Uitspraak · Strafprocesrecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 augustus 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5481Zaaknummer 21-000614-26
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 25 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-000614-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Strafprocesrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vernietiging van het vonnis van de politierechter. Veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling tot een taakstraf van 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. Het hof komt, gelet op de aard en de ernst van het feit, niet tot de toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Het hof komt op basis van de wettige bewijsmiddelen tot het oordeel dat verdachte hulpverlenende agenten heeft bedreigd, door een bijl ter hand te nemen en met die bijl op de agenten te richten.
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Adviseert de tenuitvoerlegging van deze taakstraf toe te bedelen aan de SVG-reclassering.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2025, parketnummer 21-001063-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Wijst af de vordering van de officier van justitie Noord-Nederland van 3 februari 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2023, parketnummer 18-111549-23, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie Noord-Nederland van 3 februari 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2025, parketnummer 18-189136-25, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. B.S. Hofstede en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 augustus 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
- Hoger beroep
- Onderzoek van de zaak
- Het vonnis
- Tenlastelegging
- Bewijsoverweging
- [verbalisant 2] , werkzaam als aspirant bij de eenheid Noord-Nederland.
- Bewezenverklaring
- Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
- Strafbaarheid van verdachte
- Oplegging van straf
- Vorderingen tot tenuitvoerlegging
- Wetsartikelen
- BESLISSING
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000614-26
Uitspraakdatum: 25 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 10 februari 2026 met parketnummer 18-032316-26 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 18-189136-25, 18-111549-23 en 21-001063-25, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats],
wonende te [adres].
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 11 augustus 2026 en het onderzoek op de zitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte voor het hem ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van het voorarrest. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.G. ten Have, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft het ten laste gelegde bewezenverklaard en gekwalificeerd als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De politierechter heeft verdachte hiervoor opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het hof kwalificeert de bedreiging enigszins anders dan de politierechter en legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 februari 2026 te [plaats], gemeente [gemeente] [verbalisant 1], hoofdagent bij Eenheid Noord-Nederland en/of [verbalisant 2], aspirant bij Eenheid Noord-Nederland en/of [verbalisant 3], agent bij Eenheid Noord-Nederland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een bijl ter hand te nemen en/of met die bijl te richten op die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3].
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak moet volgen, nu de handelingen van verdachte onvoldoende zijn om aan te merken als bedreiging in de zin van artikel 285 Sr.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling als bedoeld in artikel 285 Sr onder meer is vereist dat door de bedreiging, gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat deze het leven zou kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht. Het is niet vereist dat de dader het voornemen had om dat waarmee hij dreigde, daadwerkelijk uit te voeren.
Aan de hand van het dossier en het onderzoek op de zitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast. Aangevers (agenten) zijn op 1 februari 2026 naar de woning van verdachte gegaan in het kader van een zorgmelding. Verdachte heeft zich tegen hen dreigend uitgelaten, nog voordat hij de deur van de woning opendeed. Hij zei dat de agenten “hondenuitlaters” zijn en dat hij niks met de politie te maken wilde hebben. Vervolgens heeft verdachte de deur voor de agenten geopend met een bijl in zijn hand, heeft hij de agenten strak lachend aangekeken en heeft hij met de arm waarmee hij de bijl vasthield een opwaartse beweging gemaakt. De agenten konden op dat moment niet makkelijk weggaan, omdat achter hen een auto geparkeerd stond.
Deze uitlatingen en gedragingen, in onderlinge samenhang bezien, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm aan te merken als een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. Door de houding, de uitlatingen en de bewegingen van verdachte, onder deze omstandigheden, is bij de verbalisanten de redelijke vrees ontstaan dat zij met de bijl zouden worden aangevallen en daarbij het leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaargewond zouden kunnen raken. Dat zij daar daadwerkelijk voor vreesden, blijkt uit het feit dat de agenten uit veiligheidsoverwegingen hun dienstwapens en taser hebben getrokken. Daarbij merkt het hof op dat niet van belang is dat verdachte niet daadwerkelijk van plan was de bijl te gebruiken of dat hij al tot uitvoering was overgegaan. Voldoende is dat zijn uitlatingen en gedragingen objectief bezien de hiervoor bedoelde vrees kon oproepen en dat zijn opzet daarop was gericht. Dat is hier het geval.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en verwerpt het verweer van de raadsman.
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof heeft hieronder de bewijsmiddelen uitgewerkt.
