijk.
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De rechter kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is[_2d3bb578-1f45-4558-aacb-93984c702197].
Standpunten
De vader vindt dat zijn gezag over [minderjarige] te vroeg is beëindigd. De vader was in eerste instantie van mening dat hij in de afgelopen jaren goed handelde en in het belang van [minderjarige], maar hij weet nu mede dankzij het traject parallel-solo-ouderschap (PSO) dat dit niet zo was. Hij heeft daarom hulp voor zichzelf bij een psycholoog gezocht. De vader heeft zich te veel laten beïnvloeden door zijn partner. Hij beseft nu dat hij en de moeder de ouders van [minderjarige] zijn. Het heeft volgens de vader lang geduurd tot de hulpverlening voor de ouders om hun communicatie te verbeteren op gang kwam: pas na acht maanden kwamen de ouders op een wachtlijst voor PSO. De vader vindt dat hij geen kans heeft gekregen om te laten zien dat het ook anders kan. Bovendien waren ook de raad en de GI op de mondelinge behandeling bij de rechtbank van mening dat niet alles al geprobeerd was om de communicatie te verbeteren. De vader wijst er tot slot op dat de ouders de afgelopen maanden op een constructieve manier met elkaar hebben gecommuniceerd. Zo hebben zij in onderling overleg een afspraak over de zorgregeling gemaakt en zijn de ouders aangemeld voor systeemtherapie. Als het hof het te vroeg vindt om de vader weer samen met de moeder te belasten met het gezag, dan vraagt de vader het hof de behandeling van de zaak voor een bepaalde periode aan te houden, zodat de uitkomst van de systeemtherapie en de bestendigheid van de positieve ontwikkelingen in de beoordeling kunnen worden meegewogen.
De moeder voert aan dat zij bij de vader een positieve verandering ziet sinds hij geen gezag meer heeft over [minderjarige]. De moeder vreest dat de positieve verandering in de houding van de vader is ingegeven door dit hoger beroep en daarna verdwijnt. Daar komt bij dat die positieve verandering nu nog erg pril is. Het grote probleem is jarenlang de kernovertuiging van de vader geweest dat de moeder een slechte moeder is en het niet waard is de moeder van [minderjarige] te zijn. Dit heeft grote impact op de moeder gehad. Dit is niet zomaar weg, ook al lijken er positieve ontwikkelingen te zijn. Volgens de moeder is onduidelijk hoe duurzaam deze ontwikkelingen zijn en of er voldoende groei in zit om tot een situatie te komen dat de ouders samen beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen. Op dit moment is het nog niet zover en wil de moeder graag het eenhoofdig gezag behouden. Hoewel de toon van de vader sinds hij hoger beroep tegen de beslissing over het gezag heeft ingesteld is verbeterd, zijn er toch een paar incidenten geweest. Zo heeft de partner van de vader in een bericht aan oma (mz) geschreven dat zij en de vader alle keuzes en beslissingen wat betreft [minderjarige] samen maken en is de vader volgens een bericht van een leerkracht erg boos op school geworden omdat hij het rapport van [minderjarige] niet had gekregen.
Advies raad
De raad heeft het hof geadviseerd de vader niet met het gezag over [minderjarige] te belasten. Hoewel de raad beëindiging van het gezag in eerste instantie voorbarig vond, is er een positieve ontwikkeling sinds de moeder alleen het gezag over [minderjarige] heeft. De moeder betrekt de vader op een goede manier bij het nemen van beslissingen over [minderjarige] en dat functioneert goed. De raad kan zich voorstellen dat de ouders er baat bij hebben als de procedures stoppen en zij hun energie besteden aan verbetering van hun onderlinge verstandhouding. Als de ouders deze positieve verandering vasthouden, dan zou de vader weer samen met de moeder het gezag kunnen hebben.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof vindt dat de beslissing van de rechtbank in stand moet blijven. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
Aan de beslissing tot gezagsbeëindiging is jarenlange afwijzing door de vader van de moeder als moeder van [minderjarige] vooraf gegaan. Zo noemde de vader dat de moeder niet zorgzaam is naar [minderjarige], dat zij hem verwaarloost en psychologisch verziekt, een kindermishandelaar is en alleen juridisch gezien de moeder is. Ook heeft de vader in 2023 niet gereageerd op een doorverwijzing van het buurtteam voor ouderschapsbemiddeling bij KOOS waar de moeder toe bereid was. Gesprekken met de jeugdbeschermer in het kader van de ondertoezichtstelling hebben evenmin tot een koerswijziging bij de vader geleid. Aan inzet van de SCHIP-aanpak heeft de vader geweigerd mee te werken. Volgens de GI op de mondelinge behandeling bij de rechtbank was het daarvoor inmiddels zelfs te laat. De vader heeft tot voor kort geweigerd de door de raad noodzakelijk geachte hulpverlening voor zichzelf in te zetten. De moeder heeft de voor haar geadviseerde hulp wel ingezet.
