Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6135Zaaknummer 200.371.066/01
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 9 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.371.066/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep, Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bekrachtiging ondertoezichtstelling 1:255 BW.
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 2 april 2026 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2];
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.U.M. van der Werff en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.371.066
zaaknummer rechtbank Gelderland 465167
beschikking van 24 september 2026
over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2]
in de zaak van
[vader] (de vader)
die woont in [woonplaats1], gemeente Overbetuwe
advocaat: mr. L.L.A. Cox
en
[moeder] (de moeder)die woont in [woonplaats2]advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de GI)
die is gevestigd in Arnhem
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 2 april 2027. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De ouders hebben twee kinderen: [minderjarige1] en [minderjarige2]. [minderjarige1] is [in] 2017 geboren en [minderjarige2] is [in] 2019 geboren.
De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.
De kinderen wonen bij de vader.
3 De procedure bij de kinderrechter
Omdat de ouders van [minderjarige1] en [minderjarige2] het niet eens kunnen worden over de hoofdverblijfplaats en de verdeling van zorg- en opvoedtaken heeft de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem op 30 september 2025 de raad voor de kinderbescherming, locatie Arnhem (hierna: de raad) verzocht om daar onderzoek naar te doen.
De raad heeft op 17 maart 2026 gerapporteerd aan de rechtbank. Op 30 maart 2026 heeft de moeder een verzoek ingediend om [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht te stellen voor een jaar.
De kinderrechter heeft het verzoek van de moeder toegewezen en [minderjarige1] en [minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI tot 2 april 2027.
Die beslissing is mondeling gegeven op 2 april 2026 en schriftelijk vastgelegd op 16 april 2026.
4 De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt. Hij verzoekt het hof daarnaast om een deskundige te benoemen om een onderzoek te doen[_de520b7c-25cc-4f00-9800-5e4c70828d0b] en voorwaardelijk, een bijzondere curator te benoemen[_7b5dfe50-ee06-4676-b356-29d7e9f73f57].
De moeder is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter in stand laat.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, ontvangen op 30 juni 2026, met bijlagen
- het verweerschrift van de moeder, met bijlagen
- een journaalbericht namens de vader, ingediend op 30 juli 2026, met begeleidende brief met bijlagen
- een journaalbericht namens de vader, ingediend op 13 augustus 2026, met een begeleide brief
- een journaalbericht namens de moeder, ingediend op 18 augustus 2026, met een bijlage.
[minderjarige1] heeft op 24 augustus 2026 gesproken met een rechter en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling.
De zitting bij het hof was op 25 augustus 2026. Aanwezig waren:
- de ouders met hun advocaat
- een vertegenwoordiger van de GI
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (de raad).
5 Het oordeel van het hof
De rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de vader de Belgische nationaliteit heeft, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot ondertoezichtstelling. Omdat [minderjarige1] en [minderjarige2] op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.[_6b3b4b05-6d9e-47d9-9217-3021a2004325]
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaak. Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is Nederlands recht van toepassing.[_1b9dac61-dd98-44a3-940c-aea2e063561b]
Herstelfunctie hoger beroep
De vader stelt in zijn eerste grief dat de kinderrechter heeft miskend dat de wijze waarop de procedure in eerste aanleg is verlopen in strijd is geweest met de beginselen van een goede procesorde. Het verzoekschrift van de moeder, waarin is verzocht om een ondertoezichtstelling uit te spreken, is ingediend op 30 maart 2026 en de zitting bij de kinderrechter was al op 2 april 2026. De vader stelt dat hij daardoor zeer kort de tijd had om kennis te nemen van het verzoek van de moeder, de relevante stukken te verzamelen en een deugdelijk verweer voor te bereiden. Verder heeft de raad zijn standpunt dat niet aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling was voldaan, pas op de zitting gewijzigd. Deze koerswijziging van de raad kwam voor de vader onverwachts. Door deze gang van zaken stelt de vader dat hij in zijn verdediging is geschaad en geen sprake is geweest van een gelijkwaardige procespositie.
Het hof is van oordeel dat de vader terecht opmerkingen maakt over het verloop van de procedure in eerste aanleg en dat hij door de gang van zaken in zijn verdediging is geschaad Maar het instellen van hoger beroep is - mede - een gelegenheid om fouten en verzuimen in eerste aanleg te herstellen. De vader en zijn advocaat hebben in het beroepschrift en op de zitting bij het hof alsnog hun standpunten (nader) kenbaar kunnen maken en relevante stukken over kunnen leggen. Hiermee is uiteindelijk toch voldaan aan de eisen van de goede procesorde. De eerste grief van de vader slaagt niet. Het hof gaat over tot de inhoudelijke beoordeling van de zaak.
