Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 5 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3020Zaaknummer 23-000513-26

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
5 oktober 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23-000513-26
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring openlijke geweldpleging in vereniging. Verwerping noodweer(exces)verweer. Taakstraf voor de duur van 100 uren.

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Tenlastelegging
  3. Vonnis waarvan beroep
  4. Bewijsoverweging
  5. Bewezenverklaring
  6. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte
  7. Kwalificatie
  8. Oplegging van straf
  9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
  10. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000513-26

datum uitspraak: 5 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2026 in de strafzaak onder parketnummer 13-292028-25 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland]) op [geboortedag] 1999,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, op of aan de openbare weg, de Korte Leidsedwarsstraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten [slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:

- het op de grond gooien van die [slachtoffer] en/of;

- het een of meermalen (met kracht) slaan tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam van die [slachtoffer] en/of;

- het een of meermalen (met kracht) schoppen/trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer]

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.

De verdediging heeft in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het schoppen dan wel trappen tegen het lichaam van het slachtoffer, nu onduidelijk is of de verdachte het slachtoffer heeft geraakt.

Het hof stelt, op basis van het proces-verbaal bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven en de eigen waarneming naar aanleiding van het bekijken van de camerabeelden, de volgende feiten en omstandigheden vast.

Tussen de verdachte, de medeverdachte en het slachtoffer is op straat tijdens het uitgaan een gevecht ontstaan. Op de camerabeelden is te zien dat het slachtoffer meerdere malen door de verdachte en de medeverdachte wordt geslagen, waardoor het slachtoffer uiteindelijk op de grond terecht komt. Vervolgens maakt de verdachte schoppende en trappende bewegingen in de richting van het lichaam van het slachtoffer. Het slachtoffer bevindt zich gedurende deze gedragingen gedeeltelijk buiten het zicht van de camera op de grond, terwijl omstanders tussen beiden komen. Hierdoor is niet met voldoende zekerheid vast te stellen of de verdachte het slachtoffer daadwerkelijk met zijn voet heeft geraakt.

Het hof acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het slachtoffer heeft geschopt dan wel getrapt en zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 31 augustus 2025 te Amsterdam op of aan de openbare weg, de Korte Leidsedwarsstraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:

- het op de grond gooien van die [slachtoffer] en;

- het meermalen (met kracht) slaan tegen het hoofd en het gezicht en het lichaam van die [slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt, zodat hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer begonnen is met het geweld en dat de verdachte genoodzaakt was zich daartegen te verdedigen.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot verwerpen van het beroep op noodweer, dan wel noodweerexces, omdat geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

Het hof overweegt als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is van de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Hiervan is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. In het voor noodweer geldende vereiste dat de gedraging ‘geboden is door de noodzakelijke verdediging’ worden zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was en of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was. In verband met genoemde noodzaak gaat het niet alleen om de vraag of de verdachte zich redelijkerwijs aan de aanranding kon onttrekken, maar ook om de vraag of hij zich daaraan had moeten onttrekken. Bij de verwerping van een beroep op noodweer kan dus niet worden volstaan met het enkele argument dat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen onttrekken. Ook moet ten aanzien van de vraag of de gekozen wijze van verdediging geboden was beoordeeld worden of de gedraging niet in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Hierbij gaat het dus om de keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop dat middel is gebruikt.

Het hof stelt op basis van het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven en de eigen waarneming van het hof van de camerabeelden het volgende vast.

