Uitspraak · Civiel recht

Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026

ECLI:NL:GHAMS:2026:2976Zaaknummer 200.355.240/01

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
200.355.240/01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verzoek meewerken rabbinale echtscheiding (get). Vordering onvoldoende bepaald. Belangenafweging.

Het hof:

5.1

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

5.2

wijst het gevorderde af;

5.3

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, mr. R.M. Troost en mr. D.H. Steenmetser-Bakker en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De zaak in het kort
  2. 2 Het geding in hoger beroep
  3. 3 Feiten
  4. 4 Beoordeling
  5. 5 Beslissing

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.355.240/01

zaaknummer rechtbank: C/13/766890 /KG ZA 25-229 NB/LO

arrest van de meervoudige familiekamer van 20 oktober 2026

inzake

[de vrouw],

wonend te [plaats],

appellante,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonend te [plaats B],

geïntimeerde,

advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1 De zaak in het kort

Het gaat in deze zaak in hoger beroep over de vraag of de man moet worden bevolen te verschijnen voor een rabbinaat (Beth Din) en mee te werken aan het tot stand komen van een rabbinale echtscheiding. De voorzieningenrechter heeft het daartoe dienende verzoek van de vrouw afgewezen. Daarnaast twisten partijen (nog) over de afgifte door de man aan de vrouw van de (Israëlische) paspoorten van de kinderen en wil de vrouw dat de man wordt veroordeeld zich niet (in negatieve zin) uit te laten over de geestestoestand van de vrouw.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De vrouw is bij dagvaarding van 20 mei 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam van 22 april 2025 (hierna: het bestreden vonnis) in kort geding gewezen tussen de vrouw als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en de man als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie.

2.2

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- een memorie van grieven, met producties;

- een als ‘conclusie van antwoord’ aangeduide memorie van antwoord, met producties;

- aanvullende producties 7 tot en met 15 van de zijde van de vrouw, ingediend op 12 maart 2026;

- aanvullende producties 13 tot en met 29, met verwijzing en toelichting, van de zijde van de man, ingediend op 15 maart 2026.

2.3

De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vorderingen in conventie zoals (in het bestreden vonnis in overweging 3.1) genoemd onder A, D en E alsnog zal toewijzen, kosten rechtens.

De man heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, bekrachtiging van het bestreden vonnis en veroordeling van de vrouw in de volledige kosten van het hoger beroep, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vanaf veertien dagen na het te wijzen arrest.

2.4

Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling van 26 maart 2026 verschenen met hun advocaten. De zaak is toen aangehouden, omdat de vrouw verklaarde de stukken van de man van 15 maart 2026 niet te hebben ontvangen en voor de vrouw de benodigde tolk in de Hebreeuwse taal uitsluitend via de telefoon aanwezig kon zijn, een en ander zoals vastgelegd in het proces-verbaal van die zitting.

2.5

Een nieuwe behandeling is nader bepaald op 3 september 2026. Voorafgaand aan deze zitting hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- aanvullende producties 16 tot en met 22 van de zijde van de vrouw, ingediend op 24 augustus 2026;

- een aanvullende akte met producties 1 tot en met 9 van de zijde van de man, ingediend op 24 augustus 2026.

2.6

De zaak is behandeld ter zitting van 3 september 2026. Partijen zijn verschenen en hebben de zaak doen bepleiten door hun respectievelijke advocaten, mr. Du Bois aan de hand van overgelegde pleitnotities en mr. Asscher mede aan de hand van aan de griffier overgelegde aantekeningen. De vrouw is tevens bijgestaan door dhr. S. Magid, tolk in de Hebreeuwse taal.

2.7

Tijdens de mondelinge behandeling is als beslissing van het hof meegedeeld dat buiten beschouwing blijft hetgeen namens de man is aangevoerd in zijn aktes van 15 maart 2026 en 24 augustus 2026, voor zover dat verder strekt dan een toelichting op de bij die akten overgelegde producties.

2.8

Ten slotte is arrest gevraagd.

3 Feiten

3.1

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 de feiten opgesomd die hij bij de beoordeling van de zaak tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die volgen uit niet weersproken stellingen van partijen dan wel de niet (voldoende) bestreden inhoud van producties waarnaar zij ter staving van hun stellingen verwijzen, komen de feiten neer op het volgende.

