Uitspraak · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4447Zaaknummer 200.363.699/01
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Publicatiedatum
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.363.699/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Artikel 1:377e lid 1 BW Artikel 1:377a lid 3 BW Artikel 1:377e lid 1 en lid 2 BW Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vader de omgang met de kinderen ontzegd moet worden voor de duur van een jaar.
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 november 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, E. de Boer en S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.699
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 595500)
beschikking van 9 juli 2026
inzake
[de vader]
zonder bekende woon- of verblijfplaatsadvocaat: mr. A. Hayaty
en
[de moeder]
die woont op een geheim adres
advocaat: mr. A. Özmen
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 november 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 januari 2026;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht namens de moeder van 10 juni 2026 met producties 11 - 14.
Op 22 juni 2026 heeft [minderjarige1] gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Tijdens de mondelinge behandeling heeft een van de raadsheren hiervan een samenvatting gegeven.
De mondelinge behandeling heeft op 23 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- mr. A. Fakiri, waarnemend advocaat voor mr. Hayaty, namens de vader;
- de moeder met haar advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
De vader is zelf niet verschenen.
3. De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige1], geboren op [geboortedatum] en
- [minderjarige2], geboren op [geboortedatum].
De vader heeft de kinderen erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2].
Bij beschikking van 17 januari 2025 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder met het gezag over [minderjarige1] en [minderjarige2] te belasten en om een omgangsregeling vast te stellen, afgewezen.
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hem en [minderjarige1] en [minderjarige2] afgewezen en de vader de omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] ontzegd voor de duur van een jaar, dus tot 6 november 2026. De rechtbank heeft die beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vader is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat er een omgangsregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [minderjarige1] en [minderjarige2] overeenkomstig de voorlopige omgangsregeling zoals geadviseerd door de raad in het rapport van 17 september 2024.
De moeder voert verweer en heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. De moeder vraagt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel het beroep ongegrond te verklaren. De moeder verzoekt in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, aan de vader de omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] te ontzeggen zonder hieraan een termijn te verbinden.
De vader voert hiertegen verweer en hij vraagt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel dit verzoek af te wijzen.
5 De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Het is het hof niet duidelijk geworden waar de vader woont. De vader is niet op de zitting verschenen. De advocaat van de vader heeft geen duidelijkheid kunnen geven over de huidige woon-/verblijfplaats van de vader. Uit het BRP uittreksel van de vader blijkt dat de vader vanaf 2 januari 2026 geregistreerd staat als ‘geëmigreerd’. De zaak heeft daarom een internationaal karakter, zodat het hof aanleiding ziet ambtshalve onderzoek te doen naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de Verordening Brussel II-ter (Verordening (EU) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019) zijn ten aanzien van de ouderlijke verantwoordelijkheid de gerechten van de lidstaat bevoegd op het grondgebied waarvan het kind de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Omdat [minderjarige1] en [minderjarige2] op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden, waar zij ook nu nog wonen, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Omdat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en het toepasselijke recht in hoger beroep niet in geschil is, zal het hof ook het Nederlands recht toepassen.
De rechter kan op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing over de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan[_0d00a78e-00e7-4175-82f0-59363be0317f].
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind[_ef04c482-48a0-471c-91fc-f4111780c3a3].
Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen of de ouder die de omgang is ontzegd, zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen[_47ac03d5-eb9b-4e2c-9dd9-a05406b0b68d].
Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de vader de omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] ontzegd moet worden voor de duur van een jaar (vanaf de uitspraak van de rechtbank, dus tot 6 november 2026). Het hof neemt – na eigen onderzoek – de overwegingen van de rechtbank over en voegt daar nog het volgende aan toe.
[minderjarige1] is een kwetsbaar meisje dat duidelijk angst heeft voor haar vader door meerdere incidenten die hebben plaatsgevonden en omschreven staan in de bestreden beschikking. Uit de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, is gebleken dat de hulpverlening aan [minderjarige1] inmiddels is hervat. Zij krijgt psychomotorische therapie en binnen deze behandeling zal ze ook nog EMDR krijgen. Het is belangrijk dat [minderjarige1] deze behandeling in alle rust kan voortzetten.
Ook voor [minderjarige2] en de moeder is hulpverlening in gang gezet. Hoewel [minderjarige2] nog erg jong was ten tijde van de incidenten voelt zij de angst en spanning van haar zus en moeder. Dit leidt onder meer tot slaapproblematiek. De moeder ontvangt opvoedondersteuning bij haar thuis.
De raad heeft tijdens de zitting geadviseerd de uitspraak van de rechtbank in stand te laten. Omdat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden is de raad teruggekomen op het eerdere advies. [minderjarige1] is erg geschrokken van deze gebeurtenissen en daardoor erg angstig geworden. [minderjarige1] kan zich moeilijker uiten doordat zij een taal-ontwikkelingsstoornis (TOS) heeft. Het is belangrijk dat de vader de angst van [minderjarige1] erkent, hetgeen hij niet doet. Mogelijk kan de vader in een later stadium worden betrokken bij de behandeling om te bezien of er ruimte kan ontstaan voor contact, maar daar is nu nog geen ruimte voor, aldus de raad. De behandeling dient eerst gericht te zijn op de angsten van [minderjarige1]. Bovendien is niet duidelijk of de vader in staat is om een betrouwbaar contact met de kinderen op te bouwen aangezien hij momenteel niet is ingeschreven in Nederland en onduidelijk is waar hij verblijft.
Het hof sluit aan bij het advies van de raad. Uit de stukken komt naar voren dat de vader er geen blijk van geeft dat hij zich kan verplaatsen in het perspectief van de kinderen en kan aansluiten bij wat zij nodig hebben. Hij weerspreekt de angsten en behoeften van de kinderen en houdt geen rekening met hun belevingswereld en veiligheid. Voordat er weer sprake kan zijn van contact met de kinderen zal de vader moeten laten zien dat hij een betrouwbare en beschikbare ouder kan zijn voor de kinderen. De vader zal eveneens hulpverlening in moeten schakelen om hieraan te werken.
Het hof vindt het zorgelijk dat de vader blijft herhalen dat er in Marokko een omgangsregeling tussen hem en de kinderen is vastgelegd en dat hij deze af zou kunnen dwingen. Hij onderbouwt dat op geen enkele wijze met stukken. Of dit wel of niet zo is kan in deze procedure in het midden blijven, het levert wel extra onrust op wat niet in het belang van de kinderen is.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat de vader het recht op omgang met [minderjarige1] en [minderjarige2] op juiste gronden is ontzegd.
Het hof wijst het verzoek van de moeder in incidenteel appel af. Het hof ziet geen aanleiding voor een ontzegging zonder daaraan een termijn te verbinden. Het hof sluit aan bij het advies van de raad dat de gestelde termijn passend is voor deze jonge kinderen. Daarnaast geldt op basis van het onder 5.5 genoemde artikel dat de ontzegging geldt voor een jaar, (ook) als er geen termijn is gesteld. Het hof zal de uitspraak van de rechtbank ook op dit punt in stand laten (bekrachtigen).
6 De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 6 november 2025;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. L.D.M. Rubens-Snijders, E. de Boer en S. Kuijpers, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.