De verdachte en de medeverdachte lopen over de Korte Leidsedwarsstraat in Amsterdam. Het slachtoffer loopt hen tegemoet en raakt in gesprek met de medeverdachte. De verdachte loopt aanvankelijk door, maar keert op enig moment terug en gaat bij hen staan, dicht op het slachtoffer. Het slachtoffer geeft de verdachte vervolgens een duwtje tegen zijn schouder, zet zijn glas weg, gaat met de verdachte in gesprek en slaat zijn armen slap om de verdachte heen, die dat laat gebeuren. Nadat de verdachte een zacht tikje met de rug van zijn hand tegen de borst van het slachtoffer geeft, pakt het slachtoffer de verdachte vast aan zijn bovenkleding bij zijn nek. Hierop pakt de verdachte het slachtoffer eveneens vast en duwt hem naar achteren, waarna zij uit het beeld verdwijnen. Als zij terug in beeld verschijnen, is te zien dat de verdachte en de medeverdachte meermalen en met kracht, ook nadat het slachtoffer een eerste keer op de grond terecht komt, op het hoofd en het lichaam van het slachtoffer inslaan, als gevolg waarvan het slachtoffer uiteindelijk hard achterover valt en op de grond blijft liggen. Te zien is dat de verdachte daarna steeds opnieuw de confrontatie opzoekt terwijl het slachtoffer op de grond ligt door in diens richting te schoppen, zonder dat is vast te stellen of de verdachte hem daarbij raakt.

Op grond van deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof aannemelijk geworden dat sprake was van een noodweersituatie, in die zin dat met de eerste fysieke confrontatie en hetgeen daar aan vooraf ging door het slachtoffer sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lichaam waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. De wijze waarop de verdachte zich vervolgens verdedigt in samenwerking met de medeverdachte, gaat echter de grenzen van een noodzakelijke verdediging te buiten, omdat zij volkomen ongeremd en met kracht gezamenlijk blijven inslaan op het hoofd van het slachtoffer, zodanig dat hij uiteindelijk hard achterover op de grond valt. Slechts door ingrijpen van omstanders wordt uiteindelijk het verder toepassen van geweld op het slachtoffer gestopt. De beschreven verdedigingshandelingen van de verdachte staan niet in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding, zodat het beroep op noodweer faalt.

Nu de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, komt het hof toe aan de vraag of de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Van noodweerexces kan sprake zijn indien de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt. Vereist is dat aannemelijk is dat deze gemoedsbeweging van doorslaggevend belang is geweest voor de gedraging van de verdachte.

Uit het dossier en hetgeen de verdachte hier zelf over heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat bij hem sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging zoals hier bedoeld. Dat de verdachte boos was, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, is daartoe onvoldoende, omdat dat het gedrag van de verdachte niet zonder meer verontschuldigbaar maakt. Het gedrag van de verdachte en de zichtbare boosheid bij het proberen al schoppend de confrontatie te blijven aangaan, wijzen naar het oordeel van het hof meer op een gerichte en agressieve tegenaanval.

Het beroep op noodweerexces wordt daarom eveneens verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat het bewezenverklaarde strafbaar is.

Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een geldboete ter hoogte van € 1.000 tot € 1.500 op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte in het uitgaansgebied van Amsterdam schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Daarbij is het slachtoffer meermalen geslagen, ook nadat hij een eerste keer op de grond terecht was gekomen. Een feit als het onderhavige maakt een ernstige inbreuk op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Dergelijk geweld, gepleegd in een uitgaansgebied, draagt bovendien bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij degenen die daarvan slachtoffer of getuige zijn.

Het hof heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd en die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Daarin wordt voor openlijke geweldpleging tegen personen, waarbij lichamelijk letsel is veroorzaakt, een taakstraf voor de duur van 150 uren als uitgangspunt genoemd. Gelet op dit oriëntatiepunt en de ernst van het bewezenverklaarde acht het hof een hogere taakstraf dan door de rechtbank is opgelegd passend en geboden.

Het hof ziet evenwel in de omstandigheden van het onderhavige geval aanleiding om in het voordeel van de verdachte van het genoemde oriëntatiepunt af te wijken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. De verdachte heeft verklaard dat hij inmiddels zijn diploma heeft gehaald en een baan heeft.

Alles afwegende acht het hof een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.J.A. Duker en mr. J. Boksem, in tegenwoordigheid van mr. J.P.M. Veerman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 oktober 2026.

De jongste raadsheer is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.