Hoezeer de vader zijn eigen koers is blijven varen, blijkt uit het feit dat hij bij de rechtbank tot 24 februari 2026 is blijven volhouden dat [minderjarige] niet op zwemles zat bij hem in [woonplaats1]. Uit door de moeder overgelegde informatie van het zwembad in [woonplaats1] blijkt dat [minderjarige] daar sinds 6 oktober 2023 zonder toestemming of medeweten van de moeder zwemles heeft gevolgd, en uiteindelijk zonder dat de moeder erbij was in maart 2026 zijn
A-diploma heeft gehaald.
Het traject parallel-solo ouderschap dat de vader van augustus 2025 tot en met
23 februari 2026 heeft gevolgd, lijkt voor een langzame kentering in het gedrag van de vader te hebben gezorgd. In het eindverslag van het traject parallel-solo ouderschap, staat dat het voor de vader in de beginfase lastig bleek om deel te nemen aan de hulpverlening. Afspraken kwamen moeizaam tot stand of werden afgezegd. Nadat de betrokken jeugdbeschermer het belang en de noodzaak van deelname aan de hulpverlening nogmaals had benadrukt en had gezegd dat de vader hiermee ook zijn betrokkenheid en inzet kon laten zien, is de vader aangesloten bij de gesprekken. Volgens de therapeut heeft de vader stappen gezet in het erkennen van de beperkingen van zijn invloed op de moeder en in het onderkennen van het belang dat [minderjarige] niet belast wordt met de ouderlijke strijd en spanningen. Hoewel de vader nog moeite kan hebben met het loslaten van oordelen over moeder, is er meer bewustzijn ontstaan over het belang van een neutrale houding hierover richting [minderjarige].
Hoewel deze kentering in de houding van de vader aan de ene kant positief is, vindt het hof het aan de andere kant zorgelijk dat het gedrag van de vader, naar hij nu stelt, zo in negatieve zin te beïnvloeden is geweest door zijn partner. Die partner is nog steeds in zijn leven en zal dat ook blijven omdat zij samen een kind verwachten. Aangezien uitoefening van het eenhoofdig gezag door de moeder volgens zowel de vader als de moeder de afgelopen maanden goed is verlopen, en het met [minderjarige] goed gaat, vindt het hof dat dit in het belang van [minderjarige] zo moet blijven. Beëindiging van het gezag van de vader lijkt de vader pas ertoe te hebben aangezet om zich fatsoenlijk richting de moeder te gaan gedragen. Met de moeder en de raad hoopt het hof dat deze positieve lijn zich doorzet, maar dit zal nog moeten blijken. De moeder betrekt de vader op een goede manier bij belangrijke beslissingen over [minderjarige]. Dat is goed nieuws en in het belang van [minderjarige], maar het hof vindt deze ontwikkeling tegen de hiervoor geschetste achtergrond nog (veel) te pril om de vader weer samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarige].
Voor aanhouding van de zaak zoals de vader heeft verzocht ziet het hof zoals uit het voorgaande al blijkt, evenmin aanleiding. Het gaat volgens beide ouders goed met [minderjarige]. Het hof is het eens met de inschatting van de raad dat de ouders er meer baat hebben dat deze procedure stopt en er duidelijkheid komt voor de ouders, zodat zij in alle rust met systeemtherapie waar zij voor aangemeld zijn kunnen werken aan verbetering van hun onderlinge verstandhouding.
Proceskosten
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat dit een procedure is over de uit het huwelijk van de ouders geboren zoon.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 1 april 2026
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, E. de Boer en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier, en is op 1 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Voetnoten
- artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW)
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.