Uitspraak · Civiel recht
Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2911Zaaknummer 200.360.159/01
- Instantie
- Gerechtshof Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.360.159/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Hoger beroep
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW: opzettelijke misleiding door tussenpersoon bij de aankoop van een auto. Het hof verwerpt een betwisting van appellant wegens schending artikel 21 Rv.
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.179, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, K.A.J. Bisschop, M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer: 200.360.159/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland: C/15/359554/ HA ZA 24-668
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 13 oktober 2026
in de zaak van
[appellant],
wonend in [plaats 1],
appellant,
advocaat: mr. F. Acar te Zaandam,
tegen
[geïntimeerde],
wonend in [plaats 2], gemeente Dijk en Waard,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. Heimensem te Den Oever.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.
1 De zaak in het kort
[appellant] heeft aan [geïntimeerde] toegezegd te zullen helpen met de aanschaf en import van een auto uit Duitsland. [geïntimeerde] stelt dat hij de koopsom aan [appellant] heeft betaald. De koopsom is niet aan de verkoper betaald en [geïntimeerde] krijgt de auto niet geleverd. [geïntimeerde] spreekt [appellant] (onder meer) aan op grond van onrechtmatige daad en vordert schadevergoeding. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden en de vordering toegewezen. Het hof bekrachtigt het vonnis.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 17 september 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 18 juni 2025 van de rechtbank Noord-Holland (zittingsplaats Alkmaar), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en [appellant] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord met producties;
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met de grieven 1 en 2 bestrijdt [appellant] de vaststelling van enkele feiten. Voor zover juist en voor de beslissing van belang houdt het hof hierna rekening met deze grieven. Het hof gaat uit van de volgende feiten.
Partijen hebben elkaar leren kennen in de kapsalon van [geïntimeerde], waar [appellant] klant was.
[appellant] is medevennoot van de vennootschap onder firma All occasions, die zich bezighoudt met de bemiddeling bij de in- en verkoop van auto’s.
In juli 2023 heeft [geïntimeerde] een auto van het [merk 1], [type 1] geïmporteerd. De betaling voor deze auto heeft [geïntimeerde] per bank verricht aan [bedrijf 2] te Arnhem (hierna: MKM).
Op 20 augustus 2023 heeft [geïntimeerde] per WhatsApp een verkoopadvertentie aan [appellant] gestuurd van een auto van het merk [merk 2], [type 2] (hierna: de auto). De auto werd te koop aangeboden door [bedrijf 1] & Projektentwicklung GmbH in Duitsland (hierna: [bedrijf 1]) voor een vraagprijs van € 76.000.-.
[geïntimeerde] heeft op 28 augustus 2023 een bedrag van € 29.500.- overgemaakt op het rekeningnummer van [naam 1] (hierna: ( [naam 1]) bij de ING Bank. [naam 1] is een kennis van [appellant].
[geïntimeerde] heeft van [appellant] een bankafschrift ontvangen van een op 26 augustus 2023 geboekte betaling van € 63.866. Het bankafschrift vermeldt een betaling vanaf bankrekening [nummer 1] ten name van [bedrijf 2] aan bankrekening [nummer 2] ten name van [bedrijf 1], met de omschrijving “ [merk 3] ”.
Begin september 2023 hebben partijen elkaar een paar keer telefonisch over de koop van de auto gesproken. [geïntimeerde] heeft (een deel van) deze gesprekken opgenomen. In deze gesprekken heeft [geïntimeerde], samengevat, aan [appellant] meegedeeld dat hij bij [bedrijf 1] in Duitsland was, dat de auto daar nog stond, dat [bedrijf 1] de betaling voor de auto niet had ontvangen, dat de auto daarom niet aan hem geleverd werd en dat hij nog enige dagen de gelegenheid zou krijgen om alsnog te betalen en de auto alsnog aan hem geleverd zou worden. [geïntimeerde] heeft [appellant] gevraagd waar het door hem betaalde bedrag is gebleven.
Op 8 januari 2024 heeft [geïntimeerde] bij de politie aangifte gedaan van verduistering van geld door [appellant].
Bij brieven van respectievelijk 29 maart 2024, 19 juni 2024 en 6 november 2024 is [appellant] namens [geïntimeerde] gesommeerd tot terugbetaling van bedragen van respectievelijk € 63.866, € 58.372,12 en € 63.372,12.
[appellant] heeft niets aan [geïntimeerde] betaald. In verband met de betaling aan [naam 1] is haar bankrekening geblokkeerd en een bedrag van € 5.493,88 terugbetaald aan [geïntimeerde].
