Uitspraak · Bestuursstrafrecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 oktober 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:8187Zaaknummer Wahv 200.236.966
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 9 oktober 2020
- Publicatiedatum
- 10 november 2020
- Zaaknummer
- Wahv 200.236.966
- Rechtsgebied
- Strafrecht, Bestuursrecht, Bestuursstrafrecht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De kantonrechter mag niet op een ingetrokken beroep beslissen.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
| Zaaknummer | : Wahv 200.236.966/01 |
| CJIB-nummer | : 205679739 |
| Uitspraak d.d. | : 9 oktober 2020 |
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2018, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie. Dat beroep was immers bij brief van 18 maart 2018 ingetrokken.
2. De brief van 18 maart 2018 bevindt zich niet in het dossier zoals het hof dat van de rechtbank heeft ontvangen. Bij het hoger beroepschrift heeft de gemachtigde een afschrift overgelegd van die brief en een faxbevestiging van de verzending ervan d.d. 18 maart 2018. De brief van
18 maart 2018 is gericht aan het in de correspondentie van de rechtbank vermelde faxnummer, vermeldt dat het betreft de zitting in de zaak van “ [de betrokkene] B.V.” alsmede het CJIB-nummer en het nummer waaronder de zaak bij de rechtbank bekend is. De brief houdt in de mededeling dat hierbij het bovenvermelde beroep wordt ingetrokken.
3. Het hof acht op grond van de door de gemachtigde in hoger beroep overgelegde stukken voldoende aannemelijk dat de gemachtigde op 18 maart 2018 het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie in de onderhavige zaak heeft ingetrokken. De kantonrechter heeft daarom ten onrechte op dat beroep beslist. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen.
4. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.