Uitspraak · Civiel recht
Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2917Zaaknummer 200.351.494/01
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.351.494/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurovereenkomst winkelruimte voor 10 jaar met breakoptie na 5 jaar (in te roepen na 4 jaar) .Voortijdig verlaten winkel door huurder na iets minder dan 6 jaar wegens betalingsproblemen. Ontbinding huurovereenkomst door kantonrechter en betalingsveroordeling. Geen bestuurdersaansprakelijkheid van (middellijk) bestuurders van huurder op grond van het niet-informeren van de verhuurder van de betalingsproblemen of van de verlieslatendheid van de winkel, op grond van het niet-gebruikmaken van de breakoptie of van het aangaan van nieuwe verplichtingen.
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen Voordeelmarkt Alkmaar;
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.253,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan..
Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, J.M. van den Berg en O.J. van Leeuwen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer: 200.351.494/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: 10982124/ CV EXPL 24-702 (SJ)
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026
in de zaak van
[appellant],
wonende te [plaats 1],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. M.G. Jansen te Haarlem,
tegen
1 DE VOORDEELMARKT ALKMAAR B.V.,
gevestigd te Alkmaar,
2. DE VOORDEELMARKT B.V.,
gevestigd te Nijverdal,
3. V&F HOLDING B.V.,
gevestigd te Nijverdal,
4. [geïntimeerde]
wonende te [plaats 2],
geïntimeerden,
hierna samen te noemen: Voordeelmarkt c.s.,
afzonderlijk te noemen: Voordeelmarkt Alkmaar, Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde],
advocaat: mr. L.L. de Boef te Veenendaal.
1 De zaak in het kort
Voordeelmarkt Alkmaar heeft het door haar gehuurde bedrijfspand voortijdig verlaten met achterlating van een huurschuld. Verhuurder stelt dat de bestuurder op grond van bestuurdersaansprakelijkheid (mede) aansprakelijk is voor de huurschuld. Hof is net als de kantonrechter van oordeel dat er geen sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 4 februari 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 6 november 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant] als eiser en Voordeelmarkt c.s. als gedaagden (hierna: het bestreden vonnis), doch uitsluitend voor zover zijn vorderingen jegens Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde] als (middellijk) bestuurders van Voordeelmarkt Alkmaar zijn afgewezen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties A1, A2, A3, A4, A5,
- memorie van antwoord met producties B1 en B2.
Op 25 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten en bestreden vonnis
Het hof gaat uit van de volgende feiten.
[appellant] is een vastgoedbelegger en -ontwikkelaar. Voordeelmarkt Alkmaar was een winkel in verf, verfwaren en behang. Voordeelmarkt is enig aandeelhouder en bestuurder van Voordeelmarkt Alkmaar. Enig aandeelhouder en bestuurder van Voordeelmarkt is V&F. [geïntimeerde] is enig bestuurder van V&F.
Tussen de rechtsvoorganger van [appellant] en Voordeelmarkt Alkmaar is op 5 januari 2018 een huurovereenkomst gesloten voor de huur van de bedrijfsruimte in het winkelcentrumIl Palazzo aan de [straat] 7 te [plaats 3] - door [appellant] op 8 november 2019 verkregen - voor de duur van tien jaar, ingaande 1 februari 2018 voor € 73.804,00 per jaar. Na vijf jaar was de huur € 10.428,20 inclusief btw per maand. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW van toepassing (model ROZ 2012).
Over de eerste vijf jaar is Voordeelmarkt Alkmaar een huurkorting gegeven. Verder is in de huurovereenkomst opgenomen dat Voordeelmarkt Alkmaar eenmalig de mogelijkheid heeft om de huurovereenkomst vijf jaar na ingangsdatum te beëindigen met een opzegtermijn van een jaar (hierna: breakoptie). In geval Voordeelmarkt Alkmaar hiervan gebruik maakt, moet zij de helft van de genoten incentives ten bedrage van € 49.800,67 aan [appellant] terugbetalen.
Voordeelmarkt Alkmaar huurt daarnaast per 1 juli 2023 van [appellant] drie parkeerplaatsen in de parkeergarage voor € 100,00 exclusief btw per parkeerplaats.
In een e-mail van 28 november 2023 heeft Voordeelmarkt Alkmaar aan [appellant] geschreven dat zij met [appellant] in gesprek wil in verband met haar ‘problematische situatie’. Vervolgens is een afspraak gepland op 7 of 8 december 2023.
In de week van 4 december 2023 heeft Voordeelmarkt Alkmaar het gehuurde verlaten.