Bewijsmiddelen [_2ef8aae0-1c42-40ae-a897-51bec028e2e1]
1. De verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van het hof van 11 augustus 2026;
Het klopt dat ik de deur opendeed met een bijl in mijn handen. Het klopt dat ik de bijl omhooghield.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 februari 2026, inhoudende de verklaring van [verbalisant 2], opgenomen op de pagina’s 5 tot en met 7 van het politiedossier, zakelijk weergegeven;
Op 1 februari 2026 kregen mijn collega [verbalisant 1] en ik de opdracht om naar de [locatie] in [plaats] te gaan. Aldaar zou een persoon genaamd [verdachte] zelfmoord willen plegen.
Op 1 februari 2026, was ik samen met collega [verbalisant 1] ter plaatse bij de woning. Ik zag door de ruit van de voordeur een persoon staan. Ik hoorde dat de persoon niets met de politie te maken wilde hebben. Ik hoorde de persoon zeggen dat wij "honden uitlaters" waren of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat de man terug de woning in liep. Vervolgens zag ik dat de voordeur openging. Ik zag dat er een manspersoon in de deuropening stond. Ik zag dat hij een bijl vasthield in zijn linkerhand. Ik zag dat hij deze bijl vasthield en deze omhoog hield ter hoogte van zijn hoofd. Ik zag dat hij de bijl naar mij en mijn collega [verbalisant 1] richtte. Ik voelde mij hierdoor bedreigd. Ik voelde een dreiging vanuit de man gezien de bijl in zijn hand en zijn lichaamshouding. Ik zag dat de man in een houding stond wat op mij overkwam alsof hij de bijl daadwerkelijk wilde gebruiken tegen mij en/of mijn collega [verbalisant 1]. Ik voelde mij bedreigd.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2026, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2], opgenomen op de pagina’s 8 en 9 van het politiedossier;
[verbalisant 2] , werkzaam als aspirant bij de eenheid Noord-Nederland.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 4 februari 2026, inhoudende de verklaring van [verbalisant 3], als afzonderlijk document opgenomen onder proces-verbaalnummer PL0100-2026030976, zakelijk weergegeven;
Ik doe aangifte van bedreiging. Bij mij bestond de overtuiging dat de verdachte zijn bedreiging met een bijl werkelijk ten uitvoer zou leggen. Ik kreeg op 1 februari 2026 de opdracht om samen met mijn collega [verbalisant 4] te gaan naar de [locatie] in [plaats]. Aldaar zou de vroege noodhulpeenheid bij een melding staan waar een persoon genaamd [verdachte] zelfmoord wilde plegen.
Ik zag dat verdachte [verdachte] in de deuropening stond en in zijn rechterhand een bijl vasthield, waarbij het scherpe gedeelte gericht was op mij en mijn collega. Verdachte [verdachte] hield deze bijl omhoog en nam daarbij een dreigende houding aan. Deze houding voelde voor mij als dreigend omdat hij deze bijl omhoog vasthield en een positie aannam waarin hij ieder moment in de richting van mij en mijn collega kon gaan rennen. Ik zag dat hij mij daarbij recht in mijn ogen aankeek. Ik bevond mij op ongeveer vier meter afstand van [verdachte]. Achter mij stond een dienstvoertuig, waardoor ik niet verder naar achteren kon lopen. Ik moest om continue zicht te houden op de verdachte en de deuropening ook op deze locatie blijven staan. Gezien bovenstaande situatie voelde ik mij gespannen in een gevaarlijke situatie, waarin ik mijn vuurwapen wilde pakken. Aangezien mijn collega [verbalisant 1] zijn vuurwapen vast had, pakte ik mijn taser en richtte deze op [verdachte]. Ik voelde mij continue ongemakkelijk in de situatie, omdat ik niet wist wat verdachte met de bijl van plan was.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 1 februari 2026, inhoudende de verklaring van [verbalisant 1], als afzonderlijk document opgenomen onder proces-verbaalnummer PL0100-2026028301, zakelijk weergegeven;
Ik doe aangifte van bedreiging. Bij mij bestond de overtuiging dat de verdachte zijn bedreiging met een bijl werkelijk ten uitvoer zou leggen. Op zondag 1 februari 2026 was ik samen met collega [verbalisant 2] gegaan naar de [locatie] in [plaats]. Aldaar zou een persoon genaamd [verdachte] zelfmoord willen plegen.