4 Procedure bij de rechtbank
[geïntimeerde] heeft bij de rechtbank, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad gevorderd:
- primair: een verklaring voor recht dat [appellant] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het importeren c.q. leveren van de auto voor het bedrag van € 68.866 en veroordeling van [appellant] tot terugbetaling van € 63.372,12 op grond van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst met rente en incassokosten;
- subsidiair: [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van € 63.372,12 uit hoofde van onverschuldigde betaling met rente en incassokosten;
- meer subsidiair: [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van € 39.366 op grond van de tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst althans onverschuldigde betaling met rente en incassokosten;
- uiterst subsidiair: een verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde] en [appellant] te veroordelen tot terugbetaling van de geleden schade van € 63.372,12 met rente;
- veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, met rente en nakosten.
Bij vonnis van 18 juni 2025 heeft de rechtbank de uiterst subsidiair gevorderde verklaring voor recht toegewezen en [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 63.372,12 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2024 en de proceskosten, met rente en nakosten.
5 Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – de vorderingen van [geïntimeerde] af te wijzen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties met rente.
[geïntimeerde] verzoekt het hof het bestreden vonnis te bekrachtigen en – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep met rente.
6 Beoordeling
[appellant] komt met een aantal, niet altijd logisch genummerde, grieven op tegen het bestreden vonnis en de daarin opgenomen motivering. [geïntimeerde] heeft geen grieven gericht tegen de afwijzing van de primaire, subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen, zodat in hoger beroep alleen ter beoordeling voorligt of de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld terecht heeft toegewezen. [geïntimeerde] legt aan die vordering ten grondslag dat [appellant] hem opzettelijk heeft misleid. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
Het hof stelt voorop dat opzettelijke misleiding in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en dat dit een toerekenbare onrechtmatige daad oplevert in de zin van artikel 6:162 BW. Op grond van artikel 150 Rv rust op [geïntimeerde] de stelplicht en (bij voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant]) de bewijslast van de feiten en omstandigheden die hij ten grondslag legt aan zijn op onrechtmatige daad gebaseerde vordering.
Ter onderbouwing van deze vordering heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende gesteld. [geïntimeerde] had met [appellant] afgesproken dat [appellant] hem zou helpen met de aankoop en de import van de auto. [appellant] had [geïntimeerde] verteld dat MKM de auto goedkoper kon importeren. [appellant] stond in contact met MKM, dus hij kon dit wel met MKM regelen voor [geïntimeerde]. Hiervoor moest [geïntimeerde] de koopsom aan [appellant] betalen. [appellant] zou de koopsom daarop doorbetalen aan MKM. MKM zou de koopsom vervolgens doorbetalen aan [bedrijf 1] en de auto naar Nederland halen. [geïntimeerde] had zelf geen contact met MKM, de communicatie en de betaling van de koopprijs verliepen volledig via [appellant]. Op verzoek van [appellant] heeft [geïntimeerde] de koopsom betaald door € 29.500 over te maken naar de rekening van [naam 1] en door € 39.366 contant aan [appellant] te overhandigen. De betaling van € 29.500 moest via de rekening van [naam 1] verlopen, omdat [naam 1], zo vertelde [appellant] hem, nog contant geld had liggen waar zij vanaf moest. Als [geïntimeerde] € 29.500 op de rekening van [naam 1] zou storten, zou [naam 1] € 29.500 contant aan [appellant] geven. Nadat [geïntimeerde] € 29.500 op de rekening van [naam 1] had gestort en € 39.366 contant aan [appellant] had overhandigd, heeft [appellant] een bankafschrift aan [geïntimeerde] verstrekt waaruit zou moeten blijken dat MKM de koopsom aan [bedrijf 1] had betaald. [geïntimeerde] heeft later van [bedrijf 1] begrepen dat de koopsom helemaal niet bij [bedrijf 1] terecht is gekomen. [bedrijf 1] heeft de auto vervolgens niet aan [geïntimeerde] maar aan een andere partij verkocht en geleverd.
