Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 augustus 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5280Zaaknummer 200.363.700
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 13 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.363.700
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Zorgregeling. 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW. Gedetailleerde regeling; bekrachtiging met enkele aanpassingen.
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 oktober 2025 (zoals hersteld in de beschikking van 17 december 2025), behalve wat betreft de reguliere zorgregeling, de meivakantie en het overdrachtsmoment en past deze aan als volgt:
- ten aanzien van de reguliere zorgregeling:
[de minderjarige] verblijft wekelijks van dinsdag uit school tot woensdagochtend naar school bij de vader alsmede één keer in de twee weken (in de even weken) van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- ten aanzien van de vakantieregeling:
in de meivakantie verblijft [de minderjarige] in de even jaren de eerste week van vrijdag uit school tot maandag 9.00 uur bij de vader, waarna [de minderjarige] de tweede week van zaterdag 9.00 uur tot maandag naar school bij de moeder verblijft;
- bepaalt dat – mocht er geen school zijn – de overdracht plaatsvindt om 9.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder thuis ophaalt of terugbrengt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.363.700
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 594281
beschikking van 13 augustus 2026
over de zorgregeling van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats1]
advocaat mr. J.K. Kemper
en
[verweerster] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat mr. J. Breeveld
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
als adviseur van het gerechtshof
die is gevestigd in Utrecht
1 Samenvatting
De vader en de moeder hebben beiden verzocht om de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 april 2024, waarin een zorgregeling is vastgesteld, te wijzigen. De rechtbank heeft die verzoeken gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
Partijen zijn de ouders van [de minderjarige], geboren [in] 2020, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] woont bij de moeder.
[de minderjarige] is onder toezicht gesteld geweest van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) van 21 juni 2023 tot 14 maart 2025.
In een beschikking van 21 juni 2023 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder bepaald en is een zorgregeling vastgesteld.
In hoger beroep heeft het gerechtshof bij beschikking van 9 april 2024 als zorgregeling vastgesteld dat:
tot 1 september 2024
- [de minderjarige] elke week op dinsdag van 9.30 uur tot 17.00 uur bij de vader zal verblijven;
- [de minderjarige] elke week op zondag van 9.00 uur tot 13.00 uur bij de vader zal verblijven;
met ingang van 1 september 2024
- [de minderjarige] elke week op dinsdag van 9.30 uur dan wel uit school tot woensdag 9.30 uur dan wel naar school bij de vader zal verblijven;
- [de minderjarige] eenmaal per veertien dagen van zaterdagavond 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader zal verblijven;
en dat de GI deze zorgregeling met het oog op de belangen van [de minderjarige] mag aanpassen qua
duur, tijdstip, dag, plaats en frequentie zowel in uitbreidende als beperkende zin.
3 De procedure bij de rechtbank
De vader en de moeder hebben verzocht de beschikking van het gerechtshof van 9 april 2024 te wijzigen.
De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd en (als reguliere regeling) bepaald dat [de minderjarige] wekelijks van dinsdag uit school of na de BSO tot woensdagochtend naar school bij de vader verblijft alsmede één keer in de twee weken (in de even weken) van vrijdag uit school of na de BSO tot maandag naar school, waarbij de overdracht – mocht er geen school zijn – plaatsvindt om 9.00 uur en de vader [de minderjarige] bij de moeder thuis ophaalt of terugbrengt. Daarnaast heeft de rechtbank een regeling vastgesteld voor de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 17 oktober 2025 (en hersteld in een beschikking van 17 december 2025).
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat als reguliere regeling wordt vastgesteld dat [de minderjarige] één keer in de twee weken (in de even weken) van vrijdag uit school tot maandag naar school bij vader verblijft. Verder vraagt zij – voorwaardelijk, als de rechtbank geen herstelbeschikking geeft – dat de regeling voor de vakanties en feestdagen op twee onderdelen wordt verbeterd dan wel aangepast en dat in de reguliere regeling de woorden ‘althans na de BSO’ worden verwijderd.
De vader is het eens met de beslissing van de rechtbank en hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat en de moeder in de kosten van de procedure in hoger beroep veroordeelt.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
- het beroepschrift, ontvangen op 15 januari 2026
- het verweerschrift, ontvangen op 17 maart 2026
- de stukken van de moeder ingediend op 5 juni 2026 (producties 34 - 60)
- de stukken van de moeder ingediend op 9 juni 2026 (productie 61)
- de stukken van de vader ingediend op 11 juni 2026 (productie 3)
De zitting bij het hof was op 16 juni 2026. Aanwezig waren:
- de moeder met haar advocaat
- de vader met zijn advocaat
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming
5 Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
Ingevolge artikel 1:253a lid 4 BW in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag en een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen. Dat kan als daarna de omstandigheden zijn gewijzigd of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De gewijzigde regeling kan omvatten de zorgregeling voor een kind.
