Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 17 september 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:5985Zaaknummer 200.369.204

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.369.204
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

artikel 7 lid 1 Brussel II-ter 8 EVRM artikel 1:266 lid 1 onder a en b Burgerlijk Wetboek. EHRM 6 oktober 2015, N.P./Moldavië, 58455/13. artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek.

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

6.1.

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 23 februari 2026 over de beëindiging van het gezag van de moeder over [betrokkene], wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [betrokkene] af en belast de moeder weer met het gezag over [betrokkene], en bepaalt dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is;

6.2.

verklaart de raad niet-ontvankelijk in het verzoek tot ondertoezichtstelling van [betrokkene];

6.3.

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. A. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedure bij de rechtbank
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 Het oordeel van het hof
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.369.204

(zaaknummer rechtbank Gelderland 454471)

beschikking van 17 september 2026

over de beëindiging van het gezag over [betrokkene]

in de zaak van

[moeder] (de moeder)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. H. van Straten

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

regio Gelderland, locatie Arnhem

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Gelderland (de voogd)

die is gevestigd in Arnhem, [woonplaats1]

en

[vader] (de vader)

die een bij het hof bekend briefadres heeft

1 Samenvatting

De kinderrechter, locatie Arnhem, heeft het ouderlijk gezag beëindigd van de moeder en de vader over [betrokkene] en de GI tot voogd benoemd. Het hof beslist dat dit deels niet zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

[betrokkene] is geboren [in] 2009.

2.2.

De ouders waren tot aan de beslissing van de kinderrechter belast met het ouderlijk gezag over [betrokkene].

2.3.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 juli 2023 [betrokkene] onder toezicht gesteld tot 25 juli 2024. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, de laatste keer tot 25 juli 2026.

2.4.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 11 januari 2024 een machtiging verleend [betrokkene] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 25 januari 2024. Deze machtiging is steeds verlengd, de laatste keer tot 25 juli 2026.

2.5.

De GI heeft zich bij brief van 23 juni 2025 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

2.6.

[betrokkene] verbleef bij [jeugdhulpaanbieder]. Momenteel woont hij weer bij zijn moeder.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

De raad heeft de rechtbank verzocht het gezag van de moeder en de vader over [betrokkene] te beëindigen en de GI tot voogd over [betrokkene] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De rechtbank heeft het verzoek van de raad toegewezen, het gezag van de moeder en de vader beëindigd en de voogd als zodanig benoemd.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 23 februari 2026.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing ten aanzien het gezag van de moeder ongedaan maakt en het verzoek van de raad afwijst. Als het hof het verzoek van de raad niet afwijst, wil de moeder dat het hof een onafhankelijk deskundige onderzoek laat doen naar haar opvoedingsvaardigheden en de noodzaak van gezagsbeëindiging.

4.2.

De voogd is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. De voogd wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.

4.3.

De raad is het wel eens met de beslissing van de rechtbank. De raad wil (primair) dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat. Als het hof dat niet doet wil de raad (subsidiair) dat het hof de beslissing over de gezagsbeëindiging van de vader in stand laat en [betrokkene] onder toezicht stelt van de GI voor de duur van een jaar.

4.4.

[betrokkene] heeft verteld dat hij wil dat zijn moeder weer het gezag over hem heeft. De GI doet te weinig voor hem en eerder had [betrokkene] niet begrepen dat bij beëindiging van het gezag, de moeder geen zeggenschap meer over hem heeft.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.5.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift ontvangen op 20 mei 2026
  • de spreekaantekeningen van de raad.
4.6.

[betrokkene] heeft op 3 augustus 2026 gesproken met de voorzitter en een griffier van het hof. Hij heeft zijn mening gedeeld over de beëindiging van het gezag van zijn moeder.

4.7.

De zitting bij het hof was op 6 augustus 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met haar advocaat
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
  • de voogd
4.8.

Op de zitting heeft het hof beslist dat de stukken van de GI (verweerschrift met bijlagen) buiten beschouwing blijven, omdat deze te laat waren ingediend en te omvangrijk om snel te doorgronden.

5 Het oordeel van het hof

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.1.

Deze zaak kan een internationaal aspect hebben. De nationaliteit van de vader is onbekend. Het hof zal daarom eerst beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht van toepassing is.

5.2.