[appellant] betwist de stellingen van [geïntimeerde] en dat hij onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. [appellant] ontkent niet dat hij wist dat [geïntimeerde] de auto van [bedrijf 1] via MKM wilde aanschaffen, maar de rol die hij had bij de aanschaf was anders dan [geïntimeerde] stelt. [appellant] raakte pas bij de aankoop betrokken toen er onduidelijkheid ontstond over wat er met de koopprijs was gebeurd. Hij heeft alleen het bankafschrift doorgestuurd en nagevraagd hoe het zat met de betaling en of daar nog aanvullende bewijsstukken van waren en fungeerde daarbij slechts als doorgeefluik van informatie. [appellant] is weliswaar door [geïntimeerde] aangeduid als tussenpersoon, maar [appellant] heeft de term tussenpersoon opgevat als degene die beter in contact staat met MKM en niet meer dan dat. [appellant] heeft geen rol gespeeld bij de betaling van € 29.500 van [geïntimeerde] aan [naam 1], [geïntimeerde] heeft hem nooit € 34.366 contant overhandigd en [appellant] heeft ook geen geld doorbetaald aan MKM. Volgens [appellant] heeft MKM de koopsom aan [bedrijf 1] betaald. Dat blijkt uit het bankafschrift. Tot slot betwist [appellant] dat de auto niet aan [geïntimeerde] is geleverd.
Het hof gaat ervan uit dat de rol van [appellant] veel verder ging dan hij zelf zegt. Uit de mededelingen van [appellant] in tussen hem en [geïntimeerde] gevoerde telefoongesprekken en tussen hen uitgewisselde berichten blijkt dat [appellant] al eerder bij de aankoop van de auto was betrokken en dat hij weldegelijk een rol speelde bij de betaling van de koopsom door [geïntimeerde]. De betwisting door [appellant] is in dit licht niet overtuigend. Het hof licht dit als volgt toe.
Uit de door [geïntimeerde] overgelegde transcripties van een drietal telefoongesprekken die tussen [geïntimeerde] en [appellant] zijn gevoerd, blijkt dat de rol van [appellant] verder ging dan alleen het doorgeven van informatie en dat hij optrad als tussenpersoon. In die telefoongesprekken heeft [geïntimeerde] [appellant] herhaaldelijk aangeduid als tussenpersoon, hetgeen [appellant] in de telefoongesprekken een keer heeft bevestigd met “klopt” en geen enkele keer heeft tegengesproken. Verder heeft [geïntimeerde] daarin gezegd dat hij met niemand contact heeft gehad over de aanschaf en de import van de auto, behalve met [appellant] en dat hij de aankoop van de auto via [appellant] regelde. Ook dat heeft [appellant] niet tegengesproken. Op zijn beurt noemt [appellant] [geïntimeerde] zijn ‘klant’. Het hof verwijst naar de volgende passages uit de transcripten van de telefoongesprekken:
Audiobestand [datum 1]
00:07:15:
[geïntimeerde]: “Ja, Maar dat kijk jij bent hier de tussenpersoon voor mij in principe. Ik heb alleen het contact met jou en regel het verder met jou.”
[appellant]: “Klopt”.
[geïntimeerde]: “Ja dus dan is het aan jou om voor de rest uit te zoeken of te regelen, want ik heb daar niet de macht voor op dit moment. (…)”
00:10:50:
[geïntimeerde]: “Ik heb geen contact met Niemand, niet dan behalve jou.”
Audiobestand [datum 2]
00:04:56:
[geïntimeerde]: “Ja jij bent de enige die er op dit moment wat aan kan doen. Jij zit hier tussen, dus jij weet waar jij kan er wat aan doen. Ik weet niet met wie jij praat, waar mijn geld heen is gegaan.”
Audiobestand [datum 3]
00:02:44:
[appellant]: “Die die man kookt. Er zijn hele grote consequenties voor degenen die dit heeft veroorzaakt. Waar gaan ze uitkomen? Brood niet naar mij, nee, maar bij mijn klant in dit geval, ben jij die klant en dan mag jij hem uitleggen.”
Uit de telefoongesprekken en uit getuigenverklaringen leidt het hof verder af dat [appellant] een rol heeft gespeeld bij de betaling van de koopprijs door [geïntimeerde]. Dat [appellant] een rol heeft gespeeld bij de betaling van € 29.500 door [geïntimeerde] op de rekening van [naam 1], blijkt onder meer uit de volgende passages uit de transcripten van de telefoongesprekken en uit een bericht van [appellant] aan [geïntimeerde]:
Audiobestand [datum 1]:
00:04:22
[appellant]: “ING gaat waarschijnlijk jou bellen is het echt zo ben je weet ik veel. Is dat dat die 9,5? Dat moet je zeggen dat dat dat gewoon een aanbetaling was van een auto die diegene niet op kenteken kreeg. Blablabla.”