3.2

Partijen zijn gehuwd [in] 2015 te [plaats C] (Israël). Dit (religieuze) huwelijk is ingeschreven in het Nederlandse huwelijksregister.

3.3

Partijen zijn ouders van:

- [minderjarige 1], geboren [in] 2016 te [plaats B] en

- [minderjarige 2], geboren [in] 2022 te [plaats].

3.4

In twee e-mailberichten uit 2024 van de man aan de vrouw spreekt de man over een “mental illness” waarmee de vrouw zou zijn gediagnosticeerd.

3.5

Bij beschikking van 19 maart 2025 van de rechtbank Amsterdam is op verzoek van de vrouw de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand op 2 september 2025.

3.6

De vrouw heeft het rabbinaat (Beth Din) van de Joodse Gemeente [plaats B] verzocht partijen op te roepen voor de Joodse religieuze echtscheidingsprocedure, waarbij de man een rabbinaal schrijver de opdracht dient te geven een scheidingsbrief (een zogenoemde ‘get’) op te maken en deze vervolgens te (doen) overhandigen aan de vrouw. De man is twee keer opgeroepen en niet verschenen.

3.7

[in] 2025 heeft de vrouw zich voor de derde keer tot het Beth Din gewend, waarna het Beth Din partijen voor de derde keer heeft uitgenodigd voor het schrijven van de get, en wel op 9 april 2025.

3.8

De vrouw heeft de man vervolgens in kort geding gedagvaard en gevorderd dat de man op straffe van een dwangsom of lijfsdwang wordt bevolen op 9 april 2025 te verschijnen voor het (Beth Din) rabbinaat te [plaats B] en mee te werken aan het tot stand komen van een rabbinale echtscheiding (afgifte van een ‘get’ aan de vrouw). Tevens heeft de vrouw, voor zover hier van belang, gevorderd dat de man op straffe van een dwangsom wordt veroordeeld de paspoorten van de kinderen aan de vrouw af te geven en wordt veroordeeld zich niet langer uit te laten over de geestestoestand van de vrouw, in welke context dan ook en ongeacht de strekking van de uitlating.

De vorderingen van de vrouw zijn op 8 april 2025 door de voorzieningenrechter behandeld.

3.9

De man is op 9 april 2025 bij het Beth Din te [plaats B] verschenen. De vrouw is niet verschenen.

3.10

Bij het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de vrouw afgewezen met betrekking tot het bevel aan de man op 9 april 2025 voor het (Beth Din) rabbinaat te [plaats B] te verschijnen en mee te werken aan het tot stand komen van een rabbinale echtscheiding en met betrekking tot de veroordeling van de man zich niet langer uit te laten over de geestestoestand van de vrouw. De vordering om de man te veroordelen de paspoorten van de kinderen van partijen aan de vrouw af te geven, is toegewezen.

3.11

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 5.4 ten aanzien van het verzoek van de vrouw dat de man dient mee te werken aan de rabbinale echtscheiding het volgende overwogen:

“De vrouw heeft gesteld dat de man haar gevangen houdt in het huwelijk, en dat zij niet verder kan met haar leven zolang zij niet (ook) op religieuze wijze is gescheiden. Strikt genomen heeft zij daar gelijk in. Aan de andere kant heeft de man aangevoerd dat hij groot financieel risico loopt als de kwestie van de bruidsschat niet wordt geregeld vóór de afgifte van de get. (….) De man heeft er dus een groot (financieel) belang bij dat de kwestie van de bruidsschat wordt geregeld voor afgifte van de get. Het gaat immers om een groot bedrag, dat kennelijk is bedoeld als een soort alimentatie, terwijl de man al door deze rechtbank is veroordeeld tot betaling van kinder- en partneralimentatie. Het belang van de man om de financiële afwikkeling tegelijk met of vóór de echtscheiding te regelen weegt dan ook zwaarder dan het belang van de vrouw om op dit moment (voordat de gehele echtscheiding is geregeld) verder te kunnen met haar leven. De vordering tot afgifte van de get zal dan ook worden afgewezen.”

3.12

Op 24 april 2025 heeft de man aan voormelde veroordeling voldaan en de Nederlandse paspoorten van de kinderen van partijen aan de vrouw afgegeven.

