Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 24 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6128Zaaknummer 200.366.315/01
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 24 september 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.366.315/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kinderalimentatie
Het hof, beschikkende in hoger beroep;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem op
15 december 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de periode van 15 december 2025 tot 22 maart 2026 op nihil;
bepaalt dat de man aan de vrouw van 22 maart 2026 tot 22 maart 2027 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 25,- per maand dient te voldoen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf 22 maart 2027 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 265,- per maand dient te voldoen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer af anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en C.M. Schönhagen, bijgestaan door de griffier, en is op 24 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.315
(zaaknummer rechtbank Gelderland 442867)
beschikking van 24 september 2026
in de zaak van
[de man] (de man),
geen vaste woon of verblijfplaats,
advocaat: mr. D.V. Garib,
en
[de vrouw] (de vrouw),
wonende in [woonplaats1],
advocaat: mr. Z. Acer.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem op 15 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) heeft gegeven. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 maart 2026;
- een journaalbericht van mr. Garib van 23 april 2026 met productie 13;
- het verweerschrift;
- een journaalbericht van mr. Garib van 24 augustus 2026 met producties 14 tot en met 18.
De mondelinge behandeling heeft op 4 september 2026 plaatsgevonden. De man en de vrouw waren aanwezig met hun advocaten.
2 De kern van de zaak
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Zij hebben samen een minderjarige zoon. Partijen zijn het niet eens over de bijdrage van de man in de kosten van hun minderjarige zoon ofwel de door de man te betalen kinderalimentatie.
3 Het geschil
Partijen zijn op 31 mei 2021 in [woonplaats1] met elkaar gehuwd in beperkte
gemeenschap van goederen. Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren [in] 2022 in [woonplaats1].
Het verzoek van de vrouw tot echtscheiding is op 5 december 2023 ingediend bij de rechtbank. De man en de vrouw hebben bij de rechtbank nevenverzoeken gedaan.
De rechtbank Gelderland heeft bij de bestreden beschikking - voor zover nu van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man met ingang van 15 december 2025 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] aan de vrouw € 265,- per maand zal betalen.
Deze echtscheidingsbeschikking is op 9 april 2026 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
De bedoeling van het hoger beroep van de man is dat het hof de bestreden beschikking vernietigt voor zover het gaat over de kinderalimentatie en dat de door de man te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige] met ingang van datum beschikking wordt vastgesteld op € 25,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen aan de vrouw. De man vraagt ook de door de man te betalen kinderalimentatie aan de vrouw voor de duur van de detentie van de man, te weten 21 november 2025 tot 22 maart 2026, op nihil te stellen.
De vrouw voert verweer en vraagt de verzoeken van de man ongegrond te verklaren of af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen of een beslissing te nemen als het hof juist vindt.
Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en licht dat als volgt toe.
4 De overwegingen voor de beslissing
ingangsdatum
Er is geen grief gericht tegen de ingangsdatum, zodat het hof net als de rechtbank uitgaat van de ingangsdatum van 15 december 2025 (de datum van de betreden beschikking).
behoefte
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van [minderjarige] in 2025 op grond van de toenmalige inkomens van partijen € 792,- per maand bedraagt.
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
draagkracht vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 214,- per maand bedraagt.
draagkracht man
De man heeft aangevoerd dat de rechtbank bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte is uitgegaan van een fictief inkomen terwijl hij vooralsnog feitelijk geen inkomen heeft. Gelet op de huidige omstandigheden van de man rondom zijn detentie, bestaande uit het reclasseringstoezicht, het uitvoeren van zijn taakstraf, het toekomstige begeleid wonen, de behandeling bij de psycholoog en eventueel een omscholing, zal het volgens de man ongeveer een jaar tot twee jaren duren voordat hij weer inkomen kan verdienen.
Het hof oordeelt als volgt.
Op beide ouders rust een inspanningsverplichting om ervoor te zorgen dat zij een zodanig inkomen verdienen dat zij daardoor in staat zijn om aan hun onderhoudsverplichting voor hun kind te voldoen. Daarbij geldt dat het bij de bepaling van hun draagkracht niet alleen aankomt op het inkomen dat zij daadwerkelijk verwerven (feitelijk inkomen), maar dat ook rekening dient te worden gehouden met het inkomen dat zij geacht kunnen worden zich redelijkerwijs in de nabije toekomst te kunnen verwerven (een fictief inkomen).
Het hof is met de man van oordeel dat over de periode dat de man gedetineerd was hij geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] kon betalen. De vrouw heeft dit ook erkend. Het hof zal daarom in de periode van 15 december 2025 tot 22 maart 2026 (ingangsdatum tot einde detentie) de kinderalimentatie zoals verzocht op nihil stellen.
Uit het op 1 mei 2026 voor akkoord getekende behandelplan blijkt dat de man een behandeling is gestart bij Novadic-Kentron voor zijn verslaving en PTSS. Ook voert hij op vrijdag en zaterdag een taakstraf uit. Dit maakt echter niet dat de man in het geheel geen inkomen heeft of had kunnen hebben. Het hof is van oordeel dat de man vanaf 22 maart 2026 aanspraak had kunnen maken op een bijstandsuitkering. Dat de man geen (post)adres heeft doorgegeven aan de gemeente en daarom de bijstandsuitkering inmiddels is geëindigd, zoals blijkt uit de door de man overgelegde stukken, komt voor zijn eigen rekening en risico. Het hof acht het daarom redelijk, mede gelet op zijn eigen aanbod in hoger beroep, dat hij een minimale bijdrage aan kinderalimentatie kan voldoen. De man is daarom vanaf 22 maart 2026 een bijdrage van € 25,- per maand verschuldigd voor [minderjarige].
Uit het overlegde strafvonnis blijkt dat de man is ontzet uit de uitoefening van het beroep van hulp- of zorgverlener in de gezondheidszorg en maatschappelijke zorg voor de duur van vijf jaren. De man stelt - en heeft dit ter zitting herhaald - dat hij als gevolg daarvan geen werk mag verrichten waarbij hij in aanraking komt met andere mensen en er dus in feite geen enkele baan resteert omdat iedere baan volgens hem contact met mensen meebrengt. De vrouw betwist dit en het hof acht deze stelling ook onvoldoende onderbouwd. Het hof ziet wel in de stukken dat de man hard aan zichzelf en zijn problemen werkt. Dit neemt niet weg dat hij als vader ook onderhoudsplichtig is voor zijn zoon. Het hof zal de man daarom een jaar de tijd geven na zijn detentie om zich te richten op behandeling van zijn problematiek. Vanaf 22 maart 2027 neemt het hof evenals de rechtbank aan dat de man zijn voormalige verdiencapaciteit weer te gelde moet althans moet kunnen maken en derhalve kan bijdragen met € 265,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige].
5 De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slaag de grief van de man deels. Het hof zal de omwille van de leesbaarheid de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem op
15 december 2025 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
stelt de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] in de periode van 15 december 2025 tot 22 maart 2026 op nihil;
bepaalt dat de man aan de vrouw van 22 maart 2026 tot 22 maart 2027 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 25,- per maand dient te voldoen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw vanaf 22 maart 2027 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 265,- per maand dient te voldoen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer af anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, S. Kuijpers en C.M. Schönhagen, bijgestaan door de griffier, en is op 24 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.