00:06:40
[appellant]: “Persoon heeft er niks mee te maken. Snap je die wou op die rekening. Die had een beetje cash en Daarom zei ik is goed. Maakt maar hierover gewoon een over. Was het 29”
[geïntimeerde]: “29 half.”
Audiobestand [datum 4]
00:01:06
[appellant]: “Die heeft niks aan mee te maken, Dat is gewoon wat jij je had niet zo heel veel liggen, dit had ik ik. Ik heb je nog ge joint daarmee van maak maar hier over zit erbij voor een auto. Ja want diegene wilt van die cash af.”
Bericht van [appellant] aan [geïntimeerde]:
“Bro
Ing heeft rekeningen geblokkeerd
Die van hun en van die waar je gekd had kvergemaakt
Snap je niet da dat schts is en dat die rekening gebruik is om over te maken alleen”
[appellant] heeft aangevoerd dat uit de telefoongesprekken i) niet kan worden afgeleid dat over een betaling van € 29.500 aan [naam 1] wordt gesproken, ii) niet volgt dat hij opdracht voor die betaling heeft gegeven en iii) ook niet volgt dat dit geld bestemd was voor de aanschaf van de auto. Het hof oordeelt dat uit de context van de gesprekken blijkt dat dit wel het geval is. Om te beginnen blijkt uit een door [geïntimeerde] overgelegde Snapchat-bericht dat [appellant] het rekeningnummer van [naam 1] aan [geïntimeerde] heeft gestuurd en vaststaat dat [geïntimeerde] vervolgens € 29.500 op die rekening heeft gestort. [naam 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank geen valide verklaring gegeven voor die storting. De geciteerde gesprekken hebben plaatsgevonden nadat duidelijk was geworden dat [bedrijf 1] het geld niet had ontvangen en [geïntimeerde] de auto daarom niet geleverd kreeg. Daaruit blijkt dat [appellant] zelf contact opnam met [geïntimeerde] vanwege de blokkade van de rekeningen van MKM en [naam 1] en daarin benoemde dat de rekening van [naam 1] alleen is gebruikt om geld over te maken voor de auto en dat het ging om een bedrag van € 29.500. Voor het sturen van het bankrekeningnummer van [naam 1] aan [geïntimeerde] en zijn wetenschap van de blokkades en de hoogte van het overgemaakte bedrag heeft [appellant] geen (aannemelijke) verklaring gegeven. Uit vorenstaande trekt het hof de conclusie dat, zoals [geïntimeerde] heeft gesteld, [appellant] [geïntimeerde] heeft bewogen om € 29.500 op de rekening van [naam 1] te storten voor de aankoop van de auto.
Verder heeft [geïntimeerde] gesteld dat hij naast de storting op de rekening van [naam 1] € 39.366 contant aan [appellant] heeft betaald. Volgens [geïntimeerde] volgt dit uit de volgende passages uit de telefoongesprekken:
Audiobestand [datum 1]:
00:00:35
[geïntimeerde]: “Waar is mijn geld dan?”
00:04:09
[geïntimeerde]: “Ja, maar kijk, snap je ook Waarom ik je bel? Ik ben 70 ruggen lichter he? Mijn geld is spoorloos en die man heeft het niet. (…)”
00:04:37
[geïntimeerde]: “Mag jij is duidelijkheid geven waar mijn geld is nu.”
00:09:38
[geïntimeerde]: “Maar waar dan is het geld ergens heen, waar is het heen?”
Audiobestand [datum 2]
00:04:41
[geïntimeerde]: “Ik wil duidelijkheid hebben en nu wil weten waar mijn geld heen is”
00:04:56
[geïntimeerde]: “Ja, jij bent de enige die er op dit moment wat kan doen. Jij zit hier tussen, dus jij weet waar jij kan er wat aan doen. Ik weet niet met wie jij praat, waar mijn geld heen is gegaan.”
[geïntimeerde] heeft zijn stelling dat hij € 34.366 contant aan [appellant] heeft overhandigd verder onderbouwd met de schriftelijke verklaringen van mevrouw [naam 3] (de vriendin van [geïntimeerde]) en de heer [naam 2] (haar vader). Zij verklaren dat zij contant geld voor [geïntimeerde] hebben opgenomen. Mevrouw [naam 3] heeft daarnaast verklaard dat zij heeft gezien dat [geïntimeerde] contant geld aan [appellant] heeft overhandigd:
De heer [naam 2]:
“Op 28 augustus 2023 heeft [geïntimeerde] 10.000,00 euro naar mijn rekening overgemaakt om voor hem te pinnen. Hij had zijn pinlimiet bereikt voor die dag. Dit bedrag is op dezelfde dag in 5x gepind (zie bankafschrift) en aan hem overgedragen.”