Ik klopte op de voordeur. Ik hoorde dat de persoon niets met de politie te maken wilde hebben. Ik hoorde de persoon zeggen dat wij “honden uitlaters” waren. Ik zag dat de voordeur openging en dat er een manspersoon in de deuropening stond. Ik zag dat hij een bijl vasthield in zijn rechterhand. Ik zag dat hij deze bijl vasthield en omhooghield ter hoogte van zijn hoofd. Ik zag dat hij de bijl naar mij en mijn collega [verbalisant 2] richtte. Ik voelde een dreiging vanuit de man gezien de bijl in zijn hand en zijn lichaamshouding. Ik zag dat de man in een houding stond wat op mij overkwam alsof hij de bijl daadwerkelijk wilde gebruiken tegen mij en/of mijn collega [verbalisant 2]. Ik voelde mij bedreigd en had ten tijde van het incident mijn vuurwapen ter hand genomen en naar de man gericht gehouden tot de verdachte werd aangehouden. Het doet mij veel dat ik, terwijl ik in dienst van de politie ben en iemand wil helpen, zo wordt bedreigd.
6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 1 februari 2026, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4], opgenomen op pagina 13 van het politiedossier;
Op 1 februari 2026, hoorde ik, verbalisant [verbalisant 4], mijn collega [verbalisant 1] met luide stem roepen dat hij de handen wilden zien. Ik hoorde dat collega [verbalisant 2] mij vertelde dat de persoon (het hof begrijpt: verdachte) een bijl in zijn hand vasthield. Ik zag dat er een persoon in de deuropening stond. Ik zag dat de persoon een hakbijl in zijn rechterhand vasthield en lachend voor zich uit keek. Ik hoorde dat [verbalisant 1] zei dat de persoon zijn bijl moest laten vallen en dat hij een vuurwapen op de persoon had gericht. Ik hoorde dat [verbalisant 3] zei tegen deze persoon dat de persoon de bijl moest laten vallen en hoorde dat [verbalisant 3] de schokmodus van het stroomstootwapen liet horen aan de persoon. Ik zag dat de persoon een aantal keer de deur dicht deed en weer opendeed. Ik zag dat de persoon de deur weer opendeed en zijn bijl liet vallen.
7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding verdachte van 1 februari 2026, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 4], [verbalisant 3] en [verbalisant 2], opgenomen op de pagina’s 16 tot en met 18 van het politiedossier, zakelijk weergegeven.
[verbalisant 1], werkzaam als hoofdagent bij de eenheid Noord-Nederland.
[verbalisant 3], werkzaam als agent bij de eenheid Noord-Nederland.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 1 februari 2026 te [plaats], [verbalisant 1], hoofdagent bij Eenheid Noord-Nederland en [verbalisant 2], aspirant bij Eenheid Noord-Nederland en [verbalisant 3], agent bij Eenheid Noord-Nederland heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door een bijl ter hand te nemen en met die bijl te richten op die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en [verbalisant 3].
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van het voorarrest, gevorderd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, als het hof tot een bewezenverklaring komt, verdachte schuldig te verklaren zonder hem een straf op te leggen, nu zowel een taakstraf als een gevangenisstraf volgens de verdediging niet wenselijk zijn.
Mocht het hof toch een straf willen opleggen, dan verzoekt de verdediging om een taakstraf van 40 uren met aftrek van het voorarrest.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende meegewogen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling door een bijl op de agenten te richten. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige grens overschreden, waardoor de vrees is ontstaan dat de agenten eventueel hun leven zouden kunnen verliezen dan wel zwaargewond zouden kunnen raken. De politie vervult een publieke taak in het algemeen belang en de ingezette agenten moeten hun werkzaamheden kunnen verrichten, zonder te worden geconfronteerd met bedreiging met een voorwerp dat als levensgevaarlijk kan worden beschouwd. Bovendien kwamen de verbalisanten in het kader van een zorgmelding naar verdachtes huis, juist om hem hulp te bieden, omdat zijn zus zich zorgen om hem maakte. Het is des te schrijnender dat agenten die hulp willen bieden, zo bedreigd worden.
Verder heeft het hof gelet op het strafblad van verdachte van 17 juli 2026. Hieruit volgt dat verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld, ook voor soortgelijke feiten. Het hof weegt dit in strafverzwarende zin mee.
Ook heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze onder meer naar voren zijn gekomen op de zitting van het hof van 11 augustus 2026 en in het reclasseringsadvies van 3 februari 2026.