Op 8 december 2023 heeft Voordeelmarkt Alkmaar telefonisch aan [appellant] gemeld dat de winkel wordt opgeheven en de huurovereenkomst beëindigd moet worden vanwege een problematische financiële situatie. In de e-mail van 22 december 2023 heeft Voordeelmarkt Alkmaar met als onderwerp ‘huurbeëindigingsverzoek’ aan [appellant] geschreven dat de bevestiging van het huurbeëindigingsverzoek even op zich heeft laten wachten en dat de huidige situatie met zich brengt dat zij geen financiële middelen heeft om te komen tot onderhandeling over een passende afsluiting. Partijen hebben vervolgens geen overeenstemming over afwikkeling van de huurovereenkomst bereikt.
In de e-mail van 29 december 2023 heeft de gemachtigde van [appellant] aan Voordeelmarkt Alkmaar vijf werkdagen gegeven om te berichten dat zij haar bedrijf weer zal hervatten en het gehuurde in gebruik zal nemen. Verder is aan Voordeelmarkt Alkmaar gevraagd om een nieuwe bankgarantie en de financiële jaarstukken over de laatste drie boekjaren te verstrekken en om de sleutels uiterlijk 4 januari 2024 af te geven in verband met een (tussentijdse) (voor)inspectie van het gehuurde. In deze e-mail is verder aangedrongen op nakoming van de huurbetalingen en aanspraak gemaakt op de contractuele boete en schade die is ontstaan door het niet naleven van de huurovereenkomst.
Op 4 januari 2024 heeft Voordeelmarkt Alkmaar de sleutels van het gehuurde aan [naam 1], de gemachtigde van [appellant] (hierna: [naam 1] ), afgegeven en hebben [naam 2], facilitair manager van Voordeelmarkt Alkmaar (hierna: [naam 2] ), en [naam 1] samen een rondgang door het gehuurde gemaakt.
In een brief van 17 januari 2024 heeft [appellant] de huurovereenkomst met Voordeelmarkt Alkmaar eenzijdig beëindigd.
In een andere brief van 17 januari 2024 heeft [appellant] Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde] als (indirect) bestuurders van Voordeelmarkt Alkmaar aansprakelijk gesteld.
Met ingang van 1 juli 2024 is het gehuurde door een derde gehuurd tegen een huurprijs van € 7.749,17 per maand en een huurvrije periode van 3 maanden.
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [appellant] en Voordeelmarkt Alkmaar ontbonden en heeft zij Voordeelmarkt Alkmaar veroordeeld tot betaling van € 59.594,35 aan achterstallige huurpenningen en voorschotten op de servicekosten en (boete)rente, alsmede tot betaling van buitengerechtelijke kosten, proceskosten en wettelijke rente over de kosten. De kantonrechter heeft de vorderingen op grond van bestuurdersaansprakelijkheid tegen Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde] afgewezen en [appellant] veroordeeld in hun proceskosten, gesteld op nihil.
4 Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert, samengevat, vernietiging van het bestreden vonnis voor zover daarin zijn vorderingen jegens Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde] zijn afgewezen en om deze vorderingen alsnog toe te wijzen. Deze vorderingen houden in een verklaring voor recht dat Voordeelmarkt, V&F en [geïntimeerde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade en hun hoofdelijke veroordeling tot betaling van schadevergoeding zoals nader gespecificeerd bij memorie van grieven. [appellant] voert hiertoe vijf grieven tegen het bestreden vonnis aan.
Volgens Voordeelmarkt c.s. moet het hof de vorderingen van [appellant] afwijzen.
Beide partijen bieden bewijs aan van hun stellingen.
5 Beoordeling
Nu [appellant] geen grieven aanvoert tegen het bestreden vonnis voor zover dit is gewezen tussen hem en Voordeelmarkt Alkmaar en hij, integendeel, vordert het besteden vonnis in zoverre in stand te laten, moet [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen Voordeelmarkt Alkmaar.
[appellant] grondt de aansprakelijkheid van Voordeelmarkt op het bepaalde in artikel 6:162 BW. De onrechtmatige daad van Voordeelmarkt bestaat erin dat haar persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt dat door Voordeelmarkt Alkmaar verplichtingen zijn aangegaan, waarvan zij als bestuurder wist dat Voordeelmarkt Alkmaar die op termijn niet zou kunnen nakomen.V&F en [geïntimeerde] zijn op grond van artikel 2:11 BW hoofdelijk mede-aansprakelijk, aldus [appellant].