Mevrouw [naam 3]:
“Op 28 augustus heeft mijn partner, de heer [geïntimeerde], 10.000,- naar mij overgemaakt om voor hem te pinnen, omdat hij zijn pinlimiet had bereikt voor die dag. Dit bedrag is bij mij om 17.48 gestort, waarna ik om 18.02 het eerste bedrag (2.000,-) heb gepind. Dit moest in 5 keer gezien het bedrag wat maximaal per keer gepind kan worden, Ik heb het volledige bedrag gepind bij de betaalautomaat gevestigd bij [straat], [postcode en stad].
De heer [appellant] gaf naderhand aan dat de prijs verhoogd was, dit kon alleen contant betaald worden aan de heer [appellant]. Ik heb op 29 augustus om 22.27 nog 2.500,- gepind voor mijn partner. Dit bedrag is gepind bij dezelfde geldautomaat als de dag ervoor ( [straat]. [postcode en stad] ).”
en:
“Tijdens het incident op 28 augustus, in [plaats 1], kwam de heer [appellant] geld halen bij restaurant Loetje. Hier was ik samen met mijn partner, de heer [geïntimeerde], uit eten. Ik heb hem het geld zien overhandigen.
Tijdens het incident op 29 augustus heeft mijn partner, de heer [geïntimeerde], de heer [appellant] nog een keer geld overhandigd in [plaats 2] bij mijn partner thuis. Ook hier stond ik erbij en heb ik alles gezien.”
[appellant] heeft betwist dat [geïntimeerde] € 34.366 aan hem heeft overhandigd en heeft aangevoerd dat dat niet uit de telefoongesprekken blijkt. [appellant] heeft verder aangevoerd dat de verklaring van mevrouw [naam 3] ongeloofwaardig is omdat zij de vriendin is van [geïntimeerde] en dat uit de verklaring niet blijkt op welk moment en hoeveel geld er door [geïntimeerde] aan [appellant] overhandigd zou zijn. [geïntimeerde] heeft ook geen kwitantie van de contante betaling, aldus [appellant].
Het hof gaat aan deze betwisting voorbij vanwege het volgende.
Anders dan [appellant] beweert, blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen in r.o. 6.8 dat hij wel degelijk een rol heeft gespeeld bij de betaling van de koopprijs. Daarnaast houdt [appellant] informatie achter. Zo heeft hij niet duidelijk verklaard waar het bankafschrift vandaan komt waaruit zou moeten volgen dat de koopprijs aan [bedrijf 1] is betaald. Dit had wel op zijn weg gelegen, omdat vaststaat dat [appellant] al voordat er onduidelijkheid ontstond over de vraag wat er met de koopprijs was gebeurd aan [geïntimeerde] een screenshot heeft gestuurd van een bankafschrift (3.7) waaruit zou moeten blijken dat [bedrijf 1] de koopprijs had ontvangen, terwijl moet worden aangenomen dat dit bankafschrift is vervalst, zoals hierna in r.o. 6.13 zal worden overwogen. Door aantoonbaar onjuiste stellingen in te nemen en informatie achter te houden, heeft [appellant] in strijd gehandeld met zijn verplichting krachtens artikel 21 Rv. Volgens dat artikel moeten partijen de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Als consequentie van de schending van artikel 21 Rv neemt het hof daarom als vaststaand aan dat [appellant] € 39.366 contant aan [geïntimeerde] heeft overhandigd, ook al heeft [appellant] dat betwist.