Op de zitting is naar voren gekomen dat verdachte inmiddels volledig is afgekickt van de amfetamine en ook geen alcohol meer gebruikt. Verder geeft verdachte aan dat hij steeds beter om kan gaan met zijn autismespectrumstoornis. Dat verdachte hierdoor beperkingen in zijn omgang met andere mensen heeft, weegt het hof in strafmatigende zin mee.
Uit het reclasseringsadvies, meer specifiek het advies omtrent de straf, volgt dat een taakstraf mogelijk is. Wel zal volgens de reclassering rekening moeten worden gehouden met de beperkte belastbaarheid van verdachte. Verder is het wenselijk dat, mocht het hof overgaan tot het opleggen van een taakstraf, deze naar de SVG-reclassering wordt verdeeld.
Bij het bepalen van de op te leggen straf en de hoogte daarvan heeft het hof ook gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud (LOVS) en op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Voor een bedreiging met het tonen van een slag- of stootwapen wordt als uitgangspunt 60 uren taakstraf genomen. In strafverzwarende zin weegt het hof mee dat het agenten betrof die hem enkel hulp wilden bieden en dit niet de eerste keer is dat verdachte in conflict komt met hulpverleners. In strafmatigende zin weegt het hof met name zijn persoonlijke omstandigheden en problematiek mee.
Alles afwegende acht het hof passend, noodzakelijk en uitvoerbaar een taakstraf van 60 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest. De toepassing van artikel 9a Sr acht het hof, gelet op de aard en de ernst van het feit, niet passend.
Vorderingen tot tenuitvoerlegging
Zaak met parketnummer 21-001063-25
In de zaak met parketnummer 21-001063-25 is verdachte op 12 november 2025 door het hof veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke gevangenisstraf. Deze vordering is in hoger beroep ook aan de orde.
Verdachte heeft een nieuw strafbaar feit gepleegd voor het einde van de proeftijd. Daarom zal het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf bevelen. Verdachte was een gewaarschuwd mens: het hof heeft hem een kans gegeven door hem destijds slechts een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur om geen nieuwe strafbare feiten te plegen. Nu hij dat wel gedaan heeft, verbindt het hof daar de consequentie aan dat hij dus deze voorwaardelijke gevangenisstraf alsnog moet uitzitten.
Zaak met parketnummer 18-111549-23
In de zaak met parketnummer 18-111549-23 is verdachte op 20 oktober 2023 door de politierechter veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke taakstraf opgelegd van 50 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 25 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke taakstraf. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering moet worden afgewezen. Door het ingestelde hoger beroep van verdachte, ligt deze vordering aan het hof voor.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat deze door de advocaat-generaal niet langer in het hoger beroep wordt gevorderd en het hof de tenuitvoerlegging daarom niet opportuun acht.
Zaak met parketnummer 18-189136-25
In de zaak met parketnummer 18-189136-25 is verdachte op 24 september 2025 door de politierechter veroordeeld. Aan verdachte is toen een voorwaardelijke taakstraf opgelegd van 40 uren, bij niet naar behoren uitvoeren te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren. Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van deze voorwaardelijke taakstraf. Op de zitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering moet worden afgewezen. Door het ingestelde hoger beroep van verdachte, ligt deze vordering aan het hof voor.
Het hof wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af, omdat deze door de advocaat-generaal niet langer in het hoger beroep wordt gevorderd en het hof de tenuitvoerlegging daarom niet opportuun acht.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Adviseert de tenuitvoerlegging van deze taakstraf toe te bedelen aan de SVG-reclassering.
Beveelt de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 november 2025, parketnummer 21-001063-25, voorwaardelijk opgelegde straf, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.
Wijst af de vordering van de officier van justitie Noord-Nederland van 3 februari 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2023, parketnummer 18-111549-23, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren.
Wijst af de vordering van de officier van justitie Noord-Nederland van 3 februari 2026, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 24 september 2025, parketnummer 18-189136-25, voorwaardelijk opgelegde taakstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis met een proeftijd van 3 jaren.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, voorzitter, mr. A.J. Rietveld en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. B.S. Hofstede en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 25 augustus 2026.
Voetnoten
- Wanneer hierna wordt verwezen naar processen-verbaal worden daarmee, tenzij anders aangegeven, steeds bedoeld processen-verbaal die in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren zijn opgemaakt en zijn opgenomen in het politiedossier van de politie Eenheid Noord-Nederland met registratienummer PL0100-2026028175 dat op 1 februari 2026 op ambtseed elektronisch is ondertekend en afgesloten door verbalisant [verbalisant 5] (GRN05167), hoofdagent bij Politie Eenheid Noord-Nederland.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.