De ondertoezichtstelling
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen[_272c8c2d-38fc-4e66-8d17-4ccff5621451]. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof merkt vooraf op dat de moeder op 30 maart 2026 een verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2] bij de kinderrechter heeft ingediend. Zij was destijds bevoegd tot het doen van een dergelijk verzoek, omdat de raad in eerste instantie niet tot het indienen van een verzoek overging[_4072800c-0af3-4a43-a14c-b1a688ed295c]. Zoals is besproken op de zitting blijkt nu uit het proces-verbaal van de zitting bij de kinderrechter dat de raad het verzoek van de moeder op de zitting heeft overgenomen. Dit betekent dat de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk had moeten verklaren in haar verzoek en het verzoek van de raad in behandeling had moeten nemen. Wat daar ook van zij, er is een ondertoezichtstelling uitgesproken en daarom ligt nu in hoger beroep het verzoek van de vader voor om te beoordelen of de kinderrechter op goede gronden een ondertoezichtstelling heeft uitgesproken.
Net als de kinderrechter is het hof van oordeel dat voor [minderjarige1] en [minderjarige2] is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. Er is sprake van een ernstige bedreiging van hun ontwikkeling. Uit het raadsrapport van 17 maart 2026 blijkt dat de kinderen zorgelijk gedrag laten zien op sociaal en emotioneel vlak. Wel krijgen de kinderen daarvoor de benodigde hulpverlening. Maar daarnaast volgt uit het raadsrapport dat er sinds oktober 2025 geen contact meer is tussen de kinderen en de moeder. Naar aanleiding van uitspraken van de kinderen over mishandeling door de moeder, heeft de vader begin augustus 2025 het contact tussen de moeder en de kinderen stopgezet. De moeder ontkent echter dat zij de kinderen heeft mishandeld. De moeder geeft wel toe dat dat zij in die periode overbelast was en zich gefrustreerd en machteloos voelde. Vervolgens is geprobeerd onder begeleiding van Kind Centraal het contact tussen de kinderen en de moeder te herstellen. Op 9 oktober 2025 is er één keer contact geweest en was dit volgens Kind Centraal een emotioneel weerzien tussen de moeder en de kinderen. De kinderen renden direct op de moeder af toen ze haar zagen en gaven een knuffel. De moeder reageerde goed op de kinderen en kon aansluiten op het niveau van de kinderen en hun belevingswereld/interesses. Al met al was het volgens Kind Centraal een prettig contact en werd er bij het afscheid een knuffel gegeven. Maar toch is het bij deze ene keer gebleven, omdat bij de volgende contactmomenten de kinderen de moeder niet wilden zien. De kinderen konden aan Kind Centraal niet goed uitleggen waarom zij niet wilden. Tijdens het onderzoek van de raad is ook onduidelijk gebleven waarom de kinderen geen ruimte voelen om (begeleid) contact te hebben met de moeder. Volgens de raad komt dit mogelijk omdat de vader de keuze om het contact met moeder aan te gaan voornamelijk bij de kinderen zelf laat liggen en het voor hem soms lastig lijkt te zijn om de kinderen hierin op neutrale wijze in te stimuleren. De vader is erg beschermend naar de kinderen en onbewust kan hij zijn eigen spanningen en emoties ten opzichte van de moeder overdragen aan de kinderen.
Het hof is het met de raad eens dat het voor [minderjarige1] en [minderjarige2] belangrijk is dat zij met beide ouders een prettig en veilig contact hebben, en positieve ervaringen kunnen (blijven) opdoen. Als er niets verandert dan bestaat het risico dat de kinderen (nog meer) tussen de ouders komen in te staan en het gevoel krijgen te moeten kiezen tussen hun ouders. Dit terwijl [minderjarige1] in het gesprek met de raadsonderzoeker heeft verteld zijn moeder te missen en ook blijkt dat beide kinderen twijfelen of zij hun moeder wel of niet willen zien. Ook het hof heeft van [minderjarige1] gehoord dat hij zijn moeder mist en dat hij twijfelt of hij haar wil zien, want hij heeft zowel goede als minder fijne herinneringen aan de moeder. [minderjarige1] heeft verder verteld dat hij het fijn vindt hierover te praten met de jeugdbeschermer.