[geïntimeerde] heeft gesteld dat de koopprijs – het geld dat hij op de rekening van [naam 1] heeft gestort en het geld dat hij aan [appellant] heeft overhandigd – nooit bij [bedrijf 1] terecht is komen. [appellant] betwist dat de koopprijs niet aan [bedrijf 1] is betaald. Ter onderbouwing van zijn betwisting heeft [appellant] slechts aangevoerd dat uit het bankafschrift blijkt dat de koopprijs is voldaan en dat [geïntimeerde] geen bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de koopprijs niet is bijgeschreven op het bankrekeningnummer dat is vermeld op het bankafschrift. Het hof acht die betwisting onvoldoende gemotiveerd, gelet op het volgende. Aangenomen moet worden dat dit bankafschrift is vervalst. [appellant] heeft dit al aan [geïntimeerde] verstrekt voordat de onduidelijkheid ontstond over waar dit bedrag gebleven. Bovendien is niet duidelijk wat er uiteindelijk met het door [geïntimeerde] aan [appellant] betaalde bedrag is gebeurd. [appellant] heeft daar geen enkele verklaring over gegeven. Uit overgelegde Whatsappberichten van [bedrijf 1], een brief van [bedrijf 1] van 31 augustus 2023 en een e-mail van [bedrijf 1] van 1 september 2023 met bijgevoegde rekeningafschriften blijkt dat de koopprijs nooit op de rekening van [bedrijf 1] is gestort. Dat wordt bevestigd doordat uit de aangifte van [geïntimeerde] en een verklaring van dhr. [naam 4] (die aanwezig was bij het bezoek van [geïntimeerde] aan [bedrijf 1] in Duitsland) blijkt dat [bedrijf 1] hen inzicht heeft gegeven in de bij- en afschrijvingen van haar bankrekeningnummer en dat de bijschrijving van de koopprijs daar niet was vermeld. De koopprijs is dus niet bij [bedrijf 1] terechtgekomen. Dat [bedrijf 1] de auto wel aan [geïntimeerde] zou hebben geleverd, zoals volgt uit het betoog van [appellant], klopt ook niet. Dat blijkt uit de door [geïntimeerde] overgelegde Whatsappcorrespondentie van na de mislukte aankoop. [geïntimeerde] deelt daarin een advertentie met [appellant] waarin de auto door een Nederlandse dealer te koop wordt aangeboden. [appellant] heeft daarop gereageerd “Wtf. Zij hebben hem gekocht dus.”. Hieruit volgt dat de auto niet aan [geïntimeerde] maar aan een andere partij is verkocht en geleverd en dat ook [appellant] daarvan op de hoogte was.
Het hof komt tot de volgende conclusie. [appellant] heeft zich jegens [geïntimeerde] gepresenteerd als bemiddelaar bij de aankoop van de auto. In die hoedanigheid heeft hij bewerkstelligd dat voor de aankoop bestemde gelden aan hem werden toevertrouwd. Hij heeft de indruk gewekt dat hij deze gelden ten behoeve van de aankoop zou doorbetalen en met behulp van een vervalst bankafschrift voorgewend dat de koopprijs aan [bedrijf 1] was betaald. Deze voorstelling was onjuist. Of [appellant] de koopprijs aan MKM heeft betaald, kan het hof niet vaststellen omdat [appellant] dit verborgen houdt. Het hof houdt het ervoor dat [appellant] het door [geïntimeerde] betaalde geld niet aan MKM heeft betaald en voor zichzelf heeft gehouden. [appellant] heeft [geïntimeerde] misleid en daardoor geld van [geïntimeerde] ontvangen dat bedoeld was voor de aankoop van de auto maar daarvoor niet is gebruikt. Een dergelijke opzettelijke misleiding is in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en levert een aan [appellant] toerekenbare onrechtmatige daad op in de zin van artikel 6:162 BW. De schade die [geïntimeerde] daardoor heeft geleden, komt voor vergoeding in aanmerking. Geen van partijen is gemotiveerd opgekomen tegen de vaststelling van de schadeomvang door de rechtbank, zodat het hof daarvan kan uitgaan.
[appellant] heeft nog aangevoerd dat [geïntimeerde] eigen schuld kan worden verweten, omdat [geïntimeerde] onvoorzichtig is geweest. Er waren verschillende omstandigheden op grond waarvan hij volgens [appellant] van de aankoop had moeten afzien. Het hof verwerpt dit betoog. [geïntimeerde] heeft hier terecht tegenin gebracht dat partijen in het verleden op vergelijkbare wijze zaken hebben gedaan waarbij geen problemen zijn ontstaan (zie 3.4). [geïntimeerde] had daarom geen reden om aan te nemen dat het deze keer niet goed zou gaan. Daarmee kan niet gezegd worden dat de schade het gevolg is van een omstandigheid die aan [geïntimeerde] moet worden toegerekend.
De slotsom is dat de grieven niet slagen. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd. [appellant] is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Het hof stelt de proceskosten in hoger beroep als volgt vast:
- griffierecht € 827
- salaris advocaat € 2.352 (tarief IV, 1 punt)
Totaal € 3.179
7 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot nu vastgesteld op € 3.179, te vermeerderen met de wettelijke rente, als niet binnen veertien dagen na dit arrest aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, K.A.J. Bisschop, M.M. Kruithof en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.