De rechter neemt een beslissing die hij in het belang van het kind wenselijk vindt.
Hoe oordeelt het hof?
Tijdens de mondelinge behandeling is besproken (en vastgesteld) dat het in hoger beroep alleen nog gaat over een deel van de reguliere regeling – namelijk voor zover de rechtbank heeft beslist dat [de minderjarige] wekelijks van dinsdag uit school of na BSO tot woensdagochtend naar school bij de vader verblijft – en over het aanpassen of herstellen van twee onderdelen in de vakantieregeling. De beslissing dat [de minderjarige] één keer in de twee weken (in de even weken) van vrijdag uit school of na BSO tot maandag naar school bij de vader verblijft, staat niet ter discussie. Ook zijn partijen het erover eens dat de vakantieregeling (over de verdeling van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen) kan worden aangepast of verbeterd op de twee onderdelen, zoals verzocht door de moeder.
Het hof ziet in het door de moeder aangevoerde geen redenen om anders te beslissen over de zorgregeling dan de rechtbank heeft gedaan. De moeder heeft voorbeelden gegeven waaruit volgens haar blijkt dat de zorgregeling (door toedoen van de vader) niet passend is, maar de vader heeft deze voorbeelden gemotiveerd weersproken. Zo zou de vader [de minderjarige] structureel te laat op school brengen, maar ter zitting heeft de vader uitgelegd dat dit slechts twee keer is gebeurd. Ook is de vader een keer de medicatie van [de minderjarige] vergeten, maar ter zitting is ook toegelicht dat er vijf exemplaren van noodmedicatie zijn en dat de vader er daar geen van heeft. Bovendien zijn de door de moeder gestelde incidenten naar het oordeel van het hof niet zo ernstig, dat deze in de weg staan aan (uitvoering van) de zorgregeling. [de minderjarige] is inmiddels ook gewend aan de geldende zorgregeling.
Dat de zorgregeling niet soepel verloopt, is niet gelegen in de omgang tussen de vader en [de minderjarige] maar in de moeizame communicatie tussen partijen. Het hof volgt de raad in zijn advies om het verzoek van de moeder tot wijziging van de zorgregeling af te wijzen, omdat vermindering van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet zal bijdragen aan verbetering van de communicatie. De ouders zullen met hulpverlening aan verbetering daarvan moeten werken om in de toekomst knelpunten in onderling overleg te kunnen oplossen. Ter zitting is besproken dat bij [naam] sprake is van een tussentijdse evaluatie, dat de hulpverlening de procedure bij het hof afwachtte en daarna zal worden voortgezet. Het hof gaat ervan uit dat beide ouders, gelet op de noodzaak van de verbetering van hun communicatie, daaraan zullen meewerken. Een beslissing van de rechter over de zorgregeling heeft per definitie een tijdelijk karakter. Het hof acht de geldende zorgregeling dan ook het meest in het belang van [de minderjarige].
De bestreden beschikking moet daarom in stand blijven (worden bekrachtigd)
Omdat partijen het wel eens zijn over de door de moeder aangevoerde (verbeter)punten (omissies) in de bestreden beschikking, zal het hof beslissen overeenkomstig die verzoeken zoals hierna vermeld. Ook het verzoek van de moeder de reguliere regeling aan te passen en de bewoordingen ‘althans na de BSO’ te verwijderen, zal het hof toewijzen, omdat [de minderjarige] nu niet naar de BSO gaat.
6 De slotsom
Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en aanpassen overeenkomstig de verzoeken van de moeder.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt, omdat de procedure over het kind van partijen gaat. Het hof wijst het verzoek van de vader om de moeder in de proceskosten te veroordelen dus af.
7 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 17 oktober 2025 (zoals hersteld in de beschikking van 17 december 2025), behalve wat betreft de reguliere zorgregeling, de meivakantie en het overdrachtsmoment en past deze aan als volgt:
- ten aanzien van de reguliere zorgregeling:
[de minderjarige] verblijft wekelijks van dinsdag uit school tot woensdagochtend naar school bij de vader alsmede één keer in de twee weken (in de even weken) van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- ten aanzien van de vakantieregeling:
in de meivakantie verblijft [de minderjarige] in de even jaren de eerste week van vrijdag uit school tot maandag 9.00 uur bij de vader, waarna [de minderjarige] de tweede week van zaterdag 9.00 uur tot maandag naar school bij de moeder verblijft;
- bepaalt dat – mocht er geen school zijn – de overdracht plaatsvindt om 9.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] bij de moeder thuis ophaalt of terugbrengt;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, D.J.M. van de Voort en A.T. Bol, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.