Uitspraak · Strafrecht

Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:3002Zaaknummer 23-001446-25

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
23 oktober 2026
Zaaknummer
23-001446-25
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vernietiging ten aanzien van de kwalificatie en de beslissing op de vorderingen benadeelde partijen. Wederrechtelijk binnendringen besloten lokaal; eenvoudige belediging van een ambtenaar; bedreiging met enig misdrijf tegen het leven. Vorderingen benadeelde partij t.a.v. belediging in plaats van bedreiging. Gedeeltelijke toewijzing.

Het hof:

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de kwalificatie en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 maart 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 maart 2025.

Bevestigt het vonnis voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. E. de Greeve en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2026.

Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Onderzoek van de zaak
  2. Vonnis waartegen beroep
  3. Kwalificatie van het bewezenverklaarde
  4. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
  5. Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
  6. BESLISSING

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001446-25

datum uitspraak: 20 oktober 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-299040-24 en 15-015534-25 en 15-085813-25, alsmede 13-260092-23 (TUL) tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 6 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waartegen beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Nu de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, kan worden volstaan met de opsomming van de bewijsmiddelen zoals neergelegd in het vonnis van de politierechter.

Kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

T.a.v. 15-299040-24 en 15-015534-25:

telkens: in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

T.a.v. 15-085813-25 feit 1:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

T.a.v. 15-085813-25 feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00. De vordering is door de politierechter toegewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering betrekking heeft op immateriële schade als gevolg van zowel de tenlastegelegde belediging als de tenlastegelegde bedreiging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de gehele vordering toe te wijzen, zoals dit ook is gedaan in eerste aanleg.

De raadsman heeft verzocht de vordering te matigen.

Bedreiging

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De door de benadeelde partij aangevoerde klachten zijn ontoereikend om vast te stellen dat ten aanzien van de bedreiging sprake is van de vereiste ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarbij is het volgende van belang

Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (vgl. HR 2 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:822).

Uit de onderbouwing van de vordering blijkt, samengevat, dat de bedreiging veel indruk heeft gemaakt op de benadeelde partij, dat zij twee nachten slaapproblemen heeft gehad en dat zij de eerste werkdagen na de bedreiging een onveilig gevoel heeft gehad. Deze gevolgen zijn, in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Belediging

De omvang van de immateriële schade als gevolg van de belediging zal op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, BW naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 150,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Slotsom

Gezien het voorgaande, en gegeven het genoegzaam gevoerde partijdebat en geen noodzaak tot nader onderzoek, zal het méér gevorderde worden afgewezen (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.8.7 en 2.8.3).

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is door de politierechter toegewezen.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij toegelicht dat de vordering betrekking heeft op immateriële schade als gevolg van zowel de tenlastegelegde belediging als de tenlastegelegde bedreiging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de gehele vordering toe te wijzen, zoals dit ook is gedaan in eerste aanleg.

De raadsman heeft verzocht de vordering te matigen.

Bedreiging

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de bewezenverklaarde bedreiging rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De door de benadeelde partij aangevoerde klachten zijn ontoereikend om vast te stellen dat ten aanzien van de bedreiging sprake is van de vereiste ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onder b, BW. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt, samengevat, dat de benadeelde partij een aantal dagen met de bedreiging bezig is geweest en hier in de nacht ook over droomde. Ook heeft hij tijdens zijn werk er steeds op gelet of hij de verdachte zou tegenkomen. Deze gevolgen zijn, in het licht van hetgeen hiervoor bij de bespreking van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] is overwogen, onvoldoende om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’.

Belediging

De omvang van de immateriële schade als gevolg van de belediging zal op de voet van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Slotsom

Gezien het voorgaande, en gegeven het genoegzaam gevoerde partijdebat en geen noodzaak tot nader onderzoek, zal het méér gevorderde worden afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis ten aanzien van de kwalificatie en de beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,00 (honderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,00 (honderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 19 maart 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-085813-25 onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 19 maart 2025.

Bevestigt het vonnis voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. K.J. Veenstra, mr. E. de Greeve en mr. D. Radder, in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. van Wieren, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 oktober 2026.

Mr. K.J. Veenstra is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.