3.13

Partijen zijn op 10 september 2025 bij het Beth Din te [plaats B] geweest. Zij zijn overeengekomen een mediation traject te starten met betrekking tot de financiële zaken en de kinderen.

3.14

Bij brief van 23 oktober 2025 heeft het Beth Din te [plaats B] partijen bericht dat het het Beth Din voorkomt dat geen sprake kan en zal zijn van een (succesvolle) mediation. Het Beth Din heeft de zaak van partijen verwezen naar het Beth Din te [plaats D].

3.15

Het Beth Din te [plaats D] heeft partijen op 28 december 2025 uitgenodigd te verschijnen op 26 januari 2026. In de uitnodiging wordt vermeld dat het Beth Din de zaak zal behandelen inzake het verlenen van de get, alsmede de aangelegenheden betreffende de omgangsregeling, de alimentatie, de Ketoeba en de afwikkeling, verdeling en verrekening van de financiële gevolgen van de echtscheiding.

3.16

De vrouw heeft bij brief van 30 december 2025 aan het Beth Din in [plaats D] bericht voor wat betreft het geven van de get bereid en beschikbaar te zijn om te verschijnen, maar dat het Beth Din ten aanzien van de vermogensrechtelijke aangelegenheden en de kinderen niet langer bevoegd is omdat daarover door de rechtbank in [plaats B] is beslist.

3.17

De vrouw is op 26 januari 2026 niet verschenen. Ook op een tweede uitnodiging van het Beth Din te [plaats D] is de vrouw niet ingegaan.

3.18

Het Beth Din te [plaats D] heeft partijen voor een laatste maal uitgenodigd voor 11 mei 2026 of 13 mei 2026. De vrouw heeft bericht niet te zullen verschijnen.

3.19

Tussen partijen zijn in de eerste helft van 2026 verschillende procedures in kort geding gevoerd, onder meer over (het meewerken aan) de verkoop van de echtelijke woning, de verschuldigdheid van partneralimentatie, het ontruimen van de echtelijke woning door de vrouw en het staken van de executie door de vrouw van gestelde dan wel toekomstige dwangsommen ter zake van de vermeende niet-afgifte van Israëlische paspoorten van de kinderen van partijen.

4 Beoordeling

4.1

Gelet op de aard van het gevorderde en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen, is het hof van oordeel dat de vrouw nog steeds een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft.

De omvang van het hoger beroep

4.2

Met haar memorie van grieven voert de vrouw tegen het bestreden vonnis zes grieven aan. Deze grieven zien op de weergave van de feiten (grief 1), de afwijzing van de gevorderde medewerking aan de rabbinale echtscheiding (grieven 2, 3 en 4), de veroordeling tot afgifte van de paspoorten van de kinderen van partijen (grief 5) en de afwijzing van de gevorderde veroordeling van de man zich niet langer uit te laten over de geestestoestand van de vrouw (grief 6). In haar memorie van grieven vordert de vrouw dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vorderingen in conventie (in overweging 3.1 van het bestreden vonnis) onder A, D en E genoemd, alsnog worden toegewezen.

4.3

In eerste aanleg vorderde de vrouw onder meer:

“A. de man te bevelen om op 9 april 2025 te verschijnen voor het (Beth Din) rabbinaat te [plaats B] en mee te werken aan het tot stand komen van een rabbinale echtscheiding (afgifte van een ‘get’ aan de vrouw), op straffe van een dwangsom dan wel lijfsdwang;

B. de man te veroordelen de paspoorten van de kinderen af te geven aan de vrouw, op straffe van een dwangsom;

(…)

D. de man te veroordelen zich niet langer te mogen uitlaten over de geestestoestand van de vrouw, in welke context dan ook en ongeacht de strekking van de uitlating, op straffe van een dwangsom;

E. de man te veroordelen in de proceskosten.”

4.4

De man heeft aangevoerd dat de vrouw in haar petitum in hoger beroep niets heeft opgenomen met betrekking tot de paspoorten (vordering B in het bestreden vonnis in overweging 3.1), zodat dit onderwerp niet ter beoordeling voorligt en de betreffende grief procesbelang ontbeert. Gelet echter op de appeldagvaarding (waarin tot vernietiging van het bestreden vonnis wordt geconcludeerd) en hetgeen in de memorie van grieven naar voren is gebracht, is het voldoende duidelijk wat door de vrouw met haar vijfde grief wordt beoogd. Dit is ook zo door de man begrepen en de man heeft op deze grief van de vrouw kunnen reageren. Ook dit onderdeel ligt daarom in hoger beroep voor.

