Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 september 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:5945Zaaknummer 200.367.031

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15 september 2026
Publicatiedatum
21 oktober 2026
Zaaknummer
200.367.031
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep, Beschikking
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling tot nakoming zorgregeling en oplegging dwangsom.

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 7 juli 2025;

veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling, die is vastgesteld

in de beschikking van 12 februari 2025;

veroordeelt de moeder tot het betalen van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag

dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, E. de Boer, en L.D.M. Rubens - Snijders, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedure bij de rechtbank
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 Het oordeel van het hof
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.367.031

zaaknummer rechtbank Overijssel 332753

arrest van 15 september 2026

in de zaak van

[moeder] (de moeder)

die woont in [woonplaats 1]

advocaat: mr. Y. Wong

en

[vader] (de vader)

die woont in [woonplaats 1]

advocaat: mr. L.L. van Dijk

en

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI)

die is gevestigd in Amsterdam

informant in hoger beroep

1 Samenvatting

De rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft op 7 juli 2025 de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling, die is vastgesteld in de beschikking van 12 februari 2025. Verder heeft de rechtbank aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 250 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000. Het hof laat de dwangsom in stand en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van [minderjarige]. [minderjarige] is geboren [in] 2024.

2.2.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige]. Sinds juni 2026 verblijft [minderjarige] met de moeder bij een gezinshuis van Ambiq.

2.3.

Op 12 februari 2025 heeft de rechtbank Overijssel de volgende zorgregeling vastgesteld:

- met ingang van l maart 2025 heeft de vader drie keer per week gedurende anderhalf

uur contact met [minderjarige] bij hem thuis;

- de eerste zes keer zal het contact onder begeleiding van Curess (of soortgelijke

instantie) plaatsvinden;

- de dagen en het tijdstip worden door de ouders zelf, al dan niet met behulp van

Curess, afgesproken.

2.4.

Op 19 september 2025 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 6 maart 2026.

3 De procedure bij de rechtbank

3.1.

De vader heeft de rechtbank gevraagd om de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, met oplegging van een dwangsom van € 500 voor iedere keer dat zij de uitspraak niet nakomt, tot een maximum van € 50.000. Daarnaast heeft de vader de rechtbank gevraagd om de moeder in de proceskosten te veroordelen.

3.2.

De rechtbank heeft op 7 juli 2025 de moeder veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling, die is vastgesteld in de beschikking van 12 februari 2025. Verder heeft de rechtbank aan de moeder een dwangsom opgelegd van € 250 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de ouders ieder de eigen proceskosten moeten betalen.

3.3.

De rechtbank heeft bepaald dat de beslissing mag worden uitgevoerd, ook al is hoger beroep ingesteld (dat heet: uitvoerbaar bij voorraad).

4 De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en de vorderingen van de vader alsnog afwijst. Daarnaast heeft zij het hof gevraagd een beslissing te nemen over de proceskosten (kosten rechtens).

4.2.

De vader wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.3.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift van de moeder, ontvangen op 15 september 2025;
  • het verweerschrift;
  • een bericht namens de moeder van 19 januari 2026;
  • een bericht namens de vader van 7 april 2026;
  • een bericht namens de moeder van 7 april 2026;
  • een bericht namens de vader van 21 april 2026;
  • een bericht namens de moeder van 12 mei 2026;
  • een bericht namens de moeder van 6 augustus 2026.
4.4.

De mondelinge behandeling bij het hof was op 27 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat en een begeleider van [thuiszorginstelling], aan wie bijzondere toegang tot de mondelinge behandeling is verleend;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI;
  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
4.5.

Op 24 maart 2026 heeft het hof een tussenbeschikking gegeven en bepaald dat de zaak wordt voorgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.

4.6.

De voortzetting van de mondelinge behandeling was op 20 augustus 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met haar advocaat en een begeleider van Ambiq, aan wie bijzondere toegang tot de zitting is verleend;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de GI.

5 Het oordeel van het hof

Wat in de wet staat

5.1.

De rechter kan op vordering van een van de partijen de andere partij veroordelen tot betaling van een dwangsom, wanneer niet aan de hoofdveroordeling, zoals in dit geval nakoming van een zorgregeling, wordt voldaan.[_543f5bb8-533e-406e-b0a3-14ac9b6d72cc]

Het standpunt van de moeder

5.2.

De moeder voert aan dat zij wil meewerken aan het contact tussen [minderjarige] en de vader. De moeder ervaart problemen in de samenwerking met de GI en Ambiq. De moeder wil toewerken naar drie contactmomenten in de week tussen [minderjarige] en de vader, maar op dit moment veroorzaakt dit te veel stress bij [minderjarige]. De moeder voert aan dat zij de uitvoering van de zorgregeling niet frustreert, omdat er nu twee keer in de week contact is tussen [minderjarige] en de vader. De oplegging van een dwangsom is daarom niet gerechtvaardigd.

Het standpunt van de vader

5.3.

Volgens de vader zegt de moeder wel dat ze het contact tussen [minderjarige] en de vader belangrijk vindt, maar in de praktijk handelt ze daar niet naar. Als er contactmomenten zijn gepland, zegt de moeder die vaak af. Sinds de ondertoezichtstelling en het verblijf van de moeder bij Ambiq worden de contactmomenten wel beter nagekomen, maar vinden die nog steeds niet drie keer per week plaats. De moeder heeft een schriftelijke aanwijzing van de GI gekregen, maar blijft redenen zoeken om de contactmomenten af te zeggen. Duidelijk is dat de moeder de zorgregeling niet vrijwillig nakomt, waardoor de dwangsom als prikkel nodig is. Als de moeder de regeling nakomt, hoeft zij niet bang te zijn dat de dwangsommen worden geïnd.