Het persoonlijke ernstige verwijt bestaat volgens [appellant] hierin dat, terwijl Voordeelmarkt Alkmaar vanaf het begin verlieslatend is geweest, Voordeelmarkt had behoren te voorkomen dat Voordeelmarkt Alkmaar nadere verplichtingen zou aangaan, zoals het huren van de drie parkeerplaatsen (zie onder 3.4.). Bovendien wordt Voordeelmarkt verweten dat Voordeelmarkt Alkmaar geen beroep heeft gedaan op de breakoptie (zie onder 3.3.) en dat zij heeft verhinderd dat Voordeelmarkt Alkmaar haar contractuele verplichting tot het verstrekken van informatie over haar financiële penibele situatie aan [appellant] nakwam.
In hoger beroep heeft [appellant] hieraan, zakelijk weergegeven, het volgende toegevoegd. [appellant] heeft verwezen naar de bedrijfsstructuur van de Voordeelmarktgroep en de (paraplu-) financiering van de Rabobank, die op een gegeven moment is opgezegd en waarvoor elke concernvennootschap aansprakelijk is. [appellant] heeft erop gewezen dat andere werkmaatschappijen in de Voordeelmarktgroep failliet zijn verklaard en dat curatoren een onderzoek instellen naar bestuurdersaansprakelijkheid. Ten tijde van de COVID 19-pandemie is een substantiële NOW-schuld opgebouwd die als een molensteen om de nek van het concern kwam te hangen. Ook omdat Voordeelmarkt Alkmaar vanaf het begin verlieslatend was, rustte op Voordeelmarkt een (verzwaarde) informatieverplichting om niet alleen te waarschuwen voor dreigende insolventie van de vennootschap, maar ook om transparantie te betrachten over de kredietwaardigheid en de financiële positie van de groep als geheel, aldus nog steeds [appellant].
Met Grief II verwijt [appellant] de kantonrechter dat zij geen onderscheid heeft gemaakt in de juridische posities van de verschillende aangesproken bestuurders. Nog ervan afgezien dat een concrete toelichting van dit verwijt ontbreekt, is het hof is van oordeel dat uit niets blijkt dat de kantonrechter de juridische stellingname van [appellant] als hiervoor onder 5.2. samengevat weergegeven heeft miskend.
[appellant] heeft op meerdere plaatsen aangevoerd (MvG randnummers 1.23, 1.45, 1.46; grief I randnummers 4.11 en 4.16; grief III randnummer 4.14; grief IV randnummer 4.14) dat de maatstaf voor bestuurdersaansprakelijkheid meebrengt dat het een zelfstandige verplichting is van bestuurders om, zodra zij bekend zijn met (dreigende) financiële problemen van de vennootschap, uit eigen beweging de schuldeisers van de vennootschap daarover te informeren en hen te waarschuwen. Deze stelling van [appellant] vindt geen steun in het recht. Voor zover [appellant] Voordeelmarkt bestuurdersaansprakelijk wil houden op grond dat zij hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de financiële problemen bij Voordeelmarkt Alkmaar, kan deze grond dus niet leiden tot toewijzing van zijn vorderingen.
[appellant] heeft nog aangevoerd dat de door hem bedoelde informatieverplichting bovendien is overeengekomen in artikel 35 van de huurovereenkomst. Die informatieverplichting is echter beperkt tot het tijdig waarschuwen van de verhuurder als dreigt dat een huurtermijn niet tijdig kan worden betaald. Bovendien heeft [appellant] niet toegelicht waarom schending van deze verplichting, als daarvan al sprake is geweest, er toe heeft geleid dat Voordeelmarkt Alkmaar geen verhaal meer bood voor zijn vorderingen én dat Voordeelmarkt, als haar bestuurder, daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Als tweede grond voor bestuurdersaansprakelijkheid heeft [appellant] aangevoerd dat Voordeelmarkt, als bestuurder van Voordeelmarkt Alkmaar, gebruik had moeten maken van de breakoptie om de huurovereenkomst per 1 februari 2023 te beëindigen en niet nog eens vijf jaar langer tot 1 februari 2028 had mogen laten doorlopen (zie 3.3). Deze stelling brengt mee dat [appellant] dient te stellen, toe te lichten en zo nodig te bewijzen, dat op het moment dat Voordeelmarkt de breakoptie uiterlijk kon inroepen, te weten 31 januari 2022, zij al wist of had moeten weten dat Voordeelmarkt Alkmaar niet in staat zou zijn om aan [appellant] de huur te kunnen (blijven) betalen en daarvoor ook geen verhaal meer zou bieden. Daarbij moet niet worden geoordeeld met de wijsheid van achteraf, maar is het uitgangspunt dat ondernemen nu eenmaal tot op zekere hoogte het nemen van risico’s inhoudt. De vraag is daarom of geen redelijk denkend ondernemer op 31 januari 2022 zou hebben afgezien van het inroepen van de breakoptie en Voordeelmarkt als bestuurder van Voordeelmarkt Alkmaar daarom een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt dit te hebben nagelaten en [appellant] geen verhaal meer heeft voor zijn vorderingen.
