Uitspraak · Personen- en familierecht

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 augustus 2026

ECLI:NL:GHARL:2026:5401Zaaknummer 200.370.753

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20 augustus 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
200.370.753
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Arnhem
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Vader moet eerst aan eigen emotie-regulatie en agressieproblemen werken voordat kan worden gekomen tot constructieve samenwerking met hulpverleners.

Het hof:

in de zaak met nummer 200.370.753/02

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing;

in de zaak met nummer 200.370.753/01

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 1 april 2026 en 21 mei 2026 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, J.U.M. van der Werff en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Samenvatting
  2. 2 De feiten
  3. 3 De procedures bij de kinderrechter
  4. 4 De procedure bij het hof
  5. 5 Het oordeel van het hof
  6. 6 De beslissing

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummers gerechtshof 200.370.753/01 en 200.37.753/02

zaaknummers rechtbank Gelderland 464890, 457570 en 466684

beschikking van 20 augustus 2026

over de uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

in de zaak van

[verzoeker] (de vader)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. B. Willemsen

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &

Jeugdreclassering (de GI)

die is gevestigd in Amsterdam

en

[belanghebbende] (de moeder)

die woont in [woonplaats2]

advocaat: mr. G.P.G. Willemse-Schoenmakers

1 Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] verlengd tot 12 november 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2], geboren [in] 2023.

2.2.

De ouders hebben samen het gezag over de kinderen.

2.3.

De kinderen staan sinds 30 september 2024 onder toezicht van de GI. In een beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader verlengd tot 12 juni 2026.

2.4.

Op 1 april 2026 heeft de kinderrechter een machtiging verleend [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening. De kinderen wonen vanaf die datum in een gezinshuis.

3 De procedures bij de kinderrechter

3.1.

De GI heeft de kinderrechter verzocht een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen te verlenen in een gezinsgerichte voorziening (voor de duur van de ondertoezichtstelling). De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen.

3.2.

Die beslissing is uitgesproken op 1 april 2026 en op schrift gesteld in een beschikking op 9 april 2026. Daarbij heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij de vader beëindigd.

3.3.

Vervolgens heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen.

3.4.

De kinderrechter heeft ook beslist dat de machtiging tot uithuisplaatsing mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).

3.5.

Die beslissingen zijn vastgelegd in een beschikking van 21 mei 2026.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De vader is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof die beslissingen ongedaan maakt. Hij heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

4.2.

De moeder is het wel eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij wil dat het hof die beslissingen in stand laat.

4.3.

De GI wil dat de beslissingen in stand blijven.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.4.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift ontvangen op 25 juni 2026
  • het verweerschrift van de GI met bijlagen
  • de stukken van de vader ingediend op 27 juli 2026

een bericht van de raad voor de kinderbescherming van 29 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting

4.5.

De zitting bij het hof was op 3 augustus 2026. Aanwezig waren:

  • de vader met zijn advocaat
  • de moeder met haar advocaat
  • twee vertegenwoordigers van de GI

5 Het oordeel van het hof

Het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.370.753/02)

5.1.

De vader heeft zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beschikkingen van 1 april 2026 en 21 mei 2026 op de zitting ingetrokken, zodat dit niet hoeft te worden besproken. Het hof zal de vader niet-ontvankelijk verklaren in dat verzoek.

De hoofdzaak (zaaknummer 200.370.753/01)

Wat staat in de wet?

5.2.

De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De kinderrechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen[_4eb3bf51-c19f-4e5b-8419-dbfcc7daf6fd]. De kinderrechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken[_088d6ec4-eb09-4aa3-8c45-549b43dd0778].

Hoe oordeelt het hof?

5.3.

De machtiging voor de uithuisplaatsing van de kinderen loopt tot 2 september 2026.

5.4.

De machtiging is terecht gegeven aan de GI, omdat de kinderen niet thuis kunnen wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd).

5.5.

Het hof sluit zich aan bij de motivering van de beslissing van de kinderrechter tot verlenging van de uithuisplaatsing. Samengevat houdt die motivering in dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis zijn geplaatst als gevolg van de tekortschietende emotieregulatie van de vader, zijn chronische afwerende houding in de richting van hulpverleners, signalen van een onveilige hechting bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en het contact tussen [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en de moeder dat niet vrijelijk kon plaatsvinden. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben nu rust gevonden in het gezinshuis en zij ontwikkelen zich goed. Vanwege een spraak- en taalachterstand gaan de kinderen naar het medisch kinderdagverblijf. Dit biedt hen structuur, sociale interactie en ontwikkelingsstimulatie passend bij hun leeftijd. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn wat betreft spraak en taal vooruitgegaan. De uithuisplaatsing is noodzakelijk om die positieve ontwikkeling van de kinderen en hun plek in het gezinshuis te waarborgen.

5.6.

Hieraan voegt het hof nog het volgende toe.

De vader heeft structureel noodzakelijke hulpverlening voor hem en de kinderen geweigerd, waardoor hulpverlening niet van de grond kwam. Er waren ernstige en langdurige zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader en signalen van onveilige hechting. Vrijwillige hulpverlening en minder ingrijpende maatregelen leverden onvoldoende resultaat op. De vader is kennelijk niet in staat samen te werken met de hulpverleners. Hij houdt zich niet aan afspraken, heeft dreigementen geuit en zich ernstig grensoverschrijdend uitgelaten in de richting van de jeugdbeschermers. Daarvan hebben zij aangifte gedaan. De vader zal eerst aan zijn eigen emotie-regulatie en agressieproblemen moeten werken voordat kan worden gekomen tot een constructieve samenwerking met de hulpverleners. Ondanks eerdere toezeggingen van de vader is op de zitting bij het hof duidelijk geworden dat hiermee nog steeds geen start is gemaakt op welke wijze dan ook. Zo lang dit niet gebeurt, verandert er niets in de opvoedsituatie van de kinderen bij de vader en blijven de zorgen daarover onverminderd. De uithuisplaatsing van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] is dan ook nog steeds noodzakelijk voor hun verzorging en opvoeding.

5.7.

Het hof zal dus de beschikking van 21 mei 2026 in stand laten (bekrachtigen). Omdat daarmee de noodzaak van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing vaststaat hoeft de rechtmatigheid van de beschikking van 1 april 2026 over de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing niet (afzonderlijk) te worden getoetst.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met nummer 200.370.753/02

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing;

in de zaak met nummer 200.370.753/01

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, van 1 april 2026 en 21 mei 2026 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, J.U.M. van der Werff en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.

Voetnoten

  1. artikel 1:265b lid 1 BW.
  2. artikel 1:265c lid 2 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.