Het oordeel van het hof

5.4.

Het hof zal, net als de rechtbank, de moeder veroordelen tot nakoming van de zorgregeling, zoals vastgelegd in de beschikking van 12 februari 2025 en daarbij bepalen dat de moeder een dwangsom moet betalen van € 250 voor iedere dag dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000. Het hof legt hierna uit hoe het tot deze beslissing is gekomen.

5.5.

De rechtbank heeft op 12 februari 2025 op verzoek van de moeder een zorgregeling tussen de ouders vastgesteld. In die regeling is bepaald dat de vader drie keer per week anderhalf uur contact heeft met [minderjarige], waarbij de eerste zes contactmomenten onder begeleiding plaatsvinden. Wanneer de rechtbank een zorgregeling vaststelt, moet die regeling worden nagekomen.

5.6.

Sinds de vaststelling van de zorgregeling, ruim anderhalf jaar geleden, is de zorgregeling nog geen enkele keer op de door de rechtbank vastgestelde wijze uitgevoerd. Sinds de betrokkenheid van de GI worden de contactmomenten opgebouwd. Volgens de moeder kon [minderjarige] de contactmomenten niet aan, raakte zij overstuur en was het nodig dat [minderjarige] eerst een half uur contact met haar vader zou hebben. Namens de GI is toegelicht dat de moeder inmiddels verblijft bij een ouder-kind voorziening van Ambiq waar 24 uur per dag begeleiding aanwezig is. De moeder heeft moeite met het reguleren van haar emoties. Zo kan zij boos worden en ontregeld raken, waardoor zij niet in staat is om te zorgen voor [minderjarige]. Die ontregeling kan soms wel 24 uur aanhouden. Dit heeft invloed op [minderjarige]. Zij heeft een ouder nodig die voor haar beschikbaar is en haar toestemming geeft om contact te hebben met de andere ouder. De moeder frustreert echter het contact tussen [minderjarige] en de vader. Zo zegt zij regelmatig contactmomenten af of probeert zij die in te korten. Daarnaast hebben begeleiders van Ambiq gezien dat de moeder [minderjarige] ziek had gemeld, waardoor het contactmoment met de vader niet kon plaatsvinden, terwijl vervolgens de moeder met [minderjarige] wel naar andere afspraken ging. Omdat de moeder regelmatig contactmomenten afzegt, heeft de GI haar een schriftelijke aanwijzing gegeven. De moeder is het daar niet mee eens en is een procedure gestart om die schriftelijke aanwijzing vervallen te laten verklaren. De moeder voert aan dat medische afspraken de oorzaak zijn voor het afzeggen van de contactmomenten. Zij onderbouwt die stelling niet en heeft geen gegevens overgelegd van medische afspraken. Daar staat tegenover dat de vader betwist dat er medische redenen zijn waardoor de contactmomenten niet plaats zouden kunnen vinden. De GI heeft bevestigd dat de moeder vier keer een contactmoment heeft afgezegd sinds haar verblijf bij Ambiq.

5.7.

Het is in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling wordt uitgevoerd. Ze is nog jong en het is belangrijk dat zij een band met de vader kan ontwikkelen. De GI heeft toegelicht dat [minderjarige] iedere keer blij is om de vader te zien. Als de contactmomenten een aantal keren zijn afgezegd, is te zien dat [minderjarige] weer moet wennen aan het contact. Om een band te kunnen ontwikkelen, is het daarom nodig dat [minderjarige] de vader structureel ziet. Volgens de GI is het mogelijk om de zorgregeling zoals vastgesteld uit te voeren en is dit ook in het belang van [minderjarige]. Bij de vader zijn geen belemmeringen, zodat [minderjarige] en de vader drie keer in de week contact kunnen hebben.

5.8.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er geen gronden aanwezig zijn voor het niet nakomen van de zorgregeling. Hoewel de moeder verklaart dat zij wil toewerken naar drie contactmomenten in de week, had dit anderhalf jaar geleden al moeten plaatsvinden. De moeder blijft redenen zoeken om de zorgregeling niet na te komen en heeft daarom een prikkel nodig om de zorgregeling na te komen. Het hof is van oordeel dat de dwangsom in stand moet blijven en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.

5.9.

De rechtbank heeft bepaald dat de moeder en de vader de eigen proceskosten dragen (compensatie van de proceskosten). In hoger beroep zijn geen grieven gericht tegen die beslissing. Het hof zal daarom ook in hoger beroep de proceskosten compenseren en de beschikking van de rechtbank op dit onderdeel bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 7 juli 2025;

veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling, die is vastgesteld

in de beschikking van 12 februari 2025;

veroordeelt de moeder tot het betalen van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag

dat zij niet aan deze veroordeling tot nakoming voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten;

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. K.A.M. van Os - ten Have, E. de Boer, en L.D.M. Rubens - Snijders, bijgestaan door mr. T.F. de Ruiter als griffier en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.

Voetnoten

  1. artikel 611a lid 1 Rv.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.