4.5

Met haar eerste grief betoogt de vrouw dat de (civiele) echtscheiding tussen partijen inmiddels definitief is, aangezien de echtscheidingsbeschikking op 2 september 2025 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers. Dit is als zodanig in de feiten opgenomen, zodat de vrouw geen zelfstandig belang (meer) heeft bij deze grief.

Met haar derde grief komt de vrouw op tegen hetgeen in overweging 5.2 van het bestreden vonnis is overwogen, indien en voor zover het daarin vermelde niet slechts een weergave betreft van het standpunt van de man. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter in deze overweging enkel de stellingen van de man weergegeven en niet een oordeel gegeven. De (voorwaardelijke) grief 3 ligt daarom niet ter boordeling voor.

Meewerken rabbinale echtscheiding

4.6

Het door de vrouw met betrekking tot de get gevorderde (zoals hiervoor in 4.3 onder A weergegeven) ziet op een in het verleden gelegen datum en op het verschijnen bij het Beth Din te [plaats B], terwijl partijen het erover eens zijn dat het verschijnen voor dit rabbinaat niet meer tot de mogelijkheden behoort. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling betoogd dat haar vordering aldus moet worden begrepen, dat zij vordert dat de man wordt bevolen op een zo kort mogelijke termijn te verschijnen voor iedere Beth Din die bereid is mee te werken aan de rabbinale echtscheiding van partijen. Nu de man hierop heeft kunnen reageren en daardoor - mede vanwege hetgeen hierna wordt overwogen - niet in zijn belangen wordt geschaad, zal het hof het gevorderde dienovereenkomstig begrijpen en het petitum van de vrouw aldus verbeterd lezen.

4.7

Met de man is het hof van oordeel dat de vordering van de vrouw niet toewijsbaar is. In de eerste plaats is het gevorderde onvoldoende bepaald, nu niet is gesteld of gebleken bij welke Beth Din de rabbinale echtscheiding zal moeten of kunnen plaatsvinden. Daarbij geldt dat in het geheel niet duidelijk is geworden of enige Beth Din, onder meer vanwege de lopende procedure bij het Beth Din te [plaats D] (alwaar de vrouw niet wil verschijnen en de man zijn medewerking reeds heeft toegezegd), zou willen meewerken en zo ja, onder welke voorwaarden. Hierdoor is eveneens onduidelijk wat de (juridische) gevolgen van een eventuele toewijzing van het in dit kort geding gevorderde zullen en kunnen zijn. Dit geldt te meer nu partijen van mening verschillen over de (juridische) gevolgen van een aan de man te geven bevel tot medewerking aan de get; met name of dit kan leiden tot een rechtsgeldige get en of bij de get al dan niet de financiële verplichting in de Ketoeba (in dezen de verplichting van de man om bij wege van bruidsschat/alimentatie USD 55.000,- aan de vrouw te betalen) moet worden betrokken. Volgens de vrouw staat de financiële verplichting van de man in de Keboeta volstrekt los van de religieuze echtscheiding en dienen partijen zich voor wat betreft deze verplichting gezamenlijk tot een Beth Din te wenden met het verzoek daarover te beslissen. Dit kan ook nadat de get is gegeven, aldus de vrouw. De man heeft dit weersproken. Volgens de man staat een en ander niet los van elkaar en kan de vrouw, indien haar uit de Ketoeba voortvloeiende recht niet vóór de rabbinale echtscheiding wordt vastgesteld, bij elke Beth Din nakoming van de in de Ketoeba opgenomen verplichting van de man vorderen en kan de man daartegen geen verweer meer voeren. Partijen beroepen zich ter onderbouwing van hun standpunten ieder voor zich op opinies en standpunten van verschillende (vertegenwoordigers van) joodse rabbinaten en betwisten elkaars stellingen. Of één van deze stellingen van partijen en zo ja, wiens opvatting als juist kan/moet worden beschouwd, gaat een beoordeling van het hof in het bestek van dit kort geding echter te buiten. Al het voorgaande brengt in de tweede plaats mee dat de in het kader van dit kort geding vereiste afweging van alle betrokken belangen niet kan worden gemaakt. Hierdoor kan niet worden gezegd dat het belang van de vrouw bij medewerking van de man aan het geven van de get op dit moment - ondanks dat de man in beginsel is gehouden tot het verlenen van medewerking en dat de (civiele) echtscheiding inmiddels definitief is - zwaarder weegt dan het belang van de man om de financiële afwikkeling tegelijk met of vóór de rabbinale echtscheiding te (kunnen) regelen. Grieven 2 en 4 kunnen niet slagen.