De raad is weliswaar pas op de zitting bij de kinderrechter van standpunt gewijzigd over de noodzaak van een ondertoezichtstelling, maar niet is gewijzigd dat de raad vindt dat de kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De raad ging er echter van uit dat binnen het vrijwillig kader gewerkt kon worden aan het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen, want de ouders accepteren de hulpverlening vanuit Praktijk Ponga, Kind Centraal en AT-zorg. Alleen zag en ziet de raad ook nu dat, ondanks de meewerkende houding van de ouders, het contact(herstel) tussen moeder en de kinderen niet tot stand komt. De regie vanuit Wijkteams [woonplaats2] blijkt onvoldoende te zijn om de situatie voor [minderjarige1] en [minderjarige2] te verbeteren. Hierdoor hebben de kinderen de moeder al bijna een jaar niet gezien. Met de raad acht het hof het belangrijk dat er een jeugdbeschermer is die binnen het gedwongen kader de regie kan voeren, kan doorpakken wanneer dat nodig is en goed kijkt naar wat mogelijk is in het contact tussen de moeder en de kinderen. Zonder de ondertoezichtstelling is het risico te groot dat de kinderen het gevoel blijven houden tussen de ouders in te staan en te moeten kiezen tussen de ouders, omdat de ouders de kinderen (onbewust) belasten met hun eigen emoties.
De beslissing van de kinderrechter om [minderjarige1] en [minderjarige2] tot 2 april 2027 onder toezicht te stellen zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
Deskundigenonderzoek
De vader heeft verzocht om een deskundige te benoemen, zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de ontwikkeling en het belang van [minderjarige1] en [minderjarige2] en naar de noodzaak en vorm van een eventuele kinderbeschermingsmaatregel.
Een rechter benoemt in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet[_ae85c974-f858-4091-a1b7-7bf2c35940e9].
Een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek bevat feiten en omstandigheden die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige en zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.
Het hof zal het subsidiaire verzoek van de vader afwijzen, omdat het hof van oordeel is dat het gelasten van een onderzoek strijdig is met de belangen van [minderjarige1] en [minderjarige2]. [minderjarige1] en [minderjarige2] worden al zeer belast door de situatie waarin zij geen ruimte voelen om (begeleid) contact te hebben met de moeder. Het is de bedoeling dat de jeugdbeschermer, die voortvarend aan de slag is gegaan en gesprekken voert met de kinderen, gaat onderzoeken wat de mogelijkheden zijn in het contact tussen de moeder en de kinderen. Een nieuw onderzoek zal voor nieuwe onrust zorgen.
Benoeming bijzondere curator
De vader verzoekt verder voorwaardelijk als minder vergaande optie dan een ondertoezichtstelling, een bijzondere curator te noemen om de belangen van de kinderen zelfstandig te onderzoeken en te vertegenwoordigen.
De rechter kan op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen over een minderjarige als er een wezenlijk conflict bestaat tussen de minderjarige en degene die als wettelijk vertegenwoordiger met zijn verzorging en opvoeding is belast. De rechter mag slechts tot benoeming van een bijzondere curator overgaan, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is, mede gezien de aard van de belangenstrijd tussen de minderjarige en de gezaghebbende ouder(s)[_cab4ff9c-677b-49ef-86ad-d86054bd30b3].
Het hof is van oordeel dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake is van een conflict tussen (één van) de ouders en de kinderen. Ook anderszins is niet gebleken dat benoeming van een bijzondere curator voor de kinderen op dit moment voor hen een toegevoegde waarde heeft, want er zijn al meerdere hulpverleners bij de kinderen betrokken en [minderjarige1] heeft aan het hof verteld dat hij de gesprekken met de jeugdbeschermer, die voor de belangen van [minderjarige1] opkomt, prettig vindt. De benoeming van een bijzondere curator zal een extra belasting vormen voor de kinderen, wat het hof niet in hun belang vindt. Het hof zal dit verzoek van de vader daarom afwijzen.
Brief aan [minderjarige1]
Het hof heeft aan [minderjarige1] een brief geschreven waarin hem de beslissing wordt verteld. [minderjarige1] wilde dat graag.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 2 april 2026 over de ondertoezichtstelling van [minderjarige1] en [minderjarige2];
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, J.U.M. van der Werff en E. de Boer, en is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.