In dit verband is relevant dat Voordeelmarkt Alkmaar de huurpenningen is blijven betalen tot en met oktober 2023, dat wil zeggen nog 21 maanden lang nadat de breakoptie uiterlijk ingeroepen had kunnen worden. Dit duidt er niet op, en is eerder een contra-indicatie, dat Voordeelmarkt Alkmaar in januari 2022 al zodanig grote financiële problemen had of voorzienbaar zou krijgen, dat haar bestuurder Voordeelmarkt op straffe van bestuurdersaansprakelijkheid jegens [appellant] de breakoptie had moeten inroepen. Wel kan aan [appellant] worden toegegeven dat Voordeelmarkt niet heeft betwist dat Voordeelmarkt Alkmaar tot 1 februari 2022 steeds verlieslatend was geweest. Voordeelmarkt heeft daartegen echter aangevoerd en toegelicht dat om die reden destijds, naast andere opties, ook inderdaad wel is overwogen om de breakoptie te benutten, maar dat de in 2021 berekende verliezen niet zodanig waren dat zij reden waren om de winkel te sluiten. Bovendien was er zicht op vier grote nieuwbouwprojecten in de directe omgeving van de winkel, die naar verwachting voor meer aanloop en meer omzet zouden gaan zorgen. Pas in juli 2023, na de nodige tegenslagen, ontstond het inzicht dat de winkel maar beter kon worden gesloten, aldus Voordeelmarkt.
In het licht van dit verweer heeft [appellant] onvoldoende toegelicht waarom Voordeelmarkt al vóór 1 februari 2022 had moeten weten dat Voordeelmarkt Alkmaar niet levensvatbaar was. en om die reden de breakoptie had moeten inroepen. Wat [appellant] in dit verband heeft aangevoerd over de concernstructuur en financiering van de Voordeelmarkt-groep is daarvoor onvoldoende. Nog los daarvan dat die inrichting algeheel gebruikelijk is, heeft [appellant] onvoldoende toegelicht waarom uit die inrichting en concernstructuur volgt en vóór 1 februari 2022 voor Voordeelmarkt al duidelijk moest zijn, dat Voordeelmarkt Alkmaar niet levensvatbaar was en geen verhaal zou bieden voor haar verplichtingen jegens [appellant]. Voor zover [appellant] zich beroept op hetgeen in de faillissementsverslagen van andere vennootschappen van de Voordeelmarktgroep is opgemerkt, gaat hij er bovendien aan voorbij dat wat voor een andere groepsvennootschap geldt, niet automatisch ook geldt voor Voordeelmarkt Alkmaar en hij voor zo een vereenzelviging ook geen argumenten heeft aangevoerd.
[appellant] heeft verder aan Voordeelmarkt nog het verwijt gemaakt dat begin 2022 de jaarrekening voor 2021 nog niet was vastgesteld, en dat Voordeelmarkt Alkmaar nog drie parkeerplaatsen is gaan huren. Ook hier heeft [appellant] niet toegelicht waarom en hoe dit er toe heeft geleid dat Voordeelmarkt Alkmaar geen verhaal biedt voor zijn vorderingen én Voordeelmarkt, als bestuurder, van dat laatste een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.
De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd niet kan leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid van Voordeelmarkt. Hetgeen [appellant] heeft aangeboden te bewijzen is daarom niet ter zake doende.
Omdat Voordeelmarkt niet als bestuurder aansprakelijk is, komt het hof niet toe aan de vraag of (ook) V&F en [geïntimeerde] als indirect bestuurder aansprakelijk zijn.
Op het voorgaande stuiten alle grieven af.
Slotsom, kosten en bewijsaanbod
Het hoger beroep heeft geen succes. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. Het hof ziet geen aanleiding om [appellant] toe te laten tot bewijslevering, omdat hij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroepin beide instanties. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827,00
- salaris advocaat € 4.426,00 (tarief IV,2 punten)
Totaal € 5.253,00
6 Beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen Voordeelmarkt Alkmaar;
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 5.253,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt [appellant] tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten aan deze veroordeling is voldaan..
Dit arrest is gewezen door mrs. R.E. Weening, J.M. van den Berg en O.J. van Leeuwen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.