De voorliggende verzoeken gaan over ouderlijke verantwoordelijkheid. Gelet op artikel 7 lid 1 Brussel II-ter zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [betrokkene] in Nederland woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

5.3.

De rechtbank heeft op het verzoek Nederlands recht toegepast. Omdat tegen dit oordeel geen grief is gericht, zal ook het hof bij de beoordeling Nederlands recht tot uitgangspunt nemen.

Het gezag

5.4.

De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Daarbij moet duidelijk zijn dat de ouder de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn weer zelf op zich kan nemen. De aanvaardbare termijn is de periode van onzekerheid, die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade in zijn ontwikkeling op te lopen. De rechtbank kan het gezag van een ouder ook beëindigen als de ouder het gezag misbruikt.[_bc40763d-62e0-4536-b983-556f8d7ae8f2]

5.5.

Naast deze criteria gelden er ook criteria die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn jurisprudentie heeft ontwikkeld over artikel 8 EVRM, waarin de bescherming van het recht op het gezinsleven staat. Die criteria zijn:

- de gezagsbeëindiging moet in het belang van het kind noodzakelijk zijn;

- de gezagsbeëindiging moet in het concrete geval in redelijke verhouding tot het na te streven doel staan (de maatregel is proportioneel);

- het doel van de gezagsbeëindiging kan niet met een minder ingrijpend alternatief worden bereikt.[_d425c4a8-84b5-475f-9778-add654b2b629]

Hoe oordeelt het hof?

5.6.

Het hof is van oordeel dat de moeder het gezag over [betrokkene] moet behouden. De beslissing van de rechtbank zal op dat punt ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd).

5.7.

Naar het oordeel van het hof is onder de huidige omstandigheden geen sprake van een situatie waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de moeder niet in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [betrokkene] weer zelf op zich te nemen. De situatie is namelijk veranderd sinds de raad het verzoek tot gezagsbeëindiging heeft gedaan. De moeder is na een periode van ongeveer twee jaar weer teruggekeerd uit Irak en [betrokkene] woont nu weer bij de moeder. De moeder en [betrokkene] worden ondersteund door de nieuwe partner van de moeder. Daarom is niet voldaan aan het wettelijk criterium. De moeder draagt de dagelijkse zorg voor de opvoeding van [betrokkene]. Met de GI heeft [betrokkene] al een tijdje geen contact meer. Om beslissingen over [betrokkene] te kunnen nemen, is het noodzakelijk dat de moeder het gezag heeft over [betrokkene].

5.8.

Indien sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [betrokkene], ligt het op de weg van de raad om de benodigde stappen te zetten om de ontwikkeling en belangen van [betrokkene] te beschermen.

5.9.

De beslissing van de rechtbank over de beëindiging van het gezag van de moeder zal ongedaan worden gemaakt (worden vernietigd). Omdat de rechtbank had bepaald dat de beschikking direct geldig was (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) zal het hof de moeder opnieuw belasten met het gezag en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Verzoek van de raad

5.10.

Het hof zal de raad niet-ontvankelijk verklaren in het (subsidiaire) verzoek tot ondertoezichtstelling van [betrokkene], omdat het verzoek voor het eerst in hoger beroep is gedaan. De raad zal zich met dit verzoek moeten wenden tot de kinderrechter.[_579cad56-4f38-4820-8614-7daf82ca3bf4]

Verzoek van de moeder

5.11.

Nu het hof van oordeel is dat een gezagsbeëindiging van de moeder niet noodzakelijk is komt het hof niet toe aan een beoordeling van het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen.

5.12.

[betrokkene] heeft aan het hof laten weten dat hij van de moeder wil horen wat de beslissing van het hof is. Het hof gaat ervan uit dat de moeder daarvoor zal zorgen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

6.1.

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 23 februari 2026 over de beëindiging van het gezag van de moeder over [betrokkene], wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [betrokkene] af en belast de moeder weer met het gezag over [betrokkene], en bepaalt dat deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad is;

6.2.

verklaart de raad niet-ontvankelijk in het verzoek tot ondertoezichtstelling van [betrokkene];

6.3.

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, R. Feunekes en E.H. Schijven-Bours, bijgestaan door mr. A. Turan als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.

Voetnoten

  1. artikel 1:266 lid 1 onder a en b Burgerlijk Wetboek.
  2. EHRM 6 oktober 2015, N.P./Moldavië, 58455/13.
  3. artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.