Paspoorten kinderen

4.8

Met haar vijfde grief betoogt de vrouw dat de man maar gedeeltelijk heeft voldaan aan de veroordeling door de voorzieningenrechter om de paspoorten van de kinderen aan de vrouw te verstrekken. De man heeft weliswaar op 24 april 2025 de Nederlandse paspoorten van de kinderen van partijen aan de vrouw afgegeven, maar hij beschikt ook over de Israëlische paspoorten van de kinderen, die heeft hij niet afgegeven. De vrouw vordert een verduidelijking van de eerdere veroordeling, in die zin dat de veroordeling dat de man de paspoorten dient af te geven ook betekent dat hij de Israëlische paspoorten afgeeft. Deze grief faalt (reeds) bij gebrek aan belang. De man heeft niet, althans onvoldoende weersproken gesteld dat hij aangifte heeft gedaan van verlies/vermissing van de Israëlische paspoorten, zodat deze paspoorten niet langer geldig zijn. De vrouw heeft daarom bij afgifte van die paspoorten geen belang.

Uitlatingen

4.9

Ter onderbouwing van de afwijzing van de gevorderde veroordeling van de man zich van uitlatingen over de vrouw te onthouden, heeft de voorzieningenrechter als volgt overwogen. De man heeft zich in een aantal e-mailberichten onheus uitgelaten jegens de vrouw, onder meer over de (volgens de man) psychische gesteldheid van de vrouw. De man heeft erkend dat hij dat niet had moeten doen, en stelt dat hij zich alleen tegenover de vrouw op die manier heeft geuit en nooit tegenover derden. Uit de verklaringen die de vrouw heeft overgelegd kan ook niet worden afgeleid dat de man zich tegenover derden heeft uitgesproken over de psychische toestand van de vrouw. Nu de man heeft erkend dat hij fout zat, en heeft beloofd zich in de toekomst niet negatief uit te laten over de psychische gesteldheid van de vrouw, is - zo oordeelt de voorzieningenrechter - voor een veroordeling op straffe van een dwangsom (nog) geen aanleiding.

4.10

De vrouw komt met haar zesde grief op tegen dit oordeel van de voorzieningenrechter. Volgens de vrouw heeft zij gemotiveerd aangevoerd en bewijs aangeleverd dat de man zich ook tegen derden op deze manier over de vrouw heeft uitgelaten. Het zijn juist deze uitlatingen die erop zijn gericht de vrouw te beschadigen en in een kwaad daglicht te stellen. De vrouw heeft, zo stelt zij, belang bij haar (hiervoor in 4.3 onder D weergegeven) vordering om herhaling te voorkomen.

4.11

Uit de door de vrouw in eerste aanleg (als productie 18) overgelegde stukken blijkt dat de man zich ook tegenover derden heeft uitgelaten over (de psychische gesteldheid van) de vrouw. Desondanks ziet het hof geen aanleiding om tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter te komen. Niet is gesteld of gebleken dat de man zich na zijn belofte in eerste aanleg nog tegenover derden en/of de vrouw op negatieve wijze heeft uitgelaten over de geestestoestand van de vrouw. Voor het opleggen van een verbod met daaraan verbonden een dwangsom, bestaat daarom geen grond. Ook de zesde grief faalt.

Slotsom

4.12

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven falen. Het bestreden vonnis zal (deels op andere gronden) worden bekrachtigd.

4.13

Gelet op de relatie van partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 Beslissing

Het hof:

5.1

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

5.2

wijst het gevorderde af;

5.3

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, mr. R.M. Troost en mr. D.H. Steenmetser-Bakker en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.